Huisnummers
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Huisnummers
Wat is de overeenkomst tussen de huizen aan de Prinsengracht 1, 176, 451, 726 en 739? Deze huizen hadden tussen 1853 en 1875 allemaal het adres Prinsengracht 519!
Wat is er aan de hand?
Huisnummers waren lang onbekend in Amsterdam. Dit leidde tot wrevel door de onvindbaarheid van personen en hun woonhuizen hetgeen verergerde met het groter worden van de stad. Huizen hadden vaak wel een naam en die was middels een huisteken aangegeven aan de gevel. Bijvoorbeeld: 'Inde Schrijvende Hand'. In dit geval een huis in de Egelantiersstraat 52 waar een gevelsteen met een gekroonde schrijvende hand in de gevel zat en zit. Dit was een heel redelijke aanduiding, maar erger werd het als het huis geen kenteken had. Dan werd het zoiets als ‘Herengracht, ’t tweede huis benoorden de Pottenbakkersgang’.
Verpondingsnummer
Elk perceel had in 1732 een nummer gekregen ten behoeve van de belasting op onroerend goed, de zgn. verponding. De stad was verdeeld in 60 wijken met een eigen nummering ('burgerwijknummer'). De verpondingsnummers zijn dus niet uniek. Het nummer was niet aangebracht op de huizen. De verpondingsnummers worden gebruikt om de eigenaren van de panden te vinden en zijn ook bekend als grootnummer.
In het bovengebruikte voorbeeld van Egelantiersstraat 52 is in 1732 het verpondingsnummer 3375 en het burgerwijknummer 46 in gebruik;
In 1796 wordt het huisnummer 21;
In 1853 wordt het huisnummer NN236;
In 1875 wordt het huisnummer 52.

1795
De komst van de Bataafse Republiek tezamen met de Franse regelzucht begin 1795 komt hier verandering in brengen. Begin oktober 1795 kregen alle gemeenten opdracht een volkstelling voor te bereiden en vast te stellen hoeveel kiesgerechtigden waar precies woonden. In een stad van 10.000 inwoners was dat te doen maar in Amsterdam woonden toen ongeveer 200.000 zielen, stonden er zo’n 33.500 huizen en werden 60.000 stembiljetten gedrukt voor de aanstaande verkiezing van één kiesman per wijk. Het leek het stadsbestuur het beste om de enigszins up-to-date gehouden registers van de Huiszittenwijken te hanteren en de desbetreffende wijkmeesters opdracht te geven alle huizen met hun bewoners in kaart te brengen.
Huiszittenwijken
Er waren 141 Huiszittenwijken verdeeld in 135 stadswijken en 6 buitenwijken. De wijkmeester moest elk huis een nummer geven, doorlopend tot hij alle huizen in zijn wijk gehad had. Het ging daarbij louter om huizen waarin gewoond werd; loodsen, schuren, pakhuizen, fabrieken, enzovoort werden overgeslagen want daar woonde niemand. Elke wijkmeester deed dat op z’n eigen manier en door de haast niet altijd even adequaat. In principe hadden alle huizen in Amsterdam nu een met krijt op de gevel aangebracht huisnummer maar deze bleven er niet lang. Oranjegezinden of mensen die bang waren voor personele belastingen veegden de cijfers uit en anders gebeurde het wel door het weer. Uit Den Haag kwam op 6 januari 1796 ook nog de aanvullende instructie de stad in 14 districten te verdelen met elk 30 grondvergaderingen van elk ongeveer 500 inwoners. Dit stelsel was goed voor een bevolking tot 210.000 inwoners. Dit verkiezingssysteem was ‘getrapt’ d.w.z. dat iedere grondvergadering é&eacte;n vertegenwoordiger koos. De dertig kiesmannen, welke een district aldus voortbracht, kozen op hun beurt de afgevaardigde voor het District.
Voor de (on)duidelijkheid, de stad is nu dus opgedeeld in 141 Huiszittenwijken en 14 districten van ieder 30 grondvergaderingen waarvan de begrenzingen door elkaar lopen en elkaar overlappen.

Districtenstelsel
Elk huis kreeg nu een nummer dat bestond uit een districtsnummer (D1 t/m 14), een grondvergaderingsnummer (G1 t/m 30) en een huisnummer. De wijkmeesters kregen instructies mee en een lijst met de huizen met daarop in rode inkt het vooraf bepaalde nummer. Natuurlijk werd ook deze nummering gesaboteerd. Het stadsbestuur stelde sancties in voor elke bewoner die de nummering onleesbaar had gemaakt. Om er opnieuw een puinhoop van te maken hoefde niet alleen gesaboteerd te worden, sommige wijkmeesters deden een duit in het zakje door ook deze keer weer slordig te zijn bij de uitvoering van hun taak. Ze schreven dan toch alleen het huisnummer op en lieten het D-nummer en/of G-nummer achterwege. De schilder moest maar raden welke letters of nummers er bij hoorden. Een legertje beambten werd in februari op pad gestuurd om de nummering te controleren en zo nodig te verbeteren of aan te vullen.
Op papier was nu elk huis terug te vinden, dit gold echter niet voor de burgers. Want ‘de nummers op de lijsten der wijkmeesters zijn willekeurig en volgen elkander in die order als de wijkmeester goedgevonden heeft zijn wijk te doorwandelen.’ Bovendien kon in één en dezelfde straat meerdere keren hetzelfde huisnummer voorkomen, zoals al in de aanhef is aangegeven. Het stelsel functioneerde niet zonder de voorvoegsels. De huizen hadden nu een nummer, maar ‘Daar de Huizen op eene en dezelfde Gragt dikwils tot verschillende Grondvergaderingen, en ook tot verschillende Districten behooren, zoude de opnoeming van een nummer niet genoegsaam zyn om een Huis te bepalen; maar men zoude ‘er moeten byvoegen de Grondvergadering en het District; waar door de aanwyzing van het Huis zo ingewikkeld en moeijelyk wordt, dat ‘er geen gemak uit ontstaat’.
Straatnaamborden
Nog tijdens de uitvoering van het aanbrengen van de huisnummering volgens het districtenstelsel kwam men tot inkeer. Het werd beter geacht om het huisnummer van het districtenstelsel los te maken en aan de straatnaam te verbinden. Maar dan moesten er wel eerst straatnaamborden komen. De roep daarom had al voor 1795 geklonken, maar het was een ingrijpende en kostbare operatie zodat het er niet van gekomen was. Op 25 februari 1796 besloot het stadsbestuur tot het aanbrengen van straatnaamborden en op 11 maart tot invoering van een andere nummering.
Kleinnummer
Alle huizen in de stad hadden nu een nummer volgens het districtenstelsel. Er komt echter al weer een nieuwe nummering aan. Er gaat per straat genummerd worden, doorlopend eerst de ene, daarna de andere kant zodat het laagste en hoogste nummer tegenover elkaar liggen. Men begon steeds vanaf de Amstel te tellen. Aansluitend kwamen de dwarsgrachten en -straten aan de beurt, zich steeds oriënterend op de Dam. Als dat punt twijfel liet, nam het IJ die rol over. Het systeem was bedacht door Prof.J.H.van Swinden. De huisnummers werden eenmalig door de stad aangebracht met de opdracht dat bij schilder- of restauratiewerken het nummer steeds opnieuw en op dezelfde plek moest worden teruggebracht. De straatnaamborden werden een zaak van Stadswerken, waarvan Abraham van der Hart directeur was.

Nieuwe buurtindeling en huisnummering van 1853
Omdat de regering meer inzicht wilde krijgen in de demografsche ontwikkelingen in het land kregen de gemeenten op 1 januari 1850 opdracht de bevolking uniform te registreren. Dit om van de vele fouten uit de volkstelling van 1795 af te komen. De opdracht bestond voor steden met meer dan 5000 inwoners uit een verdeling in buurten. Voor Amsterdam betekende dit een verdeling in 50 buurten: 46 binnen de Singelgracht en 4 erbuiten. De buurten kregen een letter(combinatie), van A t/m ZZ met overslaan van I en II. Binnen elke buurt werd er doorgenummerd. Amsterdam kon het toch niet laten om de buurten verder te verdelen in afdelingen, al naar gelang de stadsdelen druk bevolkt waren of niet. Sommige buurten, zoals buurt QQ (noordelijke Jordaan) kenden zeven afdelingen. Een enorm uitgebreide maar nog maar matig bewoonde wijk als YY (de latere Pijp) maar één.
Het systeem voldeed prima voor het bevolkingsregister, maar was voor buitenstaanders volstrekt onbegrijpelijk. Van Lennep vertelt hoe een Brusselaar in Amsterdam zoekt naar het huis W424 op de Keizersgracht. Toen hij de hele gracht had afgelopen en aan de Amstel stond, keerde hij aan de overzijde in de omgekeerde richting terug, maar W424 lag aan de overzijde van de Amstel, aan de Nieuwe Keizersgracht.
Nummering van 1875
De bevolking zag de nummering helemaal niet zitten en die geluiden drongen door tot de Raadszaal. In 1875 besloot de Gemeenteraad, tegen de wens van B&W, de nummering opnieuw te veranderen. De dwingende nummering per buurt werd vervangen door opnieuw een buurtgrens-overschrijdende nummering, net als die van 1796 maar toch iets anders. Een gracht of straat nummert nu aan beide zijde van laag naar hoog; links de oneven en rechts de even nummers. De oriëntatie vanuit de Dam bleef. Dit systeem werkte goed, zo goed dat we het vandaag nog steeds hanteren. Soms gaat er in de loop der jaren alsnog iets mis. Enkelzijdig bebouwde grachten en straten werden doorgenummerd. We vinden diverse voorbeelden van zo’n nummering, zoals de Noordermarkt en het Damrak. Bij de laatste ging het alsnog mis toen het grootste deel ervan gedempt werd en hier en daar ook bebouwd met Beurs en Bijenkorf. De Beurs van Berlage kreeg aanvankelijk een nummer op het Beursplein maar na het opheffen van de koopmansbeurs en het in delen verhuren van de ruimten heeft men een noodgreep toegepast. Waar de nummering van het Damrak aan de westzijde ophoudt bij 98, gaat die met een flinke reserve aan nummers aan de oostzijde verder met 213 t/m 367.
Overigens zijn na 1975 kennelijk weer nieuwe inzichten gerezen over huisnummers. Waar we tot die tijd op -hs, -1, -2 of -3 woonden heb je nu de toevoegingen -a, -b, enz. of na hernummering een eigen nummer. In veel nieuwbouw wordt per verdieping genummerd, soms doorgaand, soms even en oneven gescheiden. De logica bij veel hofjesbouw is vaak heel ver te zoeken.

Meer lezen:
Hart, van der, Abraham
Keizersgracht 672

Voor het laatst bewerkt:21-dec-2018