Keizersgracht 123
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.
Gebouw: Huis met de Hoofden
Bouwjaar: 1622
Architect: Hendrick de Keyser, voltooid door Pieter de Keyser
Stijl: renaissance
Opdrachtgever: Nicolaas Sohier
Bewoners:
1622
Nicolaas Sohier. Sohier was kousenhandelaar, kunstliefhebber en één van de rijkste inwoners van de stad. Werken van Rubens hingen aan de muren van zijn nieuwe woon- en werkhuis. Kort nadat Sohier in het huis was getrokken stierven zijn vrouw en twee dochters.
1634
Wapenhandelaar Louis de Geer (1587-1652) koopt het huis. Louis de Geer is getrouwd met Adrienne Gérard en bezit koper- en ijzermijnen in Zweden. Hij was zeer succesvol en trad op als adviseur en geldschieter van de Zweedse koning Gustaaf Adolf. Een buste van de koning boven het zandstenen poortje in de centrale hal van het Huis met de Hoofden herinnert aan de hechte band.
Hij laat de zes borstbeelden aan de gevel aanbrengen die van links naar rechts de volgende goden voorstellen:
Apollo met laurierkrans (kunsten), Ceres met rijpe korenaren (landbouw), Mercurius met gevleugelde helm (handel), Minerva (wijsheid), Bacchus met druiventrossen (wijn) en Diana met halve maan (jacht).
Mercurius en Minerva, links en rechts van de deur, staan voor mercator sapiens (de wijze koopman) zoals De Geer graag naar buiten treedt. Voor hem was geld een middel om sociale en maatschappelijke veranderingen mogelijk te maken.
De Geer bepaalt in zijn testament dat het huis in de familie moet blijven. Het vormt in deze periode een gastvrij ontmoetingspunt van vrijdenkers, die in het tolerante Amsterdam een veilige haven vinden. Het huis wordt door vier opvolgende generaties De Geer bewoond. Van 1656 tot 1670 woont Jan Amos Komensky (Comenius) hier op uitnodiging van Laurens de Geer.
De familie De Geer onderhield een bijzondere relatie met de Tsjechische geleerde Comenius (1592-1670). Louis de Geer zorgde ervoor dat Comenius een aanstelling kreeg om het Zweedse onderwijssysteem te hervormen.
Ironisch is, dat een familie van wapenhandelaren zich opwierp als mecenas van een geleerde die vrede predikte en wapens liefst zag omgesmolten tot klokken of muziekinstrumenten. Comenius is bijgezet in het familiegraf van zijn beschermheer, Laurens de Geer, in Naarden.
Door vererving komt het pand in handen van een Zweedse achterneef Louis de Geer, heer van Finspong. Hij zal er nooit wonen en diens zoon verkoopt het huis in 1779.
1811
Kunsthandel De Roos vestigt zich in het pand.
1865
De gemeente Amsterdam wordt eigenaar en in het gebouw een hbs gevestigd, na 1869 wordt dat de Openbare Handelsschool, nadien verhuist naar Raamplein 1.
1909
Conservatorium van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, de voorganger van het Conservatorium van Amsterdam.
1931
Bonthandel Heerfur werd gedreven door Aron Heertje (1903-ca.1983) die in 1962 trouwt met Erna Kreijmborg (1925-2008).
1983
Bureau Monumenten en Archeologie. Deze dienst verhuist in 2005 naar gebouw De Bazel, voorheen het kantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in de Vijzelstraat.
2006
Joost Ritman, zakenman en kunstverzamelaar. Hij zal in het pand congressen, tentoonstellingen en andere culturele en educatieve ontmoetingen organiseren. Ook zal hij een deel van de Bibliotheca Philosophica Hermetica, gevestigd in de Bloemstraat, overbrengen naar dit pand. De Bibliotheca Philosophica Hermetica is een schatkamer van en kenniscentrum voor het Westerse tegendraadse en vrije denken en vertelt het mystieke en vaak onbekende verhaal van deze spirituele en filosofische traditie. Daarmee is de cirkel rond en zijn we terug bij het ideaal van Louis de Geer.
Het huis is in 1622 gebouwd in opdracht van Nicolaas Sohier. Hij had twee extra brede kavels aangekocht en ook nog een stuk erf van achterliggende huizen aan de Herengracht zodat de tuin extra diep kon worden. Het pand is één van de drie nog bestaande voorbeelden van een vroeg-17e-eeuws huis met zijhuis (voorloper van het dubbele huis). De andere twee zijn De Dolphijn (Singel 140-142) en het Huis Bartolotti (Herengracht 170-172).
De trapgevel is bevestigd aan een insnijdend dak aan het dwarsdak van de eerste beuk van het huis (waar een tweede beuk, het zijhuis, achter ligt).
De renaissancegevel wordt toegeschreven aan stadsarchitect Hendrick de Keyser, maar is waarschijnlijk uitgevoerd en voltooid door zijn zoon Pieter de Keyser, Hendrick de Keyser was in 1621 overleden.
De gevel is rijk versierd met banden, blokjes, klauwstukken, vazen, obelisken, leeuwenmaskers, zuiltjes en een gebroken segmentvormig fronton. Ook een gevelsteen met het jaar 1622 is aanwezig. De muurdammen van de hoofdverdieping zijn uitgevoerd als brede dorische pilasters. Daarboven bevinden zich dubbele pilasters. Een balustrade aan beide zijden van de trapgevel onttrekt een deel van het dak aan het zicht, waardoor het huis hoger lijkt dan het werkelijk is.
De ingangspartij bestaat uit een lage dubbele stoep en een poortje. De stoep heeft nog de 17e-eeuwse balusters. Rechts van het huis staat een poortje, waarachter een gang naar een koetshuis leidde. Boven het poortje is een kamer voor de koetsier gebouwd.
Het dubbele huis heeft aan de achterzijde twee trapgevels in traditionele architectuur, waarvan de rechtergevel in 1954 gereconstrueerd is. Opvallend is het verschil tussen de voor- en achtergevels: de voorgevel is een rijk uitgevoerde trapgevel in de Amsterdamse renaissance in de trant van Hendrick de Keyser, terwijl de gelijktijdig gebouwde achtergevel, een dubbeletrapgevel, in de sobere Amsterdamse renaissance is uitgevoerd.
In 1907 wordt het gebouw gerestaureerd. Hierbij worden aanbouwtjes uit 1870 in de keurtuin gesloopt, de dubbele achtergevel gerestaureerd en een originele schouw teruggeplaatst die destijds in het Stedelijk Museum werd bewaard.
Een schildje aan de gevel herinnert aan het verblijf van Comenius.
Griekse goden of een roversbende
De bewoners van het huis waren op zekere avond uitgegaan en moederziel alleen zat Elsje het dienstmeisje in de grote keuken te breien. Plotseling wordt zij opgeschrikt door een ongewoon geluid dat van de grachtzijde komt. Het is echter een moedig meisje en met een brandende kaars in de hand gaat zij naar de voorzijde van het huis om te zien wat er aan de hand is.
Het geluid blijkt uit de kelder te komen. Onverschrokken daalt zij de keldertrap af en ziet daar dat men bezig is een klein venstertje open te breken. Haar kaars waait uit, maar ook in het donker weet zij de bijl te vinden, waarmede zij zich bij het raampje opstelt. Elsje hoort gebrom van zware mannenstemmen en dan wringt zich een woest mannenhoofd naar binnen.
In het flauwe maanlicht ziet de rover vaag de gestalte der dienstmaagd, hij schrikt en wil zich reeds terugtrekken, maar de slimme Elsje fluistert hem toe "stil ik weet al het goud en zilver te vinden, ik zal jullie helpen maar ik moet ook mijn deel hebben." De bandiet blij met deze onverwachte hulp wringt zich verder door de nauwe opening, maar voor hij halverwege is heeft de wakkere Els hem met een fikse houw het hoofd van de romp gescheiden!
Ze sleept het lichaam naar binnen en gooit het terzijde.
Met de volgende dief handelt zij op gelijke wijze en zo vergaat het op één na met de hele roverstroep.
Toen het karweitje afgelopen was en ze de rommel een beetje opgeruimd had, ging ze weer naar de keuken. In afwachting van de thuiskomst van Mijnheer en Mevrouw breide zij vervolgens rustig verder aan haar kous.
Een uurtje later kwamen de bewoners thuis. Elsje opende de deur en ging weer naar de keuken.
Mevrouw wenste een kwartiertje later ter ruste te gaan en ontbood het dienstmeisje; "Was er nog iets bijzonders" vroeg ze "Ja, dat was er toch wel" meende Elsje. Of Mijnheer en Mevrouw maar eens even in de kelder wilden gaan kijken.
Verwonderd volgden zij het meisje naar de kelder en zij verstijfden van schrik toen zij rechts en links in het flakkerende kaarslicht de bloedige rompen en hoofden ontwaarden van zes mannen.
Nadat ze wat bijgekomen waren vertelde het meisje hoe de zaak zich had toegedragen, waarna Mijnheer opmerkte dat zij zich moedig en trouw had gedragen en dat hij en zijn vrouw haar zeer dankbaar waren.
De heer gaf Elsje als beloning een prachtige diamanten ring en liet de hoofden in steen nabeitelen en aan het huis bevestigen, opdat iedereen die aan het huis voorbij ging aan het heldhaftige gedrag van het meisje herinnerd zou worden.
Hiermee lijkt het verhaal afgelopen maar niets is minder waar.
Elsje leefde nu gelukkig, geëerd en geacht door de familie, tot er een nieuwe knecht in huis kwam.
De knecht, Piet geheten, was er vooral op uit bij Elsje in de gunst te komen. Dit gelukte zodat hij haar een aanzoek deed en het jawoord kreeg. Daarop stelde hij haar voor eens een dagje vrijaf te vragen zodat hij haar met zijn oude lui in kennis kon brengen. Elsje stemde toe. De toestemming der familie werd gevraagd en er werd besloten dat het paar een week vrijaf zou krijgen.
In een sjees ging Elsje met haar vrijer op weg. Na geruime tijd te hebben gereden, vroeg Elsje: "Zijn wij er nog niet?"
Met het antwoord: "Nog niet, nog niet!" maakte een angstig voorgevoel zich van haar meester. Eindelijk klonk het: "Verlang je zo naar je dood?" Omdat Elsje hem in de grootste verbazing aanstaarde, vervolgde hij: "Je hebt mijn broers vermoord en nu ben jij aan de beurt."
Zij begreep dadelijk dat hij die rover was die ontkomen was. Zij reden bliksemsnel. Eindelijk zagen zij een groot huis, het rovershol waar zijn ouders woonden. Zij hielden een herberg en de arme reizigers, die voorbij kwamen, of er overnachtten, werden, wanneer zij geld of veel goed bij zich hadden, lafhartig vermoord.
Elsje werd van de wagen getild en overgeleverd aan Piets ouders, die haar dadelijk stevig vastbonden en in een kamer opsloten. Hier had zij ruimschoots de tijd na te denken. Haar tegenwoordigheid van geest had haar echter geen ogenblik verlaten, en zij had, terwijl zij gebonden werd, gezorgd dat de koorden haar niet al te stijf zaten.
Gelukkig had zij haar diamanten ring nooit aan Piet laten zien, en de steen die dag naar binnen gedraaid, zodat die aan zijn opmerkzaamheid ontsnapt was.
Terwijl zij zat te bedenken hoe te ontvluchten, hoorde zij hen beraadslagen of zij die avond, dan wel de volgende morgen vermoord zou worden. Haar Piet was er voor om haar diezelfde avond te vermoorden, daar hij haar vastberaden karakter en moed kende. Zijn ouders waren echter voor de volgende avond en zo ook de overige rovers, daar er nog verschillende karweitjes op te knappen waren.
Het gegil van de slachtoffers, sterkte Elsje in haar voornemen al het mogelijke te ondernemen om te vluchten. Zij slaagde er in om de koorden met de diamant stuk te snijden. Langs de aan elkaar geknoopte koorden liet zij zich door een raam naar beneden zakken.
Eenmaal in vrijheid liep zij door totdat zij aan een boerderij kwam. Dat was juist een boer, die wel eens kaas en boter aan de familie leverde en nu smeekte zij hem haar te verbergen en zo spoedig mogelijk naar Amsterdam te brengen.
De boer, die juist een kolossale hooiwagen had klaar gemaakt en er de volgende dag mee naar Amsterdam ging, besloot Elsje hierin te verbergen. Zij verzocht hem haar vlak vooraan een plaats te geven in het breedst van de wagen achter zijn rug.
De volgende morgen vroeg gingen zij op weg. Al spoedig kwamen enkele als boeren verklede rovers te voorschijn en eisten dat de boer stil zou houden en het hooi afladen. De boer weigerde dat, maar stond toe dat zij met een grote hooivork driemaal in het hooi staken; wanneer hij werkelijk iemand verborg, zouden zij bloed aan de punten moeten zien, en dan zou hij afladen. Het voorstel van de boer dreef hun vermoeden op de vlucht. Toch staken zij driemaal met kracht in de volgeladen wagen, maar aan geen enkel puntje bespeurden zij bloed. Zij lieten de boer gaan, die doorreed en tegen de avond in Amsterdam aankwam.
Elsje werd spoedig verlost en kwam terug bij de familie, die haar hoogst verbaasd ontving en liefdevol verpleegde. In het begin kon zij door de doorstane angst niet spreken, maar al spoedig verhaalde zij alles.
Toen de week om was, kwam de knecht heel kalmpjes terug en vertelde dat Elsje ziek was geworden en daarom nog wat bij zijn ouders zou blijven. Men deed alsof met hem geloofde en bracht hem naar boven. Plotseling stond Elsje voor hem. Hij schrok wel, maar hield zich vrij goed, ook toen hij gevangen werd genomen en weggevoerd. Op aanwijzingen van Elsje werd het roversnest gevonden en uitgeroeid.
Bureau Monumentenzorg
In de tijd dat Bureau Monumentenzorg in het Huis met de Hoofden haar onderdak heeft zijn in de tuin losse bouwfragmenten opgesteld.
Inmiddels is een deel van deze fragmenten na een opknapbeurt elders in gebruik genomen.
Interieur
Het gebouw wordt tussen 2007 en 2014 gerenoveerd en waar nodig gerestaureerd ten behoeve van de Bibliotheca Philosophica Hermetica. Hiertoe wordt Architectenbureau J.van Stigt gevraagd mee te denken hoe het huis het (semi-)openbare karakter kan krijgen dat een bibliotheek nodig heeft.
Meer lezen:
Apollo
Bacchus
Ceres
Diana
Geer, Louis de: Keizersgracht 149; Kloveniersburgwal 29
Keyser, Hendrick de
Keyser, Pieter de
Mercurius
Minerva
Stigt, Architectenbureau J.van

Voor het laatst bewerkt:06-apr-2018