Drugsproductie in Amsterdam

Cocaïne is een drug die in 1859 door een verbeterd zuiveringsproces gewonnen kan worden. In Nederland richt de Koloniale Bank van Amsterdam in 1900 de Nederlandsche Cocaïne Fabriek op.

Deze fabriek begint een productielijn in de Eerste Schinkelstraat. De NCF produceerde op legale wijze cocaïne en beschikte over alle benodigde vergunningen. De overheid bleef nadrukkelijk niet aan de zijlijn staan. Al na 8 jaar was een tweede productie uitbreiding nodig en werd het bedrijf verhuisd naar de Duivendrechtsekade. De Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) had via obligatieleningen en aandelen een vinger in de pap bij de Koloniale Bank en profiteerde hiermee van de winsten die de Nederlandsche Cocaïne Fabriek genereerde.

Drugshandel in de Oost

Voor de NHM was dit niet de enige drug waar aan verdiend werd. Het waren de VOC-kapiteins die al in het begin van de 17de eeuw opium uit Turkije.Perzië en vooral India mee namen naar de Oost. Het spul was uitsluitend voor de handel bedoeld en beslist niet voor eigen gebruik. Een belangrijk deel werd gebruikt als betaalmiddel voor specerijen elders in Azië.
Zo vervoerde de VOC in 1613 ruim 200 pond (onduidelijk is of het om de Nederlandse of Engelse gewichtsklasse gaat) opium naar de Molukken. Na de verovering in 1677 van grote delen van Midden-Java door Cornelis Speelman bepaalde de VOC dat zij hier het alleenrecht had op de import van opium. Chinese pachters waren de afnemers, om het op hun beurt aan de consument te verkopen.
Zo verdienden de Nederlandse overheid en de pachters kapitalen aan de kleinverbruikers. De opiumbaten leverden direct kasgeld op waarmee de koloniale veroverings- en bezettingslegers en ambtenaren werden betaald.
Er veranderde niets met het verdwijnen van de VOC en de komst van de in 1824 door koning Willem I opgerichte Nederlandsche Handel- Maatschappij. In 1826 besliste koning Willem I dat de NHM met ingang van 1 januari 1827 voor drie jaar het monopolie op de verkoop van opium voor Java en Madoera kreeg. Tussen 1825 en 1833 was de totale nettowinst van de NHM ongeveer zes miljoen gulden, waarvan de helft werd verdiend met de opiumhandel.

In 1894 startte Nederland een proef op het eiland Madoera met de Dienst der Opiumregie. Deze dienst breidde het staatsmonopolie op de opiumhandel uit tot de detailhandel. De overheid werd dealer. Op het landgoed Struiswijk bij Batavia opende het gouvernement een fabriek waar het ruwe opium van staatswege werd omgetoverd in rookopium. Vanaf de inkoop in Turkije of India tot de verkoop aan de Madoerese schuiver beheerste de overheid nu de gehele commerciële keten, en maakte ze zo de grootst mogelijke winst.
In 1904 werd een omvangrijke gouvernementsopiumfabriek in de Bataviase wijk Keramat (Weltevreden) bijgebouwd. Jaarlijks importeerde de Nederlandsch-Indische overheid nu ruim honderd ton ruwe opium die in de staatsfabriek werd verwerkt tot ruim zeventig ton rookopium. Deze rookopium werd tussen 1890 en 1942 via een uitgebreid fijnmazig web van officiële opiumverkoopkantoren in Nederlandsch-Indië aan de man gebracht.