Kromme Waal 26
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naamherkomst: De Walen waren inhammen van het IJ die in de winter als ligplaatsen voor zeeschepen werden gebruikt. De benaming Kromme Waal, naar de vorm, kwam pas in de 18de eeuw in gebruik, aanvankelijk dienden Lastage, Waalburgwal, maar vooral Oude Waal als plaatsaanduiding. De drassige oevers dienden voor opslag van hout, pek en teer.
Adres: Kromme Waal 26
Bouwtijd: circa 1605
Opdracht: Gijsbrecht Jansz. de Veer

In de kwijtscheldingen (verkoopakten) wordt het huis omschreven als ‘liggende op de noordhoek van het Leliestraatje’, tegenwoordig de Gelderse Steeg. De Gelderse Steeg is al sinds jaren afgesloten, als gevolg van de overlast door junks.
1569
De vroegst bekende eigenaar van het ‘ledig’ erf was de scheepstimmerman Cornelis Jansz. In 1569 komt hij voor als eigenaar van twee mastwerven op de Lastage. Hij gebruikte ook het erf van de (nog jonge) buurman Willem Claesz.
Cornelis Jansz. was getrouwd met Nelle Gerritsdr. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, waarvan twee jong stierven. De oudste dochter, geboren in 1564, was in 1583 al weduwe en hertrouwde de 35-jarige buurman, Willem Willems (= Willem Claesz.). In 1596 werd Willem Willems, mastenmaker, deels eigenaar van het genoemde erf. Het overgrote gedeelte behoorde echter toe aan zijn schoonvader.
Op 10 januari 1601 vond een herschikking plaats. Door de weduwe van Willem Willems en haar vader Cornelis Jansz. waren bij de weesmeesters vijf erven ingebracht, die vervolgens werden verkocht. De erven met de nummers 1 en 5, het laatste met huis, kwamen op naam van haar vader. De erven 2 en 3 kwamen in handen van haar broers. Het erf met nummer 4 kocht de schilder Pieter Gerritsz. Cosijn, een speculant? Op 31 januari 1601 werd bij de Weeskamer gemeld dat een deel van de opbrengst, 2.000 gulden, ten goede kwam aan de vier kinderen van de weduwe Willems.
1601
Cornelis Cornelisz. Cleyn (1571-1610) was scheepstimmerman of mastenmaker, net als zijn vader, broer en zwagers. Cornelis trouwde in 1593 met Geertrui Dircks Dorst en ze kregen vier kinderen. In 1601 betaalde hij 820 gulden voor het erf, voorheen van zijn vader, 'getekent met no. 3 gelegen buyten ’t Waterpoortgen op de Lastagie, op d’achterburgwal uytcomende op de Wael'. Twee jaar later werd het erf voor een onbekende prijs verkocht. De mastenmakers ‘Cleyn’ hebben het scheepstimmerbedrijf verplaatst naar het nog lege oostelijker gelegen Uilenburg. In 1610 werd Cornelis Corn. Cleyn, ‘uit de Ridderstraat’ begraven in de Oude Kerk.
1603
Gijsbrecht Jansz. de Veer (1556-1615). Hij was vermoedelijk in eerste echt getrouwd met Debora Harnasveger en kort daarna met Mayke Jansdr. De Veer werd in 1601 poorter in Amsterdam. Uit notariële akten is op te maken dat Gijsbrecht Jansz. de Veer zowel in rogge uit Danzig als in zout uit Frankrijk handelde. In 1603 had Gijsbrecht Jansz. twee erven gekocht (met de nummers 3 en 4) van Cornelis Cornelisz. Cleyn en Pieter Gerritsz. Cosijn. In 1606 zijn beide erven bebouwd. De Veer financierde een expeditie naar Nova Zembla in 1610, een van de eerste vermeldingen van Hollandse robben- en walrussenvaart. In 1612 vertrok De Veer naar Danzig waar hij in 1615 is gestorven. Zijn oudste zoon Nicolaes bleef hier; hij kocht in 1614 een pand op de Wael, maar verkocht het weer in 1615. Ook Abraham bleef in Amsterdam.
1631
Nicolaes Outgers was afkomstig ‘van Berdaert in Vriesland’. Hij woonde in 1603 in de Warmoesstraat. Daar trouwde hij met Anne Jans Cloecken. Samen met zijn schoonzuster en haar man, woonachtig in Danzig, was het drietal actief in de rogge- en potashandel. De schippers waren uit Stavoren, Molkwerum en van Terschelling afkomstig. Het wordt niet duidelijk wanneer Nicolaas Outgers eigenaar van de beide panden was geworden. Nicolaes Outgers moet erg rijk zijn geweest, want hij werd in 1629, het jaar van zijn overlijden, aangeslagen voor 250 gulden, een 1/2 procent van zijn vermogen.

1641
Outgert Claesz. gebruikte bij zijn ondertrouw de naam van zijn vader Nicolaes. Hij trouwde met Geertrui Poppendans. Hij werd in 1677 begraven en zijn dochters Anna en Geertrui erfden elk een pand, naast elkaar op de Waal.
1677
In 1675 trouwt Gerrit van Arkel, een koopman in grein, een stof, voornamelijk gebruikt als stoelbekleding, met Anna Outgers. Gerrit van Arkel, woonde achter de Oude Kerk. In 1680 werd Anna Outgers ‘uit de Warmoesstraat’ begraven in de Zuiderkerk. In 1685 sloot Van Arkel een hypotheek van fl. 2.500,- af en hertrouwde enkele dagen later met Elisabeth Bijlder. Op de laatste dag van 1689 werd het pand op de Kromme Waal bij executie verkocht, waarna hij zijn lening kon aflossen.
1689
Geurt Ringenberg (1654-1699) was wijnkoper. In oktober 1678 ging Geurt in ondertrouw met Cornelia van der Cooghen. Twee kinderen werden, net als hij zelf, gedoopt in het “Stadhuis van Hoorn”, tegenwoordig de Dominicuskerk.
December 1688 kocht Godart van Ringenberg ‘een vierde part van zekeren vier wooningskens, staende achter of naest den anderen in het Leliestraatje ende waar het voorn. uytkomt op de Wael’. Op 31 december 1689 kocht hij het pand aan de Kromme Waal dat vanwege schulden ter verkoop was aangeboden. Het pand had ‘een gemeene muur en gemeene secreetkuijl, mitsgaders gemeene regenbak en loodegoot aen de noordzijde’. De panden moesten afzonderlijk kunnen worden gebruikt en in de koopakte werd geregeld dat de buurman, (Henrick Christiaensz, die het pand in 1685 had gekocht van de erfgenamen van) Christoffel Boote, de openslaande ramen en twee deuren in de gemeenschappelijke muur respectievelijk moest vervangen en wegnemen. In 1692 was het huis aan de Kromme Waal in halfjaarlijkse termijnen betaald, waarvan voor twee schepenen de kwijtschelding werd opgemaakt.
Bij de begrafenis van Geurt Ringenberg in 1699 werd er ’4 uure geluyt’, toendertijd een kostbare aangelegenheid. De weesmeesters noteerden dat hij in het huis ‘de Ringenberg’ woonde.
Vermoedelijk verhuisde zijn weduwe Cornelia van der Cooghen naar de Prinsengracht, in de buurt van haar ergenamen Balthazar en Anna Maria van Dulken. Cornelia overleed in 1733 en werd in de Westerkerk begraven Het pand aan de Kromme Waal werd toen bewoond door Jacobus Sluyter. In 1737 werd de nalatenschap van Cornelia verdeeld en was het pand verhuurd aan de weduwe van Abraham Schuttrop.
1737
Booij Adriaansz Koningh, (ca.1695-1755) liet zich in 1717 als poorter van de stad inschrijven. Booij of Boijs Koning, scheepstimmerman, 'van de Anjeliergracht' trouwde in 1721 met de tien jaar oudere weduwe Maria de Haas 'van de Lindengracht'. Hendrina, hun enige dochter, werd gedoopt in 1724.
Op 6 juni 1737 kocht Booij Koning het pand op de Kromme Waal. Booij liet in 1742 en 1744 steenkool verschepen uit Sunderland, een plaatsje ten zuiden van Newcastle. Vooral van het jaar 1742, toen een echte inkomstenbelasting werd ingevoerd, is de welstand van de bovenlaag van de Amsterdamse bevolking bekend. Het Kohier Personeele Quotisatie vermeldt dat hij, inmiddels schuitenvoerder en kolenkoper, als enige op de Waal een rijtuig, een paard en een (riant) inkomen van fl.3.000,- 's jaars had.
Maria overleed in 1743 waarna zijn 19-jarige dochter Hendrina twee maanden later 'mondig' (meerderjarig) werd verklaard door de Edele Grootmogende Heren. Booij kwam dit melden bij de Weeskamer. Hendrina trouwde in 1746 met Johannes di Arutuum (Aritoun), steenkoper en woonachtig op de Boomsloot. Hij was afkomstig uit Smyrna, een Armeen, veelal handelend met landgenoten in Rusland.
Bicker Raye vermeldde op 1 juli 1754 in zijn dagboek dat Jan Aritoun in zijn rijtuig (de chais van zijn schoonvader?) in volle vaart tegen de buitenste Utrechtse poort was gereden. De medepassagier had een vreselijk gat in zijn hoofd. De ‘Persiaan’ was een groot koopman en een ‘swaar reeder’ in schepen.
Het begraafboek vermeld bij Booij Koningh dat hij bij zijn schoonzoon inwoonde, met als conclusie dat het pand op de Waal werd verhuurd. Hendrina Koningh erfde onder andere Kromme Waal 26.

1755
Hendrina Koningh 'uit de Kerkstraat bij de Utrechtsestraat' erfde het pand van haar vader. In het jaar voor haar overlijden (1783) had zij negen panden verkocht, merendeels in de Jordaan, verkregen uit erfenissen, zowel via haar (groot)vader als moeder en opgekocht door haar echtgenoot.
1782
Willem Lourens van Coeverden (1752-1831) was de zoon van een schoenmaker. Hij trouwde in 1779 met Maria Frena. In het poorterboek werd als beroep boekhouder vermeld. Van Coeverden kocht het pand in 1782 op een veiling. Het huis bleek verhuurd tot mei 1785.
In 1796 werd de eerste huisnummering doorgevoerd waarbij het onderhavige pand Kleinnummer 31 kreeg.
In 1806 kocht Van Coeverden een steenkoperij op Rapenburg 29; zijn oudste zoon kwam in het bijbehorende huis te wonen. Bij het opmaken van een testament werd zijn vermogen op fl.20.000,- geschat. In 1816 werd Kromme Waal 26 ingedeeld in klasse 3, een burgerwoning, bewoond door 5 personen. Het pand is in 1832 door zijn enige erfgenaam en jongste zoon Jan op een veiling in het Oudezijds Heerenlogement ter verkoop aangeboden. Het werd aan een makelaar, handelend in opdracht van een cliënt, verkocht.
1832
Johannes Gerardus Bruning Gerritzoon (1769-1855) trouwde in 1797 met Catharina Hillegonda Tukker (1777-1859) afkomstig van Kattenburg. Zij woonden op de Zeedijk 39 (of 53) bij de Stormsteeg. Hij handelde in graan, grutterswaren en scheepsproviand. Gerrit Bruning of zijn gelijknamige zoon, geboren in 1808, kocht in verloop van tijd acht panden, waarvan vijf op de Zeedijk. Vermoedelijk werd het pand op de Kromme Waal gerenoveerd, want het werd in 1841 ingedeeld als een enkel (grachten)pand. Na zijn overlijden in 1855 kwam het pand op de Kromme Waal op naam van zijn vrouw.
1856
Catharina Hillegonda Tukker (1777-1859) was erfgename van het pand met een geschatte waarde van 6.000 gulden. Na haar overlijden verkochten de erfgenamen het pand een jaar later.
1860
Jan Hugo Schippers (1811-1872) trouwde in 1836 met Alida Catharina Ruyters. Ze kregen vijf kinderen. Hij was gezagvoerder op de bark ‘Margaretha Catharina’ en het fregat ‘Elisabeth Antonia’, daarna was hij expert in zeezaken. Aanvankelijk woonden ze in Buiksloot, aansluitend op de Haarlemmerdijk 264. Hij kocht het pand in 1860 om het in 1867 weer te verkopen. Hij stierf in 1872 op de Haarlemmerdijk. Het is niet duidelijk of hij er ooit heeft gewoond.
1867
Anthony (van Burenstein) van Otterloo was in 1817 in Leeuwarden geboren. Hij trouwde in 1846 met Wilhelmina Adriana Jansen. Vab Otterloo was aardrijkskundeleraar aan de HBS. In 1852 was hij tevens kostschoolhouder op Herengracht 552 en ook op Kloveniersburgwal 92. Bij de Burgelijke Stand staan op de Kromme Waal 26 ook twee schoolleerlingen vermeld, zij waren in de kost. Hij stierf in 1882. De enige erfgenaam Obbelina van Otterloo (1850-) en de dienstbode Anna Maria Lucas (1833-) verkochten het pand in 1882.
1882
Ferdinand Franciscus Klumper (1838-1907) was schuitenvoerder net als zijn vader. In 1861 werd hij opgenomen in de zaak. In 1863 trouwde hij met Gerarda Antonia Ernst (1838-1911). Hij woonde toen op de Oudezijds Achterburgwal 131. Bij de geboorte van hun oudste dochter woonden zij op de Kloveniersburgwal. Vervolgens verhuisde de familie naar de Reguliersbreestraat 6. Klumper kocht Kromme Waal 26 in 1882, in een tijd dat de koopprijzen uitzonderlijk hoog lagen. Zij gingen het huis zelf bewonen. Na zijn dood in 1907 ging het pand over op zijn weduwe Gerarda Ernst, de firma werd in 1908 voortgezet als Klumper & Heijboom. In 1918 vond uiteindelijk de boedelscheiding plaats. Dochter Bernardina Cornelia Maria Klumper (1875-1942), in 1906 getrouwd met Alphons A.F.Dekker (1877-1943) financieel directeur van het gemeentelijk abattoir, woonde toen in het pand. Haar broer Bernhard was priester in Rome, haar zuster Johanna was moeder-overste in een niet meer bestaand Urselinenklooster en haar oudste zuster werden allen deels eigenaar.

1932
De oudste zuster, Maria Catharina Johanna Klumper, verkreeg in 1932 het gehele pand in eigendom door de overige erfgenamen uit te kopen. Zij verkocht het pand in 1943 maar bleef in het bovenhuis wonen tot zij in 1951 naar de Linnaeusparkweg 114 verhuisde.
1943
Jan Timmer & Jan Wolf zijn de nieuwe eigenaren. Jan Wolf is schipper en woonde in Arnhem. Jan Timmer (1910-1982) was getrouwd met Carolina Wolf en derhalve een zwager van Jan Wolf. Ook Jan Timmer is schipper en woonde aan boord van de rijnaak 'Carolina'. Zij kochten het pand in 1943. Bij onderhoud in 1948 werd de achtergevel opnieuw verankerd. In 1949 vond een boedelscheiding plaats waarbij Jan Timmer alleen eigenaar werd.
1949
Jan Timmer besluit het pand te verkopen.
1950
Geert Raske (1896-1973) is geboren in Winschoten. Hij was directeur van een handel in olie en woonde op Kromme Waal 12, waar zijn winkel 'Tagrijn de Zwaan' gevestigd was. Hij was getrouwd met Carolina Frederika Christina Herbold. Geert werd in 1950 eigenaar van dit pand. Een verbouwing in 1952 waarbij de eerste verdieping tot een afzonderlijke woning werd omgetoverd kreeg de handen bij Bouw- en Woningtoezicht niet op elkaar. Een aanschrijving om de uitgesloopte woning te herstellen was het gevolg. De wand tussen de woonkamer en het trappenhuis is op verzoek van de bewoonster en de eigenaar weggelaten. De hoofdingenieur van Bouw- en Woningtoezicht schreef over deze kwestie aan zijn superieuren 'Hoop dat u hiermee accoord kunt gaan. Ik kom dan van het oudste bouwstuk wat ik bezit af'.
In 1968 volgde een nieuwe verbouwing waarbij de alkoofwand werd gesloopt. Tevens werd de elektriciteitbedrading vernieuwd, een wc-douche ingebouwd en er kwamen brandveilige plafonds. De slaapkamer werd verkleind en een eetkamer toegevoegd.
1974
Albertus Johannes Raske, geboren in 1939, was al voor een kwart eigenaar. In 1974 nam zijn echtgenote, Catharine Rietdijk het eigendom van haar schoonmoeder over. Bert nam de handel in olie over en bouwde die uit tot een handel in scheepstoiletten en pompen.
1984
Harm Willem Daling wordt de nieuwe eigenaar. Hij is geboren in 1947 in Smilde en werkzaam als kandidaat-notaris in Amsterdam. De eerste verdieping wordt verhuurd.

Meer lezen:
Claesz, Willem
Cleyn, Cornelis Cornelisz.
Cosijn, Pieter Gerritsz.

Voor het laatst bewerkt:20-apr-2020