Nes 23
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: De Prince van Orangien, Den Swarten Hondt
Adres: Nes 23
Architect: Th.Philippi
Bouwjaar: 1932

Op de noordhoek van de Pieter Jacobszstraat was in de 16de en 17de eeuw een logement gedreven door Jan Claesz Spiegel in dienst van de Admiraliteit van Amsterdam. Hij was kapitein van de watergeuzen tijdens de inname van Den Briel (1572). Zijn weduwe verkocht de zaak, waar De Helm uithing, in 1606 aan Jochem Hendricksz Swartenhondt (1566-1627). Ook Swartenhondt was kapitein op een oorlogsschip. Hij zette de herberg voort onder de naam De Prince van Orangien.
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) werd de herberg waarschijnlijk door het echtpaar gezamenlijk geleid, want op zee was, vanwege de wapenstilstand, voor Jochem Swartenhondt, weinig te doen. Toen het Bestand was afgelopen, trad Swartenhondt weer in dienst van de Admiraliteit van Amsterdam. Hij werd bevorderd tot luitenant-admiraal, versloeg in 1621 de Spanjaarden bij Gibraltar, en werd daarom door prins Maurits geëerd met een gouden keten. De keten is te zien op het portret dat Nicolaes Eliasz. Pickenoy in 1627 van hem maakte. Het is niet duidelijk of de herberg op enig moment van naam veranderd is of dat een uithangbord met de Swarten Hondt een tweede naam was. Jochem Swartenhondt was actief in de kaapvaart die in het kader van de oorlog met Spanje plaatsvond. Hij bestreed onder anderen de Duinkerker kapers. In 1602 maakte hij zes Spaanse suikerschepen buit. In datzelfde jaar, zo blijkt uit een notariële akte, bestelde Lysbeth Jacobsdr. drieduizend broden bij haar broer, bakker Lubbert Jacobsz. Bas aan de Nieuwendijk. Uit deze bestelling valt op te maken dat Elisabeth zorgde voor de foeragering van de zeereizen van haar man, een taak die voor zeemansvrouwen in die tijd heel gewoon was.
Jochem Heijndricksz. Swartenhondt trouwde in 1596 met de toen 25-jarige Elisabeth Bas (ca.1571-1649), zij noemde zich toen Lysbeth Jacobsdr. van Campen. Uit dit huwelijk werden behalve vier zoons, die jong overleden, twee dochters, Marritje en Engeltje, geboren. Elisabeth Bas is de dochter van Jacob Jansz. Bas (-1595), handelaar in scheepsbenodigdheden, en Engeltje Lubbersdr. (-1582). Jacob was eigenaar van huizen en moet dus een zekere welstand hebben gekend. In 1583 werden voogden aangesteld over de twee kinderen, de elfjarige Elisabeth en de iets jongere Lubbert, wat er op duidt dat de vader na de dood van Engeltje waarschijnlijk is hertrouwd.

In 1585 verhuisde Jacob Jansz. Bas met zijn gezin van Kampen naar Amsterdam. Misschien wilden ze weg uit het oorlogsgebied dat Overijssel toen was. Dan weer was Kampen in handen van de Spanjaarden, dan weer in handen van de opstandelingen. In 1578 koos de stad definitief de kant van Willem van Oranje, maar ook daarna bleef het onrustig. Van de bloeiende hanzestad was niet veel meer over. De 'negociatie en neeringhe' waren helemaal stil komen te liggen en de burgers vertrokken 'armoetshalven'. En zo kan Elisabeth Bas dus worden gezien als een kindvluchteling van de Tachtigjarige Oorlog. In Amsterdam begon haar vader een zaak (vermoedelijk opnieuw in victualiën) aan het Singel, op de hoek van de Driekoningenstraat aan de voet van de stadsmuur. In datzelfde jaar 1585 was de stad net begonnen met het uitgraven van een vestinggracht, de latere Herengracht. Toen vader Bas in 1595 stierf, erfde Elisabeths broer Lubbert het pand en begon er een bakkerszaak.
Elisabeth Bas zou Jochem ruim twintig jaar overleven en bleef na zijn dood de herberg nog jaren alleen bestieren. Ze was een van de vele zakenvrouwen die Amsterdam in de 17de eeuw telde. Als Jochem van huis was, zorgde zij in haar eentje voor het thuisfront, als hij aan wal was, werkte ze als zijn partner in zaken, en toen hij stierf, zette ze de zaak zelfstandig voort. In ieder geval tot 1630, getuige de hoge rekeningen die de stad voor haar gasten aan ‘de weduwe Swartenhondt’ moest betalen. De Prince van Orangien, na verloop van tijd herdoopt in Den Swarten Hondt, was een chique gelegenheid waar de stadsbestuurders van Amsterdam graag hun hoge gasten ontvingen, onder wie in 1608 prins Frederik Hendrik.

In 1631 heeft zij als grootmoeder de kinderen van haar in 1630 overleden oudste dochter Maria in huis heeft genomen en opgevoed. Maria was getrouwd met Marten Reynersz. Rey, de zoon van een wijnhandelaar aan het Rokin. Rond 1632 verhuisde Elisabeth naar de Oudeschans, waar ze een huishouden met drie kleindochters had. Financieel ging het haar niet slecht: uit het testament dat zij in 1648 heeft laten opmaken, blijkt dat zij beschikte over een vermogen van 28.863 gulden.
Hoewel Elisabeth tot de gegoede burgerij van Amsterdam kon worden gerekend is dit niet wat haar (wereld)beroemd maakte. Zelfs haar portret dat omstreeks 1642 zou zijn geschilderd draagt maar indirect hieraan bij. Het was de sigarenfabriek van Hubertus Josephus (Sjef) van Susante (1882-1949) te Boxtel die in 1932 koos voor de handelsnaam ‘Elisabeth Bas’ voor haar goedkopere sigaren en dit portret op de sigarenbandjes afbeeldde. Haar naam kon niet meer stuk: de sigaren van ‘Elisabeth Bas’ waren bekend bij jong en oud.
Toch zijn er wel verwikkelingen rond het portret, in die trant dat eigenlijk nergens meer zekerheid over bestaat. Zowel de maker van het schilderij als de geportretteerde staat ter discussie. Laten we terug gaan naar 1880. In dat jaar legateerde de familie Van de Pol, nazaten van Elisabeths oudste dochter, Engeltje Jochems en Marten Ray, het portret, samen met andere familiestukken, aan het Rijksmuseum. Het zou een Rembrandt zijn, en daarmee was het museum bijzonder gelukkig, want het had zelf geen werken in bezit die probleemloos aan de grote meester konden worden toegeschreven. Het publiek was dol op wat liefkozend ‘het oude vrouwtje’ werd genoemd en het portret leek boven iedere discussie verheven. Ook sprak men wel van ‘de moeder van Rembrandt’, hoewel al in 1881 was vastgesteld dat het moest gaan om Elisabeth Bas, de grootmoeder van enkele andere geportretteerden uit het legaat-Van-de-Pol.
Het was de kunsthistoricus Abraham Bredius die in 1911 de knuppel in het hoenderhok gooide met de constatering dat het portret van ‘het oude vrouwtje’ geen Rembrandt kón zijn. Een discussie brandde los die tot op heden voortduurt. De opvatting dat het schilderij moet worden toegeschreven aan Ferdinand Bol domineert, ofschoon de Dictionary of Art het hier niet mee eens is.
Kunsthistoricus Pieter van Thiel vergroot de verwarring in 1992 door ook de identiteit van de geportretteerde zelf ter discussie te stellen. Volgens Van Thiel is de identificatie van de bejaarde vrouw nergens op gebaseerd en daarom dubieus.
De herbergierster Elisabeth Bas dankte haar roem aanvankelijk aan een intrigerend maar ongesigneerd en ongedateerd olieverfschilderij en later vooral aan een sigarenbandje. Met het verdwijnen van het sigarenmerk aan het eind van de twintigste eeuw en twijfels over het portret van het schilderij lijkt haar roem vergankelijk.

Meer lezen:
Nes

Voor het laatst bewerkt: