De bouw van een huis in de 18de eeuw
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

  • Inleiding
  • De verordening op het bouwen
  • De ambachtslieden
  • De bouwmaterialen
  • Het bouwproces
  • Afwerking
  • Indeling en aankleding
  • Sanitaire voorzieningen
  • Inleiding
    Het Amsterdamse architectuurbeeld wordt bepaald door enkele 17de-eeuwse, maar vooral 18de- en 19de-eeuwse gevels. Als voorbeeldhuis voor de reconstructie van de bouw van een 18de eeuws huis is hier Lange Leidsedwarsstraat 148 gebruikt, een pand dat samen met 150 in 1964 door de Vereniging Hendrik de Keyser werd gekocht. Het pandje op 148 was voorzien van drie woningen. Beneden was een kelderwoning, die een voorhuis en een binnenkamer met schouw, de zogenaamde binnenhaard, had. Hierboven, op de stoepverdieping, bestond de woning uit een voorhuis met daarin een zijkamer; achter was een binnenhaard met uitzicht op het binnenplaatsje. Bij deze woning behoorde ook de uitgebouwde keuken, die bovendien een slaapverdieping bezat, welke via een spiltrapje bereikbaar was. De bovenwoning was bereikbaar via een steile steektrap en bestond uit een zijkamer en een binnenhaard. De zolderverdieping onder de kap was door houten lattenwanden opgedeeld in berg- en droogruimten.
    Aan de bouw van een huis kwamen vele mensen te pas. Allereerst was daar de opdrachtgever of principaal die het initiatief tot het bouwen nam. Daartoe diende hij eerst een plan te laten maken door een 'architect/ontwerper'. De architect van dit huis is niet bekend, maar we mogen ervan uitgaan dat hij een bekwame meester-timmerman of meester-metselaar moet zijn geweest, die op grond van een gedegen vakkennis en ervaring een ontwerp op papier zette. Ontwerptekeningen zijn helaas in zeer beperkte mate bewaard gebleven en voor zover wel aanwezig, betreft het veelal ontwerpen van grote gebouwen. Alvorens een werk te kunnen aanbesteden moest een bestek worden opgesteld, waarin het totale werk, de materialen en de voorwaarden nauwkeurig werden beschreven. De eis van schriftelijke vastlegging kwam al voor in de Bouwverordening van 1565. Dit hield verband met eventuele arbitrage wanneer niet overeenkomstig het bestek was gebouwd en er problemen rezen. Metselaars en timmerlieden die het werk aannamen waren verplicht, het zelf uit te voeren en mochten het niet aan een ander uitbesteden. Mocht dit toch gebeuren, dan stond hierop een boete. Voorts mocht men tijdens de bouw het werk niet verlaten om ander werk ter hand te nemen. Dit was alleen toegestaan, wanneer er op het werk gebrek aan bouwmateriaal bestond.

  • Naar begin
  • De verordening op het bouwen
    Hoewel de eerste verordening op het bouwen uit 1531 dateert, zou het die van 1565 zijn die gedurende twee en een halve eeuw, zij het met tussentijdse wijzigingen, het bouwen zou reguleren. Op 19 december 1565 werd een nieuwe ordonnantie op het 'Timmeren en Roijen', zoals de Bouwverordening toen heette, van de pui van het stadhuis afgelezen. Behalve op het timmeren en rooien behandelde deze ordonnantie tevens ' 't beleggen van bruggen, straten, sluysen ende andere openbare plaetsen'. Het eerste artikel ging over de bepaling dat de fundamenten van alle 'timmeragien' door zogenoemde rooimeesters moesten worden gerooid. De rooimeesters waren van stadswege aangesteld, ze hadden een controlerende functie, namelijk het naleven van de verordeningen en ze zijn het best te vergelijken met de ambtenaren van het tegenwoordige Bouw- en Woningtoezicht. Zij gaven exact aan, waar de grenzen van het huis lagen. Na de bepalingen over het grondwerk komt in de ordonnantie het aannemen van werken aan de orde, waaronder wordt gesteld, dat het bestek en de voorwaarden schriftelijk moeten worden opgesteld. Belangrijk was de bepaling dat muren niet minder dan een 'Goutsche steen' dik gemetseld mochten worden. De rechten der buren werden ook bij verordening geregeld. Het onderhoud van straten door aanwonenden was eveneens onderhevig aan de verordening. Na artikelen over 'openbare plaetsen' eindigde de verordening met boetebepalingen. Het was een verordening die de toekomstige bouwer veel vrijheid bood; bepalingen ten aanzien van de inrichting der bouwwerken ontbraken geheel. In 1658 werd een aanvang gemaakt met de laatste vergroting die de stad haar karakteristieke halvemaanvorm zou geven. Ook de Bouwverordening werd weer aangepast aan deze nieuwe ontwikkeling. Zo werd de uit 1650 daterende eis, dat de gemeenschappelijke muren anderhalf steen dik moesten zijn uitgebreid met de bepaling dat hiervoor 'Leckse, Leytse, Vechtse of Rijnse steenen' gebruikt dienden te worden. In 1664 kwam de wijziging dat alle muren en gevels dienden te worden gebouwd van 'Leydse, Vechtse of Woerdse steen'. De stedelijke overheid had eveneens bemoeienis met de bouwmaterialen: vanaf de aanvoer van bakstenen tot aan de kwaliteitscontrole van de kalk. Keurmeesters werden hiertoe aangesteld en van stadswege betaald. In het begin van de l8de eeuw werd een belangrijke ordonnantie uitgevaardigd, die voornamelijk betrekking had op het graaf- en heiwerk. In 1732 werd nogmaals gesteld, dat de rooimeesters bevoegd waren 'alle de huyze, en voorgeevels te inspecteeren en te onderzoeken of ook eenig gevaar te wagten staat'. Ook tegen brandgevaar waren enkele maatregelen voorgeschreven.

  • Naar begin
  • De ambachtslieden

  • Inleiding
  • Metselaar
  • Timmerman
  • Loodgieter
  • Steenhouwer
  • Naar begin
  • Inleiding
    Nadat het ontwerp was gemaakt, werd in opdracht van de bouwheer het bestek geschreven. Nauwkeurig stond daarin omschreven, hoe en met welke materialen de bouw moest worden uitgevoerd. Het werk werd aangenomen door de aannemer, die zelf vaak meester-timmerman of meester-metselaar was. De aannemer zorgde voor de aan te trekken ambachtslieden. Deze ambachtslieden waren allereerst: de timmerman, de metselaar eventueel met handlangers en opperman en de steenhouwer. In de afwerkingsfase van het bouwproces verschenen ook nog: de schilder, de loodgieter, de stukadoor, de glazenier en de slotenmaker. Deze ambachten waren van oudsher in gilden georganiseerd, die in de Franse tijd werden opgeheven. De gilden bewerkstelligden twee zaken: zij beschermden de gildebroeders tegen ongewenste concurrentie en de opdrachtgever werd gevrijwaard van ongewenste malafide praktijken. De aanbestedingen vonden steeds per ambacht gescheiden plaats, dus als timmerwerk, metselwerk, steenhouwerswerk, loodwerk enzovoort. Zelfs binnen een gilde, waarin meestal een aantal verschillende ambachten was verenigd, werd er nauwlettend op toegezien dat men geen werkzaamheden verrichtte, die tot een ander ambacht behoorden. Zo was het 'huistimmerlieden' niet toegestaan, meubelmakerswerk te maken en mochten de 'schrijnwerkers' niet het werk van de 'stoeldraaier' doen. In de gilden bestond ook een leerlingstelsel. Elke meester leidde een aantal leerlingen op tot gezel. Daarbij kwam het vaak tot misstanden. De gildebroeders zagen in de leerjongens goedkope arbeidskrachten. De opleiding werd dan ook verwaarloosd. De stedelijke overheid trachtte voortdurend aan deze wantoestanden een eind te maken. Na het met goed gevolg afleggen van de gildeproef verwierf de gezel dan de meester-titel.

    Metselaar
    In Amsterdam waren de metselaars, steenhouwers, loodgieters, leidekkers en de lodenpompenmakers verenigd in het Sint Barbaragilde. Hun gereedschappen zijn afgebeeld boven het poortje van de Sint Anthoniespoort, beter bekend als de Waag op de Nieuwmarkt, dat toegang gaf tot hun gildekamer. De metselaar is de man die al datgene uitvoert wat met metselsteen heeft te maken, soms stelde hij ook de natuursteenwerken, zoals bij voorbeeld een stoep. Nadat het metselwerk was beëindigd, beraapte hij ruw de muren. De opperman droeg de materialen voor hem aan, zoals stenen en specie. Voor de mortelbereiding beschikte de opperman over z.g. 'kalkbouwers'. De troffel of truweel is het gereedschap waarmee de metselaar specie of mortel vlijt tijdens het opmetselen. Voor het al dan niet loodrecht ophalen van gevels en bouwmuren maakte hij gebruik van schietlood en waterpas. Het voegen, dat wil zeggen met behulp van een harde speciesoort de naden tussen de stenen waterdicht maken, geschiedde met een voegspijker.

    Timmerman
    Ook aan de timmerman was een belangrijke rol toebedeeld bij de bouw van een huis. Veel was afkomstig uit zijn werkplaats. Om een goed stuk werk te kunnen leveren was een goede stevige werkbank belangrijk. Minder bekend, maar even belangrijk was de zogenaamde strijkbank waarop planken en delen aan de kanten bewerkt konden worden; bijvoorbeeld het schaven met de veerploeg van groeven voor de verbindingsconstructie met losse eiken latjes, de z.g. veren. Later werd deze constructie uitgevoerd als messing en groef. De veerploeg werd ook wel 'varken' genoemd. Zagen in allerlei soorten had hij dagelijks nodig. Voor het zwaardere zaagwerk dienden de schulp- en spanzaag, in beide gevallen werktuigen waarin het zaagblad was gespannen. De handzaag is ook nu nog een bekende verschijning, evenals het kleine schrobzaagje; opmerkelijk zijn de afwijkende handvatten. Konden deze zagen in principe door één man worden bediend, de grote trekzaag was een stuk gereedschap dat door twee mannen moest worden gehanteerd. Onder de bijlen was vooral de dissel van groot nut voor het vlakken van balken en delen. Hamers en nijptang vormden ook toen onmisbare instrumenten. Beitels en gutsen in grote verscheidenheid had de timmerman om een goed stuk werk te kunnen leveren. Bij de boren was er sprake van twee typen, namelijk de schroefboor en de lepelboor. Beide in de uitvoering van de hand- of fretboor, voor kleine gaten, de booromslag voor gewone gaten en de avegaar voor het boren van grote gaten. Voor het maken van allerhande profielen beschikte hij over een groot aantal schaven,maar ook voor het vlakke werk was een schaaf onmisbaar. De gereedschappen waren vaak producten van een plaatselijke smid. Pas na 1850 verschijnen de eerste seriematig vervaardigde gereedschappen.

    Loodgieter
    De loodgieter had vooral een taak bij de afwerking van het huis. Afwateringen werden met lood belegd, gootstenen, regenbakken, pompen enzovoort werden gezet en van behoorlijke pijpen, trechters en roosters voorzien. Belangrijk was het werk dat hij voor de afvoer van het regenwater verrichtte, zoals dakgoten, regenpijpen en het afdekken van nokken. In zijn werkplaats was de werkbank met de bankschroef een belangrijk gegeven. Van de vele gereedschappen noemen wij de tangen, houten en ijzeren hamers, raspen, vijlen, boren en soldeerkolven. Verder twee ijzeren potten waarvan de grootste diende voor het opstoken van vuur en de andere om het lood te smelten. Om een hoge temperatuur te krijgen was een handblaasbalg nodig.

    Steenhouwer
    Een zwaar en ongezond ambacht was dat van steenhouwer die het natuursteen bewerkte. In de groeve werden grote blokken uit het gesteente gehouwen en ruw bekapt, waarna transport volgde. De bewerking geschiedde zoveel mogelijk in de open lucht, zo nodig onder een afdak, wanneer het regende. Dit was nodig omdat bij het behouwen van de steen veel stof vrijkwam. Het bewerken van de steen ging als volgt. De grote ruw behakte blokken werden op maat gezaagd of gekloofd. Met de puntbeitel werd de oppervlakte nagenoeg vlak gehakt. Met een brede beitel werd dit 'vlakken' voltooid. De laatste bewerking met de brede beitel was het 'frijnen', waarbij kleine ruggetjes in kaarsrechte lijnen op de steen werden aangebracht. De steen kon ook worden geslepen, zodat een glad oppervlak werd verkregen. Bij het hakken van de zachtere soorten gebruikt men houten hamers en voor de hardere soorten ijzeren hamers, de 'vuisten'. De houten hamer is een belangrijk werktuig; allerhande soorten werden gebruikt al naar gelang de hardheid van de steensoort.

  • Naar 'De ambachtslieden'
  • Naar begin
  • De bouwmaterialen

  • Baksteen
  • Hout
  • Natuursteen
  • Naar begin
  • Baksteen
    Bakstenen worden vervaardigd uit klei, een verwerkingsprodukt dat veel in ons land voorkomt. Het is dan ook vanzelfsprekend dat het steenbakkersbedrijf daar voorkomt, waar geschikte klei als grondstof voorhanden is, met name in het gebied van de grote rivieren. De klei die met een houten schep gestoken werd, was niet direct voor de steenbakkerij geschikt. Daartoe diende het nog enige bewerkingen te ondergaan, zoals het 'winteren' en 'rotten'. Door inwerking van vorst, dooi en regen verdwenen ongerechtigdheden uit de klei en werd de structuur verbeterd. Daarna volgde de bewerking van het kneden, dat met handen en voeten geschiedde om de homogeniteit te bevorderen. Pas in de l9de eeuw deden de machines hun intrede. Het vormen van de klei tot baksteen werd met de hand gedaan. Daartoe werd de kleisubstantie krachtig in de vormbak geslagen,waarna met een plank of draad de overtollige klei werd weggestreken. Om de steen uit de vorm te kunnen lossen was die tevoren nat gemaakt of met droog zand bestrooid. Na het vormen werd de steen te drogen gelegd, waarna ze werden opgetast. De natuurlijke droging hangt uiteraard af van de weersgesteldheid, maar duurde gemiddeld 2 tot 3 weken. Hierna volgde het bakken, waarbij de stenen hun specifieke kleuren zouden krijgen al naar gelang de samenstelling van de klei en de wijze waarop het bakken geschiedde. De meest simpele oven was de veldoven, die uit de te bakken stenen zelf werd opgebouwd met uitsparing van de nodige stookkanalen. Hierover werden afdekkingslagen aangebracht. Een verdere ontwikkeling was dat men de bakruimte ging omsluiten door vier zware muren die al dan niet door een pannendak konden worden afgedekt. In deze muren waren stookgaten uitgespaard. Door een zogenaamd 'hondsgat' kon de steen met paard en wagen worden ingereden. Bij de stapeling van de te bakken stenen werd rekening gehouden met stookkanalen die een optimaal bakproces moesten bevorderen. Vanouds werd in ons land turf als brandstof voor ovens gebruikt. Men begon aan beide zijden te stoken om de stenen eerst te doen uitwasemen. Als het eigenlijke bakken begon, stookte men de oven beurtelings aan één zijde. De tijd welke voor het stoken werd aangehouden, varieerde van 3 tot 7 weken. Na het bakken werden de stenen gesorteerd. Dit was nodig, omdat de stenen niet alle even dicht bij het vuur waren geplaatst, waardoor geen gelijkmatige doorbakkenheid kon worden verkregen. Al naar gelang de herkomst kregen de metselstenen hun namen: Waalsteen. Rijnsteen, Vechtsteen, Friesche steen en daarmee een veelheid aan formaten. Van een vergaande standaardisatie was nog geen sprake. Deze bakstenen waren sterk gebonden aan plaatselijke verordeningen. Aanvankelijk lette men alleen op de kwaliteit van de gebakken steen, maar vanaf 1645 stelden de Staten van Holland minimum maten vast. In 1720 werd de grootte van de baksteen nog nauwkeuriger omschreven. Na 3l december 1720 moest de lengte negen duim (23 cm), de breedte vier en half duim (11,5 cm) en de dikte één vijf zesde duim (4,7 cm) bedragen, 'na welkers dikte de ses steenen tesamen in de dikte een voet moeten uytmaken', (11 duim = 1 voet = 28,3cm). Voor de gewone stenen, afkomstig uit de Vecht- en de Rijnstreek, werd vastgesteld dat ze respectievelijk 7,25 duim (18,3 cm), 3,625 duim (9,2 cm) en 1,57 duim (4 cm) moesten meten. Tevens werd uitdrukkelijk bepaald dat alle onderheide muren moesten worden opgebouwd uit: 'Vechtse, Lekse, Woerdse, Leydse, Rijnse, Gorcomse of Waelse steenen'. Steeds was er ook sprake van mopstenen of moppen die dikker waren dan de overige. In 1747 werden de bepalingen nogmaals herzien en de maatverhoudingen voor mopstenen alsook voor gewone bakstenen iets kleiner genomen. Voorts werd er op bakstenen, dakpannen en tegels belasting geheven: de 'impost op Grove Waren'. Hiertoe werden 'steentellers' of 'steenzetters' aangesteld.

    Hout
    Tot omstreeks het begin van de l7de eeuw werd in de bouw vooral gebruik gemaakt van eikenhout. Na die tijd komt het grenenhout in zwang. Het hier gebruikte hout werd grotendeels ingevoerd, omdat in ons land veel te weinig eiken konden worden gekapt. Het meeste eikenhout kwam in vlotten langs de Rijn en werd in Amsterdam, evenals in Deventer en Dordrecht gestapeld en verhandeld. Het eikenhout was bijzonder duurzaam en bestand tegen afwisselende vochtigheid en droogte, bleef zeer lang goed onder water en liet zich gemakkelijk bewerken. Het meest toegepast werd het 'Rijnsche en Wezelsche' eikenhout. Wat de benaming van naaldhoutsoorten betreft is het in Nederland een verwarrende zaak. Het dennenhout is afkomstig van de boom, die in Duitsland Tanne wordt genoemd, de zilverspar (Abies alba). De boom die in Nederland de grove den wordt genoemd, heet in Scandinavië 'furuen'. De fijnspar noemt men daar 'granen'. Men ziet hier de herkomst van onze termen vuren en grenen. Maar in Nederland heet het hout, afkomstig van de grove den, grenen en dat van de fijnspar vuren. Het blijkt dat enige tijd na 1600 de Nederlanders de beide benamingen hebben verwisseld. Omdat voor dennen een Duitse naam is gebruikt en voor vuren en grenen Scandinavische namen zal het merendeel van de dennen uit Midden-Duitsland zijn aangevoerd en de beide andere soorten hoofdzakelijk uit Noorwegen en Zweden. Ook uit de Baltische staten werd veel eerste klas grenenhout ingevoerd (Riga en Nerva). Veelal werd de naam van het hout aangeduid met de naam van de plaats van herkomst of uitvoerhaven. De op het Baltische hout volgende soorten waren het 'Koperwijksche', naar de Westnoorse uitvoerhaven Kopervik, 'Memelsche en Dantzigsche greenenhout'. Het grenenhout benaderde de duurzaamheid van het eiken, het is echter lichter en veerkrachtiger. Het werd gebruikt voor balken, kappen, kozijnen, deuren, ramen, trappen, kroonlijsten enzovoort. Het dennenhout werd vooral gebruikt voor heipalen en kapwerk en kon 'wanneer het door taaije verwen goed gedekt wordt' met vrucht worden gebezigd voor binnenarchitraven langs deuren en ramen, lambrizeringen en dergelijke. Inlandse dennen werden vooral toegepast als daksporen voor loodsen en schuren, steigerhout en heipalen. Het vurenhout werd vooral gebruikt voor binnenbetimmeringen, aangezien het niet bestand is tegen afwisselende weersinvloeden. Het benodigde hout werd door de ambachtslieden aan de molens gekocht, die aan de westzijde buiten de stadsgracht waren gelegen. Amsterdam had vanouds een belangrijke houtzaagnijverheid: in de 18de eeuw om en nabij de 80 molens. Deze industrie werd door stedelijke keuren beschermd tegen invoer van buitenaf, met name vanuit de Zaanstreek. Ook het in 1695 opgerichte houtzaagmolenaarsgilde trachtte zoveel mogelijk de vreemde concurrentie te weren. Bovenkruiers en de voor de houtzaagnijverheid zo karakteristieke paltrokmolen zouden tot ver in de 19de eeuw het gezicht van Amsterdam buiten de Singel bepalen. De komst van de stoommachine en de voortschrijdende stadsuitbreiding maakten hieraan een eind. Een molenromp langs de Kostverlorenvaart is het enige restant van een paltrokmolen in Amsterdam. De paltrokmolen dateerde uit het eind van de l6de eeuw en betekende de introductie van door windkracht voortbewogen zaagramen; een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de handzagerij. Bij de paltrokmolens werden met een hijsinstallatie de te zagen bomen naar een 3 meter boven de grond liggende zaagvloer geleid. Deze vloer werd door de voor de paltrok zo kenmerkende 'luiven' tegen weersinvloeden beschermd. Vanouds waren er twee typen paltrokken: de balkenzagers en de wagenschotzagers. De eerste zaagden voornamelijk vuren en grenen balken tot ribben en delen; de tweede zaagde eiken stammen tot dunne bladen, welke voor de beschieting van woningen werden gebruikt, het zogenoemde wagenschot.

    Natuursteen
    Natuursteen zijn globaal in twee groepen te verdelen: de kalksteen en de zandsteen. Zandsteen bestaat hoofdzakelijk uit kwartskorrels die aaneen gekit zijn door een bindmiddel, wat van invloed is op de eigenschappen en de kleur van het gesteente. Een bekende groep wordt gevormd door de zogenaamde leemzandstenen: als de Bentheimer, Gildehauser, Oberkirchener. Namen naar de plaatsen, waar de steen wordt gedolven. Veel geveltoppen in Amsterdam hebben versieringen die van Bentheimer zandsteen zijn gemaakt. In ons land werd de zandsteen reeds vanaf de 11de eeuw en l2de eeuw toegepast. Vanuit de groeve rond Bentheim werd het materiaal, na in de groeve reeds ruw bewerkt te zijn, over water (Overijsselse Vecht en Zuiderzee) naar onze streken getransporteerd. De steen is gemakkelijk te bewerken. Verder is hij uitermate weervast. Door de blauwzwarte verweringskleur ging men ertoe over, de steen nadat hij was gesteld, van een verflaag te voorzien: de 'Bentheimer', een zandsteenkleur.
    Onder de kalksteen is Naamse steen en de eveneens uit België afkomstige hardsteen van belang. In de hardsteen die min of meer zwart/blauw van kleur is, treffen we talrijke fossielen aan. De Naamse steen heeft geen fossielen en is donkerder. De steen wordt gebruikt voor het maken van stoepen, drempels, plinten en dergelijke. Andere namen voor hardsteen zijn Arduin en Escauzijnse steen. In bestekken komen we vaak de naam blauwsteen of blauwe steen tegen. De hardsteen is goed weerbestendig. In tegenstelling tot de zandsteen is deze steengoed polijstbaar. In het algemeen wordt de hardsteen, gezien zijn kleurbestendigheid, niet geschilderd.

  • Naar 'De bouwmaterialen'
  • Naar begin
  • Het bouwproces

  • Inleiding
  • Het funderen
  • Het metselen
  • Het timmeren
  • De kap
  • Metselen voor- en achtergevel
  • Naar begin
  • Inleiding
    Voordat men kon beginnen met de bouw van het huis werd aangegeven waar het huis moest komen, het zogenoemde 'uitzetten' van het huis. Hierbij werd gebruik gemaakt van bouwlatten, die op enige afstand van de op te trekken muren werden geplaatst. Hierop werd met verf de dikte van de muren en de aanleg van de funderingen aangegeven. Was het te bouwen huis reeds aan één of meerdere zijden ingesloten door gebouwen, dan konden de markeringen op de muren van de belendende percelen worden aangegeven. Vervolgens werden de sleuven van de funderingen gegraven, waarbij erop gelet moest worden dat de bovenkant van de houten fundering ongeveer 2 voet (57 cm) onder de laagst bekende grondwaterstand kwam te liggen.

    Het funderen
    Met het funderen van een bouwwerk verdelen we het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over een vaste ondergrond. De bovengrond van Amsterdam bestaat uit veen dat aan stenen huizen onvoldoende draagvermogen levert. Vaste ondergrond leveren de zandlagen die zich onder het veen bevinden. Door het inheien van houten palen kan dit draagvermogen worden benut. Het overbrengen van gewicht via houten palen is al heel oud. Reeds in de l3de eeuw werden voor de fundering van grote stenen gebouwen, zoals kerken en raadhuizen, kleine stammetjes van elzen- en berkenhout benut. Deze zogenaamde 'slieten' hadden een lengte van 1,5 tot 5 meter en werden dicht naast elkaar de grond ingeslagen. Hierdoor ontstond een grondverdichting. Mede door het vastzuigen van deze palen in de slappe veengrond verkreeg men een vlak dat een vrij groot gewicht kon dragen. Dit funderen op 'kleef' was verre van ideaal. Door het inklinken van de grond konden de palen plaatselijk naar beneden worden getrokken, waardoor ongelijke zettingen optraden, met als gevolg verzakkingen en scheuren in het metselwerk. In de 15de eeuw 'ontdekte' men de eerste zandlaag op circa 11 tot 12 m onder N.A.P. Op deze eerste zandlaag zijn vele monumenten gefundeerd. Het heien van de palen, in lengte variërend tussen de veertig en zestig voet (11,3 en l7 meter), geschiedde met mankracht. Men gebruikte de 'Hollandse Stelling', bestaande uit een driepoot, twee geleiders, een katrol en een heiblok. Het ophijsen van dit blok was een zwaar en eentonig karwei, waarvoor tientallen mannen nodig waren. Stond de paal op stuit, dat wil zeggen dat de paal voldoende weerstand ondervond om niet verder te worden ingeheid, dan riep de heibaas 'strijk en zet' als aankondiging voor de laatste klap. Daarop volgde de 'kalander', een laatste tocht van dertig snelle slagen van circa 2 meter valhoogte om de standvastigheid te controleren. De palen, in de l8de eeuw 'masten' en 'juffers' genoemd, waren van eiken- en dennenhout. Zij werden aangevoerd uit Midden-Duitsland en met behulp van paardekracht afgeleverd op de bouwplaats. Zeer zelden werd ook gebruik gemaakt van inlands dennenhout. De palen werden in koppels, twee aan twee, naast elkaar geslagen met een tussenruimte van tachtig cm. Over de palen in de lengterichting van de muur werden, na het afzagen van de paalkoppen tot eenzelfde niveau, zware funderingsplanken gelegd. De planken werden met houten of ijzeren nagels bevestigd aan de paalkoppen. Voor het inheien werden de palen aan de onderzijde, over een lengte van 30 tot 40 cm iets toegepunt. Om te voorkomen dat de paalkoppels na het inheien onder het gewicht van het gebouw zouden uitwijken, ging men er in de tweede helft van de 17de eeuw toe over dwarsbalkjes over de paalkoppen te leggen, de kespen. De palen werden door middel van nagels en later ook wel door pen en gatverbindingen aan de kespen verbonden en daarna opgesloten door het inslaan van wiggen. Om de kans op indrukken van de kespen door de paalkoppen zo gering mogelijk te maken, werden deze van een harde houtsoort gemaakt, bij voorkeur eiken. Over deze kespen werden dan de funderingsplanken, in het algemeen van grenenhout, gelegd. Behalve dat de kespen van een hardere houtsoort waren, moesten zij ook van voldoende lengte zijn om te voorkomen dat de paalkop als een wig de kesp in tweeën spleet. De funderingsplanken moesten voldoende over de verbrede voet van het metselwerk steken om te voorkomen dat het metselwerk van de planken schoof. Tussen de planken bevond zich een naad van 1 tot 2 cm om eventuele werkingen van het hout op te vangen. Omstreeks het midden van de 18de eeuw werd er een nieuw element geïntroduceerd in het funderingssysteem, namelijk het 'schuifhout'. Tussen de funderingsplanken en over de kespen kwam een rechtopstaand balkje, circa 8 cm breed en 15 à 20 cm hoog, dat in de lengterichting de paalkoppels aan elkaar verbond tot een vast geheel. Het schuifhout werd met lange spijkers aan de kespen bevestigd. Tevens diende dit constructie-element om te voorkomen, dat het metselwerk van de funderingsplanken afgleed. Daartoe werd het 1 tot 2 lagen ingelaten in de verbrede voet van het funderingsmetselwerk. Om een betere verbinding te verkrijgen werd het schuifhout op het eind van de l8de eeuw over de kespen uitkeept of geloefd. Onbekend is wanneer het schuifhout voor het eerst werd toegepast. Bij opgravingen aan de Overtoom werden zij aangetroffen in de fundering van de Franse Schouwburg die in 1752 werd gebouwd. Tot ver in de 20ste eeuw was deze constructie nog algemeen gebruikelijk bij de houten paalfundering. Om rotten en daarmee verzakkingen te voorkomen moeten de palen onder water blijven, als ze eenmaal zijn ingeheid. Daartoe moeten ze op een zodanige maat worden afgezaagd, dat zelfs bij de laagste grondwaterstand de constructie onder water blijft. Vaak werd hiermee de hand gelicht en niet alleen wegens gebrek aan ervaring. Het was nu eenmaal voordeliger de ingeheide palen niet onder de waterspiegel af te zagen, waardoor men hoger met het metselen van de funderingsmuren kon beginnen. Men bespaarde op het metselwerk met, zoals later bleek, catastrofale gevolgen voor het gebouw. Soms staken de palen 2 tot 3 voet (57 tot 85 cm) boven het grondwater uit. Een groot aantal huizen begon hierdoor al spoedig te verzakken ... doordien de fondamenten van deselve huysen te ondiep geleyt waren'. Ook het sjoemelen met het inslaan van te weinig palen als nodig waren schijnt nogal eens te zijn voorgekomen. Over de manier waarop men tijdelijk het grondwaterpeil verlaagde is weinig bekend. In het begin zal het zeker met emmers zijn weggeschept. Later kon men beschikken over pompen. Het principe zal gelijk zijn geweest aan de pompen op de wel- en regenwaterputten. Het pompen ging dag en nacht door.

  • Naar 'Het bouwproces'
  • Naar begin
  • Het metselen
    De funderingsplanken vormden de aanleg voor de fundering. Op de planken kwam een verbrede stenen voet, ter hoogte van 4 à 5 lagen. Deze lagen werden gemetseld met leem of in een bastaardspecie. Ook het los opeenstapelen van deze lagen kwam voor. Het metselwerk daar boven werd opgetrokken in kalkspecie. De 5 tot 6 lagen boven en onder het maaiveld bestonden uit klinkers, een harde steensoort die werden vermetseld in een harde mortel, bestaande uit zand, kalk en tras. Dit 'trasraam' diende om optrekkend vocht uit het werk te weren. Het tras, vermalen tufsteen uit de Eifel, ziet men ook wel aangeduid als 'sement' of 'Dortsch cement'. Dit in verband met het feit, dat de stad Dordrecht lange tijd een centrum is geweest van de internationale trasaanvoer en -verkoop. Bij het metselen gebruikte de metselaar een draad, die aan weerszijden om houten ribben, de profielen, was geslagen. Op deze profielen was met behulp van een verdeellat de dikte van elke laag, de lagenmaat, afgetekend. Ook in de l8de eeuw werd deze manier van werken gevolgd. Laag voor laag werd langs deze draad vermetseld. Het spreekt vanzelf dat het waterpas een onmisbaar stuk gereedschap was.

    Het timmeren
    Nadat de metselaars een begin hadden gemaakt met het optrekken van de funderingsmuren, kwam men tot het niveau, waarop de timmerman kon beginnen met het leggen en stellen van de balklaag, die de afscheiding vormde tussen het souterrain en de begane grond verdieping. Het leggen en stellen van de balklagen was een bezigheid die de timmerman meerdere malen diende te herhalen, totdat de metselaar de zijgevels tot aan de borstwering van de kap had opgemetseld. Op deze balklagen werden zogenoemde werkvloeren gelegd,waarop men verder kon werken. Wanneer het metselen tot borsthoogte was gevorderd, werd met behulp van twee omgekeerde speciekuipen en steigerdelen een nieuwe werkvloer gemaakt. De balken moesten goed droog zijn, alvorens ze konden worden gelegd, waarbij erop gelet moest worden dat ze op de juiste hoogte en waterpas lagen. Wat betreft dit laatste kon men dat bereiken door de balken te onderstoppen met stukjes tegel of leisteen. Om houtrot tegen te gaan werden de balkkoppen behandeld met teer, ook wel 'pik' genoemd. Aan het einde van de balken werden langs de zijkant, met behulp van gesmede spijkers, de muurankers bevestigd. Deze muurankers waren noodzakelijk om het 'doorknikken' van het metselwerk te beletten en een hecht verband tussen balken en bouwmuren mogelijk te maken. De ankers waren, evenals hang- en sluitwerk en de sloten het werk van de smid. Bij de bouw beperkte het werk van de timmerman zich niet alleen tot het leggen van balklagen en het maken van de kap en in een later stadium het leggen van vloerdelen. Kozijnen voor ramen en deuren, in de wintermaanden in de werkplaats gemaakt, werden gesteld met behulp van stellatten, waarna de metselaar het muurwerk verder kon optrekken. Werd bij het horizontaal leggen van de balklagen de waterpas gebruikt, bij het stellen van de kozijnen binnenshuis kwam het schietlood te pas.

    De kap
    Een speciaal hoofdstuk bij het timmerwerk is de kap. De kap is letterlijk en figuurlijk de bekroning van het timmerwerk. Nadat het metselwerk van de bouwmuren op de vereiste borstweringshoogte was gekomen, kon men beginnen met het samenstellen en plaatsen van de kapconstructie. Op de kap worden door de wind krachten uitgeoefend, die overgebracht moeten worden op de bouwmuren. Om de vormvastheid van de kap te garanderen was het noodzakelijk, de constructie te formeren uit een samenstel van driehoeken. De kapspanten werden vervaardigd in de timmermanswerkplaats. Een kapspant of kapjuk, ook wel dakstoel genoemd, bestond uit een spantbeen of stijl met daarover een dekbalk of hanenbalk. Tussen stijl en hanenbalk bevond zich een korbeel, voor versteviging in de breedte. De verbinding tussen stijl, balk en korbeel werd gemaakt met pen- en gatverbindingen, 'aangetrokken' door houten toognagels met een doorsnede van 2 tot 2,5 cm. Zeker in de 18de eeuw zal de verbinding tussen stijl en korbeel zijn uitgevoerd met gesmede nagels. Het in de l8de eeuw toegepaste kapspant of kapjuk vertoont veel overeenkomst met het een paar eeuwen eerder toegepaste schaargebint.
    Na aanvoer op de bouwplaats werden de onderdelen op maat gemaakt; aan de voeten van de stijlen werden pennen gehakt, terwijl in de zolderbalk gaten werden uitgehakt. Nadat het kapspant in elkaar was gezet, werd het gesteld en aan de zolderbalk gekoppeld. De overige kapspanten werden op eenzelfde manier aan de balken verbonden. Om de nodige versteviging in de lengte te krijgen en om later de daksporen te kunnen bevestigen, was het nodig de spanten te koppelen. Daartoe werden over de hanenbalken rechthoekige balken aangebracht, de 'flieringbalken' of 'wurmten'. Met gesmede nagels werden zij op de hanenbalk gespijkerd. Op de borstwering werd de muurplaat gelegd, die door middel van korte balkjes, 'blokkeels' genaamd, aan de stijlen van het spant werden verbonden. De 'blokkeels' werden iets ingelaten in het spantbeen. Op de afbeeldingen zijn ook ingekorte kapspanten zichtbaar; zij werden halverwege twee spanten aangebracht en bevestigd aan de muurplaat. Met behulp van korte staanders vanaf de dekbalk werd de nokgording op de gewenste hoogte gebracht en gesteld, waarna de sporen tegen de nok werden aangebracht. Daarna kon men de hulpconstructie voor de nokgording verwijderen, vooral, dat was overwegend het geval, als men de 'fliering' wenste te gebruiken als bergruimte. Over de sporen die hier slechts dienden als drager van de dakbedekking, werden de panlatten gespijkerd. Ten slotte werden de dakpannen gelegd en om regendoorslag te voorkomen, van binnen aangesmeerd met een 'bastaard'-mortel bestaande uit veel zand en weinig kalk, vermengd met varkens- of paardenhaar. Boven in de vliering, iets onder de nokgording, werden tussen de verzwaarde sporen nog balkjes, ook hanenbalkjes genoemd, aangebracht. Aan de voorzijde kon men de eerste twee hanenbalkjes nog gebruiken als oplegging voor de hijsbalk. Hijsbalk en hanenbalk werden met ijzeren stroppen en beugels aan elkaar verankerd. In de late 18de eeuw zal het toegepaste hout overwegend uit grenen hebben bestaan. Als laatste werden de vloerdelen van de vliering over de dekbalken gelegd en vastgespijkerd. Om het hemelwater dat van de pannen naar beneden komt op te vangen, werden met lood beklede dakgoten aangebracht, die enigszins hellend gelegd moeten worden om de afvoer van het regenwater te vergemakkelijken.

  • Naar 'Het bouwproces'
  • Naar begin
  • Metselen voor- en achtergevel
    Na het metselen van de bouwmuren en het stellen van de kozijnen begon de metselaar aan de voor- en de achtergevel. Dit was ook het moment, waarop het huis schuil zou gaan achter een houten steigerconstructie die al naar gelang het werk vorderde verder werd opgetrokken. De voorgevel en soms ook de achtergevel werden 'op vlucht' gemetseld. Een ieder die een blik werpt op 17de- en 18de-eeuwse huizen kan zien dat de gevels niet te lood staan, maar enigszins voorover hellen. Er is (nog) geen algemeen geaccepteerde uitleg gevonden voor dit verschijnsel. Wij houden het voorlopig op de voortzetting van het traditionele overstek, het verspringen van het gevelvlak bij de vroege houten huizen uit de middeleeuwen. dat een min of meer beschermende functie tegen regen had. Ook de dunne baksteengevel werd door dit 'op vlucht' staan beschermd tegen te veel regeninslag. Gevels waren bij uitstek de constructieve onderdelen, waarbij het metselwerk in het zicht kwam. De bouwmuren werden veelal aan het zicht onttrokken. De bakstenen werden vermetseld met mortel of specie, bestaande uit een mengsel van steen- of schelpkalk en fijnkorrelig zand. Door dit in bepaalde verhoudingen onder toevoeging van water te mengen, verkreeg men de vereiste mortel. Een veel voorkomende verhouding was 1 deel kalk op 3 delen zand. Af en toe werd tras toegevoegd. In de 17de eeuw gold over het algemeen een verhouding van 1 kalk, 1/2 tras, 3 zand. Om het metselwerk waterdicht te maken werden na het metselen voegen aangebracht, waarvoor voegspecie werd gebruikt. De voegspecie was niet hetzelfde als metselspecie. Voor voegspecie gebruikte men een mortel met zo weinig mogelijk water. Een mengsel van schelpkalkbloem en fijn zand. De hiervoor gebruikte specie was minder smeuïg en moeilijker te verwerken dan de gewone metselspecie. Over het algemeen geldt, hoe dunner de voeg des te verzorgder het werk. De voegen werden op diverse manieren gevoegd en afgewerkt. In Amsterdam komt de gesneden en geknipte voeg voor. Ook het platvol voegen kwam voor, maar dan altijd bijgewerkt door de zogenoemde 'baarden' te verwijderen. Een laag stenen, waarbij de langszijde in het zicht is, wordt strekkenlaag (strekse laag) genoemd. Is de breedte van de steen in zicht, dus een halve steen, dan wordt er gesproken van koppenlaag (kopse laag). Vroeger werden koppenlagen ook wel 'patijtsche' lagen genoemd. De manier waarop de stenen worden vermetseld, ten einde een regelmatig geheel en onderlinge samenhang te krijgen, wordt metsel- of steenverband genoemd. In Amsterdam wordt in de 17de, 18de en 19de eeuw het kruisverband het meest toegepast. Hierbij bestaan de lagen àfwisselend uit koppen- en strekkenlagen. De stootvoegen van een strekkenlaag komen in het midden boven een kop. Bij het kruisverband zijn de strekkenlagen onderling niet gelijk. De stootvoegen van twee opeenvolgende strekkenlagen verspringen een kop ten opzichte van elkaar. De driekwart steen aan het begin van een strekkenlaag is de drieklezoor, die kort na 1700 algemeen wordt gebruikt. In het hier gebruikte voorbeeld van Lange Leidsedwarsstraat 148 bestaat het metselverband uit kruisverband met hier en daar fragmenten van staandverband. De steenafmetingen zijn in Vechtformaat en variëren van 20,3 tot 21,3 cm bij 10,3 tot 10,5 cm met een dikte van 3,8 cm. De voegen zijn gesneden; de stootvoegen zijn bijzonder dun uitgevoerd. Boven de bovendorpels van de kozijnen bevinden zich getoogde strekken, een constructiewijze die zowel in de 18de als in de l9de eeuw voorkomt. Boven de kozijnen werden rollagen of ontlastingslagen gemetseld. Maar vanaf het midden van de 17de eeuw vooral de strek of hanekam, ter hoogte van 5,5 of 6 lagen. De strek telt altijd een oneven aantal stenen, dit om eenzelfde oplossing bij het begin en het eind te verkrijgen. Nadat de metselaar met behulp van houten formelen de gevelbeëindiging had opgemetseld, kon de steenhouwer de gevelornamenten van zandsteen stellen. Deze ornamenten waren te voren in de werkplaats van de steenhouwer gehakt. De elementen op de hoeken worden aanzetstukken of voluten genoemd en fungeerden als het ware als aanzet van de gevelbekroning. De kuif vormde de top van de gevel en was vaak zeer fraai gedetailleerd, evenals de voluten. De onderdelen van Bentheimer zandsteen werden met behulp van specie en ankers op de gevel bevestigd en later geschilderd in de zandsteenkleur die de schilders 'Bentheimer' noemen. Deze lichte kleur is tot op vandaag karakteristiek voor het Amsterdamse stadsbeeld. Ook voor andere onderdelen werd natuursteen toegepast,zoals bij voorbeeld hardsteen voor de stoep, dorpels en neuten. Nadat de gevels zijn gemetseld, is men met de bouw zover dat er een begin kan worden gemaakt met de afwerking van het huis. Hierbij waren talrijke ambachtslieden betrokken. Binnen dit bestek is het ondoenlijk, uitgebreid in te gaan op al deze beroepen, vandaar dat we ons tot één beroep willen beperken, namelijk dat van de schilder.

  • Naar 'Het bouwproces'
  • Naar begin
  • Afwerking
    De schilder
    Een onderscheid tussen kunstschilder en huisschilder, zoals we dat nu kennen, bestond aanvankelijk niet. Met het instellen van de gilden aan het eind van de middeleeuwen werd het verschil tussen de 'penseel' en de 'kwastgebruikers' langzamerhand duidelijk. Vanaf dat moment is er sprake van 'fijnschilders' en 'grofschilders', waarbij de laatsten zich zullen specialiseren in het binnen- en buitenschilderwerk van huizen en gebouwen. De naam 'huisschilder' gaat dan voor zichzelf spreken. Het schilderen van hout, steen, lood en ijzer heeft ten doel, de materialen tegen invloeden van buitenaf te beschermen. Gebouwen, voortdurend blootgesteld aan regen en afwisselend kou en warmte, kunnen best een 'opperhuid' gebruiken. Maar ook binnenshuis was het in de l8de eeuw en de eeuwen daarvoor heel gebruikelijk om interieuronderdelen te schilderen. Kleur is in de architectuur altijd heel belangrijk geweest, totdat in de tweede helft van de 19de eeuw een verandering in architectuuropvattingen optrad. Toen werd gepleit om de specifieke eigenschappen van het bouwmateriaal, de structuur en de kleur onverdoezeld te laten spreken. Ook vanuit esthetisch oogpunt werden baksteen en natuursteen gevels geschilderd. Onregelmatigheden in de steenstructuur en kleurverschillen konden zo worden weggewerkt. Soms werd een gevel geheel geschilderd om er vervolgens dunne witte voegen, de 'schijnvoegen' op aan te brengen.
    Verf en kleur ontstaan door het mengen van pigmenten (kleurstoffen) en bindmiddelen. De pigmenten zijn te verdelen in anorganische en organische pigmenten, die beide in de natuur voorkomen dan wel fabrieksmatig worden bereid. Een voorbeeld van een anorganisch pigment zijn de okers, verweringsproducten van ijzerhoudende gesteenten. De bruinkleurige Kasselse aarde, het Van Dijck's bruin, zijn organische pigmenten die in de natuur voorkomen. Het organische rode karmijn werd gewonnen uit gedroogde lichaampjes van schildluizen. Rode kraplak werd gemaakt door de wortels van de meekrapplant te gebruiken. De verfhoutsoorten, onder andere het Braziliëhout, dat in het Rasphuis aan de Heiligeweg werd geraspt, zijn eveneens organisch van oorsprong. Zij werden gebruikt in de laken-, wol- en zijdeververijen. Langs chemische weg kwamen onder meer loodwit, zinkwit, dodekop, Berlijns blauw en Bremer groen tot stand. Tot de bindmiddelen behoorden: bijenwas, lijmsoorten, melk (caseïne),eigeel (tempera) en eiwit en vooral lijnolie. De oudste, al meer dan tweeduizend jaar gebruikte methode om pigment en bindmiddel te mengen, gebeurde op een marmerplaat. Met een wrijfsteen, in schildersjargon 'loper' genoemd, werden de pigmentkorrels op de plaat met het bindmiddel (bijvoorbeeld lijnolie) vermengd tot een vloeibare massa. Naast een geslepen steen gebruikte men ook een glazen 'loper'. Deze was speciaal bestemd voor witte pigmenten om slijpselverontreiniging tegen te gaan. Tot in de 19de eeuw werd vorengenoemde methode gebruikt. Een eerste stap op weg naar mechanisatie was een primitieve maalinrichting. Deze bestond uit een bak met opstaande rand en een platte steen. De platte steen draaide min of meer wrijvend over de daaronder vastliggende bak. Een slingerstok van soepel essenhout werd gebruikt om deze maalsteen in beweging te brengen. Deze werd in het gat van de maalsteen en in het plafond aangebracht. Deze molen werd aangedreven door mankracht. Dat het schildersvak gelijk stond aan zwaar werk bewijst ook het fijnstampen van grove stukjes verfstof in een vijzel. Bij grote exemplaren was de stamper nauwelijks met de blote hand te hanterenn kwam ook hier het veerkrachtige essenhout te hulp. Aan een lange, horizontaal aan het plafond bevestigde stok werd een touw gebonden, waaraan de stamper werd vastgemaakt. De veerkracht van de stok verlichtte de beweging van de stamper. Al deze voorbereidende klussen vonden plaats in de schilderswinkel en dan meestal in het stille winterseizoen. Na de bereiding van de verf werden kleine hoeveelheden in een varkensblaas bewaard. Grote hoeveelheden verf werden in aardewerk potten of houten tonnetjes bewaard. Een bekende, door de kuiper gemaakte houten verfpot is de 'klaploper'. Deze dankt zijn naam heel waarschijnlijk aan het feit dat de schilder het niet zo nauw nam met de betaling aan de kuiper.
    In 1801 verscheen van de hand van Lambertus Simis, meester-schilder te Amsterdam, het boek 'Grondig onderwijs in de schilder- en verwkunst'. Uit de vele vaardigheden die een schilder machtig moest zijn, halen we drie imitatietechnieken, die in de 18de eeuw veel werden toegepast. Het gaat om: natuursteenschilderen, gladhoutschilderen en marmerschilderen.
    Van het natuursteenschilderen (bijvoorbeeld gevel, basement, architraaf, kolom, kapiteel of tuinhuis) is de imitatie van Bentheimsteen het meest toegepast. Het hout werd daartoe tweemaal wit gegrond, de derde maal met dekwit. Steeds werd een klein stukje tegelijk bewerkt. Nadat de verf was opgebracht, werd het oppervlak 'gekamd'. De kam bestond uit een dun plankje van zacht hout, waarin aan het scherpe einde zoveel mogelijk tanden waren uitgesneden om 'frijnslag', een bewerkingswijze uit de steenhouwerij, te kunnen imiteren. Vervolgens werd een houten rij vertikaal op het te bewerken stuk gelegd, waarlangs de schilder met de kam kon krassen. Direct na het 'kammen' moest het hele werk met goed droog schuurzand worden bestrooid. De stoffer diende om het losse en overtollige zand weg te nemen. Blauwe hardsteen was moeilijker te imiteren, maar het gebeurde wel. De moeilijkheid zat hem in het gebruik van schuurzand. Daarom werd hardsteen meestal zonder 'frijnslag' nagebootst. Het gewenste effect verkreeg men door op een lichtblauw geschilderde ondergrond, respectievelijk donkerblauwe en witte verf te spatten. Mits niet te vol gespat ontstonden er zo donkere en lichte spatten aan het oppervlak. Wilde men toch het effect van 'frijnslag' oproepen, dan ging de schilder, weliswaar met andere kleuren, net zo te werk als bij de voren beschreven Bentheimer-imitatie. Alleen na het drogen van het zand werd nog een extra lichtblauwe laag uit het beste loodwit met een tikkeltje zwart aangebracht. Deze laatste verflaag behoorde slechts heel licht dekkend te zijn. Tot slot werd nog zwarte en witte verf uitgespat.
    Om een goed resultaat te bereiken bij gladhoutschilderen moest aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Voor de schilder was het van belang, voldoende kennis van de houtsoorten te hebben. Vele houtvarianten konden worden geimiteerd: wortelhout, eikenhout, mahonie, olijf-, rozen- en walnoothout, ceder, enzovoort. Het oppervlak van het te schilderen voorwerp moest eerst goed worden geschuurd en gladgemaakt om dan verschillende keren te worden gegrond. De laatste keer werd het oppervlak afgeschuurd met puimsteen of een haaienvel. Het zacht maken geschiedde middels een 'daskwast' of 'verdrijver'. De verven voor gladhoutschilderen zijn hoofdzakelijk donkere, gloeiende, transparante verven die qua kleur overeenstemmen met het na te bootsen hout. Het zijn vooral bruine, rode en gele verven. De pigmenten werden ingewreven met rauwe lijnolie. Een gedeelte van de verfstof werd in een potje gegoten,waarin evenveel gekookte olie zat. Als verdunning werd wat terpentijn gebruikt, waardoor een gladde saus ontstond. De verf werd nu matig dik opgebracht. Op de zwaarste partijen bracht men met een kleine kwast een weinig donkere verf aan. Direct daarna werden met een eendenvleugel de houtnerven, vlammen en kwasten opgezet. Een daskwast zorgde voor de uiteindelijke zachte structuur. Na een dag drogen kon men lakken of vernissen. Dit gebeurde met reeds gebruikte schone kwasten, daar bij nieuwe kwasten vaak haartjes loslieten. Vooral binnendeuren, trapbalusters en meubels kwamen in aanmerking voor gladhoutbehandeling, waarbij de verflaag sterk en de kleur goed intact bleven.
    Het marmerschilderen paste men vooral toe bij schoorsteenmantels, lambrizeringen en deuromlijstingen. Vele 18de-eeuwse huizen waren en zijn ermee verfraaid. Ook eenvoudige huizen die door marmerimitatie van de lambrizeringen in de gangen een bepaalde allure kregen. Bij een nieuwe houten schoorsteenmantel werden eerst de spijkergaten met olie-stopverf gestopt om te voorkomen dat het roest van de spijkers door de verf kwam. Voorts moest men de mantel met verschillende sterke lijmlagen behandelen om het hout mooi glad te krijgen. Na droging werd het oppervlak met puimsteen of een haaienvel gladgeschuurd, zodat alle oneffenheden verdwenen. Als grondkleur werd de hoofdtoon van het natuurlijke marmer aangehouden, bijvoorbeeld fijngewreven verf uit loodwit. Deze werd zeer sterk verdund met terpentijn en moest direct na het opbrengen met een daskwast of verdrijver worden gladgestreken. Pas de volgende dag kon men de marmerverven opbrengen, bijvoorbeeld blauw gemengd met zuiver loodwit, of met in terpentijn gebleekte olie en zwartsel. In de nog natte, heel dun aangebrachte verf dienden de donker- en lichtpartijen met dezelfde verf geschilderd en met zwart en wit te worden opgehoogd. Ondertussen werd het oppervlak glad gestreken met de daskwast. Na droging werd de mantel losjes afgeschuurd en afgestreken met witte vernis. Dit gebeurde met een nat lapje wol, waarin gemalen puimsteen zat. Hoe vaker men na iedere bewerking schuurde, des te mooier werd het oppervlak.

  • Naar begin
  • Indeling en aankleding
    In de tweede helft van de 17de eeuw was de interieurbehandeling als totaalcompositie reeds begonnen. Voor die tijd werden de wanden, plafond en vloer afzonderlijk behandeld. Deze losse onderdelen die de ruimte bepaalden, waren wel harmonisch op elkaar afgesteld, maar bleven zelfstandig. Geleidelijk werd de afstemming op elkaar steeds intensiever, zodat er van een totaal compositie kan worden gesproken. Deze behandeling zou in de 18de eeuw tot haar uiterste consequentie worden doorgevoerd. De balkenzoldering werd geheel aan het oog onttrokken door houten, maar meestal toch wel stucwerkplafonds. Deze witte plafonds zorgden voor een totaal andere, maar gelijkmatige lichtverdeling in de ruimte. De wanden werden geheel bedekt met bespanningen. Plafond en wand kwamen samen in de kroonlijst boven de wand. Ook de wand zelf werd ingedeeld. In de hoogte werd deze indeling bepaald door de houten lambrizering. De schoorsteen- en deurpartijen werden meestal de basis voor de verdeling in de breedte. Een van de belangrijkste veranderingen in het interieur betrof de raamwand. De karakteristiek van het 17de-eeuwse kruisvenster ligt besloten in zijn constructieve vormgeving, als het ware behorend bij de constructie van de gevel. Het kruiskozijn is een sterk sprekend constructief en zelfstandig element. Hierdoor voegt het kruiskozijn zich maar moeilijk in een totaal compositie, waarbij de afwerking (plafond en wandbespanning) verhullend werkt ten aanzien van de constructie van het huis. De onderdorpel van het kruiskozijn lag vrij hoog boven de vloer, namelijk 1 tot 1,2 m. De lambrizering in een 18de-eeuwsekamer is veel lager. In de 18de eeuw zou de raamwand geen afzonderlijk onderdeel meer zijn, maar de 'vierde' wand van de ruimte worden. Het schuifraam met zijn lage glaslijn en zijn netwerk van roeden was het logische gevolg van de behandeling van de ruimte. De glasmaat tussen de roeden werd meer bepaald door de wandbehandeling dan door de glasmaat. De glasindustrie was toen al in staat, grote ruiten te leveren. Het fijnmazige roederaam gaf enerzijds een vrij uitzicht naar buiten en was tegelijkertijd een duidelijke wand die buiten en binnen scheidde. Bij de rijkere huizen werden de bespanningen op de wanden vaak als schilderingen op doek uitgevoerd, met voornamelijk landschappen als voorstelling. Ook fluweel- en zijdebespanningen werden veel gebruikt. Papierbehangsel, bedrukt met voorstellingen en/of eenvoudige patronen, komen in de 18de eeuw veel voor. In Amsterdam was een bloeiende papierbehangselindustrie. In de late 18de eeuw kwam bij eenvoudige huizen de zeildoekbespanning veel voor. Boven een plint werd de kamer rondom bespannen met zeildoek, waarop pilasters, lambrizering, kroonlijsten en voorstellingen waren geschilderd. Een goedkope mogelijkheid om een stijlvolle interieurbehandeling te verkrijgen.
    De vloer van het 18de-eeuwse huis veranderde niet veel. De entreehal bleef het marmer als vloerbedekking behouden. In de kamers kwam een tapijt te liggen, bij de rijkere interieurs zelfs kamerbreed geweven. Beschilderd vloerzeil komt in de 18de-eeuwse boedelbeschrijvingen al veel voor. Naast de raamwand was ook de schoorsteenwand het meest aan verandering onderhevig. De hoge schouwkap, waar veel rook kon ontsnappen, werd verlaagd om zoveel mogelijk rook te vangen. Het 18de-eeuwse interieur met zijn beschilderingen, stucplafonds en fijnere meubilering kon geen rook verdragen. De schoorsteenmantel werd nu uitgevoerd in marmer en het vuur als het ware ingesloten. De hoogte was gemiddeld 1,20 m. Op de mantel kreeg de spiegel zijn vaste plaats. Ook de damspiegel tussen de ramen was bepalend voor de l8de-eeuwse interieurbehandeling. De meubilering werd sterk aangepast aan de wandbehandeling, zowel wat betreft stoffering als plaatsing. De functionele plaatsing van de meubels werd verlaten ter wille van de totaalcompositie van de kamer. De meubels kregen een vaste plaats die meer esthetisch werd bepaald dan voor direct functioneel gebruik. Het geheel ademde een statische sfeer. Ook de kleuren in het interieur wijzigden zich. In het begin van de 18de eeuw werd nog veel paars gebruikt, ook bij de rijkere interieurs. Na 1730 kwam door de uitvinding van het Berlijns blauw de blauwe interieurbehandeling sterk in de mode. Na 1750 kwam het zeegroen of celidon op, waarna het gladhoutschilderen in gebruik kwam. Alle mogelijke houtsoorten werden in verf nagebootst. Op het eind van de 18de eeuw kwamen de lichte kleuren, veelal grijs en zandsteenkleur, de lichte atmosfeer van het interieur nog eens versterken. In het eenvoudige huis bleef de blauwe kleur lang behouden en verplaatste zich geleidelijk naar de keuken.
    Ook op het platteland zou het blauw zich nog lang handhaven. Bij 'de huizen der minder gegoeden', was nog vaak sprake van de traditionele rode interieurs. Bij de rijkere interieurs verdween de bedstede uit de woonkamers. Bij de eenvoudige woonhuizen echter bleef de bedstede onderdeel van de woonkamer, maar dan meestal opgenomen in een aparte wand met kasten, zodat de ruimte er niet door werd verstoord.

  • Naar begin
  • Sanitaire voorzieningen
    De WC, 'het secreet', bevond zich op de binnen- of achterplaats. In bestekken is vaak sprake van 'het huisje'. Onder de WC was de secreetkuil of beerput, vaak gecombineerd met dezelfde voorzieningen van het buurhuis. In de bovenhuizen was er sprake van een 'gemakskoffertje' dat op het trapportaal of in de kamer stond. Dit simpele emmertje of tonnetje moest apart worden geleegd.
    Het regenwater werd opgevangen in een regenbak die in de grond was ingegraven en wel '12 tot 20 tonnen' water kon bevatten. Een loden buis verbond deze bak met de pomp in de keuken. Keuken en regenbak waren aan en in de achterplaats gesitueerd. Voor de kelderwoning en het bovenhuis was onder de stoep aan de straat een regenbak geplaatst, waar het water met een emmertje werd 'gepulst'. De hardstenen gootsteenbak was een vast attribuut in de keuken, evenals het aanrecht, 'de rechtbank', de 'etenskast' en het turfhok. Water werd er niet veel gedronken, wel bier of aangevoerd bronwater, het laatste was echter een kostbare drank. Bij eenvoudige huizen was wel eens sprake van een bierstelling in de provisiekelder. De gootsteenbak bij de bovenhuizen die geen aparte keuken hadden, was vaak geplaatst op het trapportaal, in de snijding tussen de bouwmuren of bij een hoekhuis uitgebouwd in de zijgevel. In de 18de-eeuwse keukens werd vaak de 'watersteen' geplaatst die het water zuiverde. Het was een poreuze steen, hol uitgehakt. Hierop werd wat water gegoten. Het zuivere water droop onder de steen in het emmertje. Ook in de eerste helft van de 19de eeuw zou hierin nog geen verandering komen.

  • Naar begin
  • bron: Amsterdamse Monumenten 3-1984 Bureau Monumentenzorg Amsterdam

    Voor het laatst bewerkt: