Bloemgracht 15
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Nunc Finitus (Nu is het voorbij)
Adres: Bloemgracht 15
Bouwtijd: voor 1625; 18de eeuw

Het in de 18de eeuw verbouwde pand heeft een 19de eeuwse rechte klossenlijst (een lijst met houten blokken ter versiering). Het huis heeft nog vroeg-17de-eeuwse onderdelen. Boven het stucplafond van de eerste verdieping zijn enkele zware eiken moerbalken gevonden ondersteund door een rijk versierde console met aan de voorzijde een engelenkopje met vleugels. Deze renaissancedecoraties zijn weinig voorkomend. Het kopje is aan de onderzijde op een later moment vlak gehakt om het plafond te kunnen bevestigen.
In de voorgevel is in 2002 een 17de-eeuwse gevelsteen geplaatst door de toenmalige eigenaar Joost Ritman. Hij had de steen bij een antiquair gekocht en laten opknappen. Toen is ook de tekst ‘De Ridder en de Roos’ toegevoegd. Op de steen is een schildhouder met een wapenschild afgebeeld waarvan het wapen grotendeels overeen komt met het wapen dat tussen 1816 en 2014 het stadswapen van Schagen was. Alleen de cirkel waarin de roos ligt, is wat anders van vorm en de roos is zilver in plaats van goud. Wellicht is de man met de knots Heer Magnus van Schagen, die in 1219 een belangrijke rol speelde bij een kruistocht naar de Egyptische havenstad Damiate.

Door zijn royale inkomsten als arts/wetenschapper kon Frederik Ruysch (1638-1731) dit huis kopen. Ook de naastliggende huizen op 13 en 17 had hij in bezit. Frederik Ruysch was één van de belangrijkste Amsterdamse wetenschappers. Als arts voerde hij zijn wetenschappelijk onderzoek uit op lijken. Vanaf 1666 gaf Ruysch anatomisch onderwijs. Deze beroemde anatomische lessen vonden plaats in het ‘Theatrum Anatomicum’ in de Waag op de Nieuwmarkt, waarbij de onderwijstaak bestond uit het ‘aanschouwelijk ontleden van lijken’ en het geven van theorielessen. De drijvende kracht daarachter was de arts Nicolaes Tulp, lid van het stadsbestuur.
De benoeming van Ruysch als anatoom en hoogleraar paste in het streven van het stadsbestuur om de medische zorg in de snel groeiende stad te verbeteren. Ruysch werd ook benoemd tot ‘stadsvroedmeester’, met de opdracht het onderwijs aan vroedvrouwen te organiseren. Een examen werd verplicht voor de uitoefening van dit beroep. Daardoor verbeterde de kwaliteit van het werk van de vroedvrouwen en werd het bevallen veel veiliger voor moeder en kind.
Rond 1700 was het huis aan de Bloemgracht een soort museum. Hij had 1.300 flessen opgesteld met preparaten, 15 kabinetten met dieren in 1.600 flessen, 1.000 dozen met vlinders, sprinkhanen, kevers en zeegewassen en in 180 flessen zaten zeldzame vogels. Maar vooral zijn verzameling geconserveerde baby’s was beroemd. Ruysch prepareerde ongeveer 1.000 lijken en lichaamsdelen, ondanks zijn angst daarbij een ziekte op te lopen. Zijn grote geheim, het perfecte conserveringsmiddel, verborg hij zorgvuldig. Omdat zijn conserveringsmiddel zo goed werkte, waren zijn preparaten van een lugubere schoonheid. De baby’s zagen eruit alsof zij sliepen. De huiver die dit opriep droeg bij aan zijn roem.

In 1685 werd Ruysch ook benoemd tot professor plantkunde aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de huidige Universiteit van Amsterdam. Hij gaf les aan chirurgijns en apothekers en hun leerlingen. Het is op zijn zachtst gezegd vreemd dat het hem niet lukte zijn collectie aan de stad Amsterdam of de Republiek der Nederlanden na te laten. Er was geen belangstelling voor. Dat was wel anders met de Russische tsaar Peter de Grote (1672-1725), die Amsterdam bezocht en in 1698 door burgemeester en scheepsbouwer Nicolaes Witsen aan Frederik Ruysch werd voorgesteld. Peter de Grote wilde Rusland moderniseren en kocht daarom de collectie van Ruysch. De collectie was prachtig en spectaculair en is nu nog te zien in de Kunstkamera in Sint Petersburg. Die levensechte preparaten inspireerden ook vele Europese schrijvers, zoals de Italiaan Leopardi (1798-1832), die een denkbeeldig gesprek tussen Ruysch en zijn doden beschreef: ‘Ruysch vraagt zijn doden wat ze vlak voor hun sterven voelden. Ze vertellen hem dat sterven is als in slaap vallen. Het bewustzijn dooft en dat is helemaal niet pijnlijk. Ze verklaren dat de dood, het lot van al het leven, hun vrede bracht. Het leven is nu een herinnering, en hoewel ze niet blij zijn, hebben ze geen zorgen en angsten.’

Joost Ruben Ritman (1941) is samen met zijn broers Teun en Job in dit huis opgegroeid. Hun ouders waren in 1936 de ‘Chemische Industrie De Ster’ begonnen, een productiebedrijf van boenwas en vloeibare zeep. De broers hebben het bedrijf in 1964 overgenomen. Vanaf dat moment groeide het uit tot een miljoenenbedrijf toen het zich ging toeleggen op de productie van het plastic weggooibestek dat overal ter wereld in vliegtuigen wordt gebruikt. Met een aandeel van 35% van de wereldmarkt werd het markleider in die branche. Al in 1957 was Joost begonnen met het kopen van hermetische literatuur. Joost is lid van het Lectorium Rosicrucianum, een door J.van Ryckenborgh in 1924 opgerichte rozenkruiserorganisatie, en had al vroeg grote belangstelling voor het westerse esoterische gedachtegoed ontwikkeld. Hieruit zal de Bibliotheca Philosophica Hermetica ontstaan, een collectie die zich steeds verder uitbreidde, mede door de ruime financiële middelen waarover hij beschikte als directeur van Chemische Industrie De Ster. Joost Ritman zal later op Bloemgracht 19 zijn intrek nemen.

Meer lezen:
Bibliotheca Philosophica Hermetica

Voor het laatst bewerkt: