Architecten
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

                         

19 Het Atelier Architecten
Albrecht, Saskia
Architectenbureau A.A.Kok
Architectenbureau H.A.J. en Jan Baanders
Architectenbureau J.van Stigt
Architectenbureau Kleinhout en Van der Steur
Architectenbureau Lines B.V.
Architectenbureau H.Tiemens
Architektenburo Hans Wagner
Archivolt architecten
Baanders, H.A.J. (Herman)
Baanders, Jan
Baars, Jacobus S.
Bakker, K.
Bazel, de, K.P.C.
Beenhacker, Boudewijn
Berlage, Hendrik Petrus (Hein)
Bergenthal, C.
Bleijs, A.C.
Bout en Pluym architecten
Breedveld, Philip
Brink, van den, Herman Jan
Bruijn, de, Pi
Coulon, Jean
Cuypers, Ed. (Eduard)
Cuypers, J.T.J. (Jos)
Cuypers, P.J.H. sr. (Pierre)
Cuypers, P.J.J.M. jr. (Pierre)
Dam, Cornelis Gregorius (Cees)
DE architecten
Descombes, Georges
Dicke, H.A.
Dijkman, Jaap
Does, van der, Cornelis
Dortsman, Adriaan
Doornenbal, Kees
Duinker van de Torre samenwerkende architecten
Elte, Hartog (Harry)
Gendt, van, Adolf Daniël Nicolaas
Geerts, Klaas
Gietermans & Van Dijk Architecten
Gijselingh de Jonge, Jan
Gijselingh de Oude, Jan
Gosschalk, Izak (Isaac)
Groet, Jacob
Grolle, J.H.
Hamdorff
Hamer, Peter Johannes
Hart, van der, Abraham
Hartkamp, J.W.F.
Haverkamp, D.H.
Heeswijk, van, Hans
Hegener, Jos P.I.
Herzberger, Herman
Hoedemakers, Marie-Laure
Hoen, 't, H.
Hoeneker, Coenraat
Houben, Francine
Houten, van, Eelke
Husly, Jacob Otten
Inbo
Janssen, Ronald
Jantzen, Ferdinand Bernardus
Jong, de, Hijman Louis
Jurriaen
Keyser jr, de, Hendrick
Keyser sr, de, Hendrick
Keyser, de, Pieter
Kesper, Neil
Klaphout, D.C.
Kleinhout, Gerrit Herman
Klerk, de, Michel
Kok, A.A.
Kok, Ysbrand
Kramer, Piet
Kromhout, A.C.
Kromhout, Willem
Kromhout en Groet
Kuipers, Foeke
Lammers, Theodorus Johannes
Langhout, Willem
Lansdorp, Nicolaas
Laumanns, Hans J.
Leliman, Johannes Hendrik Willem
Linden, van der, Jacob J.
Loerakker Rijnboutt Ruijssenaars
Loogman, Gerardus Alphonsus Maria
Man, de, J.P.H.
Margry, Evert
Marot, Daniël
Mecanoo, architectenbureau
Meij, van der, Joan Melchior
Meijer, J.W.
Molkenboer, Theodorus
Nassuth, Georg Siegfried
Nieukerken, van, Johannes Jacobus
Noort, van, Maarten
NOORTZAAK architecten & adviseurs
Osborne, Donald
Outshoorn, Cornelis
Oyevaar Van Gool De Bruijn Architecten
Pals, Pieter
Pelser, Johannnes
Peters, C.H.
Peters en Boogers
Plaat, C.
Ploeg, Tijmen
Prenen, Cilia
Popta, van, Sara
Posthumus Meyjes jr., C.B.
Posthumus Meyjes sr., C.B.
Rappange & Partners
Reus, de, Marc
Rijnboutt, Kees
Rood, Emanuel Marcus
Ruijssenaars, Hans
Rutgers, Gerrit Jan
Salm, G.B.
Schill, Theodoor Gerard
Sijmons, Karel Lodewijk
Slothouwer, Dirk Frederik
Spanjers, Kees
Stalpaert, Daniël
Stam, Martinus Adrianus (Mart)
Sterenberg, Jan Johannes
Steur, van der, Albert Johan
Stigt, van, André
Stigt, van, Joop
Straaten, Johannes van
Studiospacious
Studio VVKH
Stuyt, Jan
Te Kiefte Architekten
Tétar van Elven, M.G.
Tholens, Karel Petrus.
Tiemens, H.
Vandenhove, Charles
Vingboons, Justus
Vingboons, Philips
Vorkink, Pieter
VVKH Architecten
Walenkamp, H.J.M. (Herman)
Westerman, Arend Jan
Wijnstok jr, J.B.
Wilhem, de, Jacobus
Wolf, de, Lubertus Jacobus
Zaanen Spanjers Architecten

19 Het Atelier Architecten is een architectuuratelier, waarin een gedreven team professionals onder leiding van directeur/architect Rob Moritz werkt aan bijzondere, kwalitatief hoogwaardige en duurzame stedenbouw, architectuur, interieurs, bouwtechniek en adviezen. De ateliervorm zorgt voor een hechte samenwerking tussen alle leden en disciplines binnen het team, waardoor het geheel altijd meer is dan de som der delen. Het credo “creatief en professioneel” staat voor zowel het proces als het product daarvan. Door op elkaars schouders te gaan staan bereik je grotere hoogtes, kun je verder kijken en wordt je sterker. Daarom is het zo belangrijk, dat ons bureau over zoveel verschillende disciplines beschikt. Daarnaast onderhouden we nauwe samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld technisch- en financieel specialisten, kunstenaars en allerlei andere vormgevers. In een aantal projecten wordt samengewerkt met collega-bureaus.
Projecten: Huntum 14-15

                                       

Albrecht, Saskia Al jaren hou ik mij bezig met het ontwerpen van zeer uiteenlopende tuinen. Steeds is daarbij het pand het belangrijkste uitgangspunt: de bouwperiode, de lijnen van het huis, de sfeer en de omgeving zijn de bouwstenen voor een passend tuinontwerp. Het grootste compliment dat men mij kan geven is dat het lijkt alsof de tuin er altijd al in die vorm geweest is.
De laatste jaren ben ik vooral betrokken bij tuinen in het historische hart van Amsterdam waar de eeuwen geschiedenis de belangrijkste factor zijn. Veel hangt dan af van kennis van de tuinhistorie en van gericht historisch onderzoek.
Andere projecten van Saskia Albrecht: tuin van het Trippenhuis: ontwerp 1993, tuin van Museum Willet-Holthuysen: historisch onderzoek, renovatie ontwerp, beplanting en begeleiding vanaf 2007, tuin van de ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam: historisch onderzoek, renovatie ontwerp, beplanting en begeleiding vanaf voorjaar 2009, diverse particuliere tuinen aan de grachten in Amsterdam.
Projecten: Herengracht 68

                                       

Architectenbureau Kleinhout en Van der Steur werd gevormd door Gerrit Herman Kleinhout (1881-1958) en Albert Johan van der Steur (1895-1963).
Albert Johan van der Steur, afkomstig uit een architectenfamilie, studeert in 1920 af aan de Technische Hogeschool in Delft. Hierna gaat hij op het architectenbureau van Karel Muller in Hengelo aan de slag.
Gerrit Herman Kleinhout, chef de bureau bij J.H.W.Leliman, haalt Van der Steur vervolgens als ontwerper binnen wanneer hij het bureau van Leliman in 1921 overneemt na diens plotselinge overlijden. De naam blijft op verzoek van de weduwe Leliman ‘Architectenbureau Leliman’, maar wordt in 1930 omgezet in ‘Architectenbureau Kleinhout en Van der Steur’.
Na het overlijden van Kleinhout gaat Van der Steur een samenwerking aan met W.F. Snieder. Wanneer Van der Steur in 1963 sterft, associeert Snieder zich met H.Duyvendak. Met de komst van een derde architect heet het bureau in de periode 1970-1992 Snieder, Duyvendak en Bakker, waarna het bureau overgenomen wordt door J.Snieder, een zoon van W.F.Snieder.
In het vooroorlogse werk van het bureau is de invloed van de Amsterdamse School, van Dudok en de Delftse School terug te zien, waarbij vooral de sobere detaillering opvalt. Na de oorlog hanteert het bureau vooral de traditionele Delftse Schoolstijl bij de ontwerpen voor wederopbouwprojecten. Van der Steur heeft naam gemaakt als restauratiearchitect, bijvoorbeeld voor de Oude en Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 116

                                       

Architektenburo Hans Wagner is 2 januari 1985 opgericht door architect Hans Wagner en werkzaam vanuit Amsterdam.
Projecten: Haag en Veld

                                       

Archivolt architecten is een middelgroot architectenbureau actief op het gebied van nieuwbouw, renovatie en restauratie. Archivolt is actief in alle fasen van het ontwerpproces, van initiatieffase en voorontwerp tot en met uitvoeringsfase en beheer en onderhoud. Ontwerpen is de kern van onze vaardigheden, in coöperatie met andere disciplines strevend naar aan integrale oplossingen. Wij richten ons in het ontwerp impliciet op de totale levensduur van een gebouw met het oog op duurzaamheid, onderhoud en exploitatie.
Archivolt architecten bv vindt zijn oorsprong in het door Hein van Meer in 1962 opgerichte bureau en telt begin 2013 ongeveer 12 medewerkers. In het begin lag het zwaartepunt op woningbouw. Sindsdien is de portefeuille aanzienlijk verbreed en bestaat thans uit woningbouw, onderwijs, maatschappelijke zorginstellingen en utiliteitsbouw met een specialisatie op het gebied van penitentiaire inrichtingen. Dit betreft zowel nieuwbouw, renovatie en herbestemming als restauratie en herstel van cultureel erfgoed. De verbreding en specialisatie heeft plaatsgevonden door verschillende expertises bij elkaar te brengen en zodoende optimaal in te spelen op een nadrukkelijke verschuiving naar herbestemming, renovatie en verduurzaming. Laatstgenoemde categorie , herstel en herbestemming van cultureel erfgoed, heeft een aanzienlijk groei doorgemaakt, mede door de toetreding van nieuwe partners en door overnames van gespecialiseerde bureaus (in 2001 Architectenbureau Peters en Boogers en in 2005 Architektenbureau M. van Haaren B.V.).
Het bureau heeft gaandeweg verschillende namen gehad, aanvankelijk gekoppeld aan de namen van de partners Sinds 2001 is gekozen voor naam “archivolt”, hetgeen gespannen boog betekent, een grensverleggende Romeinse uitvinding in de bouwkunst. De verschillende partners hebben door hun specifieke inbreng bijgedragen aan de ontwikkeling van de bureauvisie en middels uiteenlopende projecten het totale oeuvre van het bureau bepaald.
Projecten: Huntum 16; Kikkenstein

                                       

Baanders, Herman Ambrosius Jan (1876–1953), bekend als H.A.J.Baanders, was een Nederlands architect en ontwerper die een vooraanstaande rol speelde in de Amsterdamse School. Hij ontwierp onder meer het Amsterdams Lyceum. Baanders belangrijkste bijdrage aan de ontwikkeling van de Amsterdamse School was een aantal gebouwen buiten Amsterdam in de vroegste fase van deze bouwstijl. Daarnaast fungeerde zijn architectenbureau als springplank voor de carrières van een reeks prominente architecten van de Amsterdam School, waaronder Michel de Klerk, Cornelis Blaauw, J.Zietsma en Willem Maas.
In 1905 zette Baanders architectenbureau en timmerwerkplaats van zijn overleden vader voort. De eerste vernoeming van Baanders als onafhankelijk architect was in 1906, toen het bureau verhuisde van Ruysdaelkade 27 naar Prinsengracht 955, in een gebouw dat door Baanders zelf was ontworpen. Vanaf 1909 was het bureau gevestigd aan Herengracht 495. Het bureau verhuisde naar het naastgelegen pand, Herengracht 493, in 1924. Na de Tweede Wereldoorlog keerde het bedrijf terug naar Herengracht 495.
In 1906 richtte hij samen met zijn zwager een beleggingsmaatschappij voor onroerend goed op, de Nederlandsche Grondbriefbank. Hij volgde ook Willem Kromhout op als hoofd van het Amsterdamse architectengenootschap Architectura et Amicitia. In 1911 werd zijn broer Jan Baanders compagnon in de firma, en vanaf 1915 heette het bedrijf 'Architectenbureau H.A.J. en Jan Baanders'. Na zijn dood in 1953 nam zijn broer Jan Baanders het bedrijf over als enige directeur.
Projecten: Herengracht 537

                                       

Baanders, Jan (1884-1966) heeft een bouwkundige opleiding aan de Industrieschool te Amsterdam gevolgd, waar hij met Michel de Klerk in hetzelfde leerjaar zit en met hem bevriend raakt. Hij vestigt zich in Nijmegen als zelfstandig architect. In 1911 verrees het eerste ontwerp van Jan aan de Groesbeekseweg 428 dat de naam Mariënboom krijgt. Architectenbureau Baanders o.l.v. Herman groeit zodanig, dat hij de hulp van zijn broer hard nodig heeft. Jan keert eind 1911 terug naar Amsterdam en sinds 1915 opereert het bureau onder de naam 'Architectenbureau H.A.J. en Jan Baanders'. Jan Baanders is lid van Architectura et Amicitia en van de vereniging de 'Koninklijke Industriële Groote Club', een herensociëteit aan de Dam te Amsterdam. Hierdoor krijgt hij opdrachten voor het architectenbureau. In 1953 wordt het bureau onder de naam 'Jan Baanders Sr. en Jan Baanders Jr.' voortgezet.
Projecten:

                                       

Baars, Jacobus S. (25 april 1886-1956), volgde onderwijs aan de HBS en de Ambachtsschool en was daarna werkzaam op diverse niet nader bekende architectenbureaus. Tussen 1912 en 1918 wordt hij in de gemeentelijke adresboeken van Amsterdam vermeld als architect en makelaar. Als zelfstandig architect heeft hij, voor zover valt na te gaan, met name gewerkt voor particuliere en institutionele joodse opdrachtgevers. Baars volgde in 1925 Harry Elte op als bouwkundige in dienst van het Nederlandsch Israëlietisch Armbestuur, nadat Elte tot architect van de Nederlandsch-Israëlitische Hoofdsynagoge benoemd werd. Van 1913 tot 1942 was Baars lid van het genootschap Architectura et Amicitia.
Uit zijn functies bij verschillende joodse instellingen blijkt een grote sociale betrokkenheid. Baars was onder meer bestuurslid van een verzorgingshuis en een kleuterschool. Door onderduik in Friesland overleefde hij met zijn gezin de oorlog. Hij was getrouwd met Rachel Tas (1906-1996) en het echtpaar kreeg drie kinderen. Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ging het Baars op zowel professioneel als privégebied voor de wind. Het kapitale herenhuis annex kantoor dat hij voor zichzelf in de Plantage Franschelaan (tegenwoordig Henri Polaklaan) bouwde, getuigt nog altijd van zijn maatschappelijke welstand en status. Het is bovendien één van de weinige door Baars ontworpen gebouwen die de oorlogsjaren en de periode van de Wederopbouw hebben overleefd.
Het bekende oeuvre van Baars is zeer klein en bestaat uit circa veertig werken. Zijn belangrijkste werk en enige synagoge is de voormalige gemeentesynagoge van de Nederlandsch Israëlietische Hoofdsynagoge ('Synagoge Oost') op de hoek van de Linnaeusstraat en de Polderweg (1927-1928, afgebroken 1962). Baars was wel verantwoordelijk voor de verbouwing van drie zogenaamde verenigingssjoeltjes in de Commelinstraat 16 (1922, gevel nog bestaand), Mauritsstraat 12 (1926, afgebroken) en Sint Antoniesbreestraat 36 (1927, afgebroken 1945). Van de door hem nieuw gebouwde of verbouwde scholen is de nog bestaande Talmud Toraschool in de Tweede Boerhaavestraat het meest bijzonder (1922-1924). Projecten: Commelinstraat 16; Linnaeusstraat 119; Nieuwe Keizersgracht 70; Nieuwe Keizersgracht 116

                                       

ir. Bakker, Klaas (1882-1952), bouwkundig constructeur, werkte veelvuldig samen met Henk Dicke.
Projecten: Keizersgracht 666

                                       

Bazel, de, Karel Petrus Cornelis (Den Helder, 14 februari 1869 - Amsterdam, 28 november 1923) is de zoon van Karel Pieter Cornelis de Bazel en Petronella Elisabeth Koch en was een Nederlands architect, graveur, tekenaar, meubelontwerper, tapijtontwerper, glaskunstenaar en boekbandontwerper. Hij was de eerste voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). Karel was een zoon van Karel Pieter Cornelis de Bazel, conciërge van het Ministerie van Marine, en Petronella Elisabeth Koch. De Bazel kwam uit een eenvoudig milieu en bezocht slechts de lagere school. Hij begon zijn loopbaan als leerjongen bij een timmerman.
Na zijn avondopleiding bouwkunde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag werd hij in 1888 aangesteld als tekenaar bij een Haags architectenbureau. In 1889 werd De Bazel benoemd tot tekenaar op het bureau van P.J.H.Cuypers in Amsterdam. Cuypers, die erg onder de indruk was van zijn perspectieftekeningen van de Sint-Vituskerk te Hilversum en de Sint-Bavokathedraal in Haarlem, bevorderde De Bazel tot opzichter en later tot chef de bureau.
Nadat De Bazel in 1894 lid was geworden van de Theosofische Vereniging kwam het tot een breuk met de katholieke Cuypers.
Karel is op 26-9-1895 gehuwd met Maria Wilhelmina Gesina Oosschot.
In 1895 vormde De Bazel samen met Johannes Ludovicus Mathieu Lauweriks een eigen firma. Tussen 1897 en 1902 gaf hij met hem en met H.J.M.Walenkamp cursussen in de door hen opgerichte theosofische Vahânaloge in Amsterdam (1896-1931) in tekenen, kunstgeschiedenis en esthetica. Hierbij legden zij verbanden tussen een wiskundige architectonische orde, de natuur en de kosmos.
In 1904 richtte hij het beroemd geworden Amsterdamse meubelatelier De Ploeg op. (De Ploegstoffen zijn nog altijd verkrijgbaar). Later was hij, samen met Hendrik Petrus Berlage, voorman van een bouwstijl die kenmerkend zou worden voor de tijd in en na de Eerste Wereldoorlog: het Rationalisme. De bouwkundige ontwerpen van De Bazel worden gekenmerkt door oosterse invloeden.
De Bazel ontwierp onder andere een kantoorgebouw voor de Nederlandsche Handel-Maatschappij, gebouwd 1919-1926, aan de Vijzelstraat 32, waarin ook veel van de elementen in het interieur door hem zijn ontworpen. Het voormalige kantoorgebouw wordt inmiddels naar hem De Bazel genoemd, en huisvest sinds 2007 het stadsarchief van Amsterdam.
In 1921 kreeg hij van de gemeente Bussum de opdracht om een nieuwe woonwijk te ontwerpen, het Brediuskwartier. Dit werd één van de mooiste en meest compleet overgebleven voorbeelden van een woon/villa wijk in Amsterdamse School stijl in Nederland. Op 17 november 2006 is de wijk door het rijk officieel aangewezen als beschermd dorpsgezicht.
De Bazel is niet alleen bekend geworden door zijn werk als bouwkundige, maar hij hield zich ook bezig met het ontwerpen van meubels en gebruiksvoorwerpen. Bekende voorbeelden hiervan zijn de door hem in 1909 vervaardigde wieg voor prinses Juliana en een Pulchrikast die hij ontwierp ter gelegenheid van het huwelijk van Koningin Wilhelmina met prins Hendrik in 1901. Pulchri is een Haagse kunstenaarsvereniging die de kast vulde met 116 aquarellen, tekeningen en bas-reliëfs.
De postzegels ter ere van het eeuwfeest van het koninkrijk in 1913 werden door De Bazel ontworpen. Hiervoor portretteerde hij de koningin en haar drie voorgangers.
Hij bouwde in Amsterdam tussen 1913 en 1916 een aantal arbeiderswoningen in de Spaarndammerbuurt. Tevens was hij één van de spraakmakende ontwerpers van de glasfabriek in Leerdam, die vanaf 1915 kunstenaars inschakelde bij het ontwerpen van gebruiks- en sierglas.
Karel de Bazel overleed op 54-jarige leeftijd in de trein van zijn woonplaats Bussum naar Amsterdam terwijl hij onderweg was naar de begrafenis van zijn collega-architect Michel de Klerk. Hij maakte de voltooiing van één van zijn belangrijkste ontwerpen (het gebouw van de Nederlandsche Handel-Maatschappij) in 1926 niet meer mee.
Projecten:

                                       

Beenhacker, Boudewijn meester-metselaar, bouwmeester.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 15-19

                                       

Berlage, Hendrik Petrus (Hein) (Amsterdam, 21 februari 1856 – Den Haag, 12 augustus 1934) was een invloedrijk architect en stedenbouwkundige. Berlage is geboren aan de Keizersgracht in Amsterdam als kind van welgestelde, liberale ouders. Na zijn kinderjaren verhuisde hij met zijn familie naar Arnhem, waar hij de HBS bezocht. In deze periode overleed zijn moeder en hertrouwde zijn vader. Zijn schoolresultaten gingen achteruit, maar Berlage vond zijn weg uiteindelijk in de architectuur. Hij studeerde van 1874 tot 1875 aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. In die tijd bestaat er in Nederland nog geen opleiding tot architect. Om architect te worden ging men bij een andere architect in de leer. Dit wilde Hendrik Petrus Berlage niet. Doordat hij uit een rijke familie komt, kan hij op zijn negentiende naar Zwitserland vertrekken om daar te leren voor architect. Hier was al wel een school voor architectuur: de Bauschule van het Eidgenössische Polytechnicum, het latere ETH, in Zürich, een technische hogeschool, waar hij in aanraking kwam met de denkbeelden van de architecten Gottfried Semper en Eugène Viollet-le-Duc. In zijn klassieke bouwstijl zijn vooral de theorieën van Semper duidelijk aanwezig. Afsluitend gaat hij nog eens drie jaar op reis door Frankrijk, Duitsland en Italië, waar hij veel leert over architectuur en ideeën opdoet voor latere ontwerpen.
Na zijn studie ging Berlage werken op het bureau van Theodor Sanders, met wie hij zich in 1884 associeerde. Samen ontwierpen ze verschillende gebouwen in neorenaissancestijl, zo onder meer een ontwerp voor de nieuwe Beurs in Amsterdam. Van de 199 ontwerpen die worden instuurt, wordt het ontwerp van Berlage en Sanders één van de vijf winnaars. De opdracht gaat alleen op dat moment niet door omdat het te duur is.
In 1889 gaat Berlage zelfstandig werken. Aanvankelijk ontwierp hij voornamelijk in de toen gebruikelijke neostijlen (winkelpand Focke & Meltzer, Kalverstraat), maar allengs begint hij te experimenteren in een mengvorm van rationalisme en jugendstil. Dit is vooral zichtbaar in de ontwerpen voor de verzekeringsmaatschappij De Nederlanden van 1845, waarvoor hij als huisarchitect werkte, bijvoorbeeld aan het Muntplein te Amsterdam. Deze gebouwen kondigen reeds Berlage's Beurs aan, en zijn ook mede de reden geweest waarom wethouder Willem Treub Berlage naar voren schoof als de architect van de nieuwe Koopmansbeurs in Amsterdam. De stijl van Berlage gaf uiting aan het gedachtegoed dat Berlage en Treub deelden: het radicaal liberalisme, een politieke stroming die als voorloper van de sociaaldemocratie gezien kan worden. Berlage beschouwde zijn laatste werk, het Haags Gemeentemuseum, als zijn beste. Hij heeft de afronding hiervan niet meer meegemaakt. Zijn schoonzoon heeft het afgemaakt.
Vanaf het einde van de 19e eeuw was het rationalisme een belangrijke architectuurstroming. Berlage ontwierp van daaruit de plattegrond van een gebouw, met vlakke bakstenen muren en gebruik van natuursteen ter accentuering van belangrijke punten. De Koopmansbeurs in Amsterdam is Berlage's belangrijkste werk uit deze periode (en van zijn gehele oeuvre) en wordt beschouwd als het begin van de moderne architectuur in Nederland. De stijl werd overgenomen door architecten als Tjeerd Kuipers, Willem Dudok en Alexander Kropholler, die zich er nog lang door lieten inspireren, ook nadat Berlage zelf allang andere wegen was ingeslagen. Het rationalisme kreeg te maken met een tegenbeweging in de vorm van de Amsterdamse School, waarvan de architecten ironisch genoeg een belangrijke rol speelden bij de invulling van Berlage's uitbreidingsplan voor Amsterdam, Plan Zuid.
Veel werken van Berlage bevinden zich in Amsterdam. Belangrijke projecten zijn het gebouw voor 'De Algemeene' (1893) op het Damrak (later C&A), het gebouw voor de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond de Burcht van Berlage (1900), de Beurs van Berlage (1903), het uitbreidingsplan Amsterdam-Zuid (Plan Zuid) (1917), het Mercatorplein (1925) en de Berlagebrug (1928). Maar ook de Berlageblokken, drie woonblokken in de Amsterdamse Indische Buurt, en het Berlage Lyceum aan de Pieter Lodewijk Takstraat.
Ook in het buitenland heeft Berlage sporen nagelaten. Het in 1903 naar zijn ontwerp gebouwde Niederländisches Haus in Leipzig is daar een voorbeeld van.
Voor bijna al zijn gebouwen ontwierp Berlage ook het meubilair, dit ook in de geest van het concept "Gesamtkunstwerk". In 1900 was Berlage betrokken bij de oprichting van 't Binnenhuis, een "verkooplokaal voor kunstnijverheid".
Berlage's gebouwen zijn sober; ze zijn onversierd en hebben simpele vormen. Dit was nieuw in zijn tijd en wordt niet altijd op prijs gesteld. Er werden toen namelijk nog veel gebouwen gemaakt met veel versieringen en decoraties, zoals bijvoorbeeld zuilen in de gevel. Verder gebruikte Berlage veel baksteen als bouwmateriaal. Hij gebruikte ook nieuwe materialen zoals staal. De materialen die hij gebruikte bleven goed zichtbaar binnen het gebouw. Hij verborg deze niet achter bijvoorbeeld een laag stucwerk. Je kunt in zijn gebouwen dus goed zien hoe en waarvan het gebouw is gemaakt. Zijn ontwerpen zijn vaak asymmetrische gebouwen. De torentjes staan niet in het midden maar juist aan de zijkant. Ook dit was vernieuwend in die tijd. Andere architecten kozen juist vaak voor symmetrie.
Hendrik Petrus Berlage behoort met Hermann Muthesius, Henry Van de Velde en Otto Wagner tot de grondleggers van de moderne architectuur in Europa. Berlage is de meest alom aanwezige architect binnen de Nederlandse architectuurgeschiedenis en algemeen wordt aangenomen dat met Berlage de moderne architectuur begint.
Projecten: Gerrit van der Veenstraat

                                       

Bergenthal, C. was de verbouwingsarchitect voor de panden aan de Herengracht 448 tot em met 458 in opdracht van Albert de Bary. Inwendig werden trappenhuizen verplaatst en bij een enkel pand de keuken van het sousterrain verhuisd naar de bovenste verdieping van waar tijdens de lunchpauze een prachtig uitzicht is over Amsterdam. Uitwendig hebben er geen veranderingen plaats gehad.
Projecten: Herengracht 450

                                       

Bleijs, Adrianus Cyriacus (1842-1912) was een Nederlands architect, die een aantal katholieke kerken en andere bouwwerken ontwierp. Hij werd geboren als zoon van een timmerman. Zijn opleiding genoot hij aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Hij kwam in dienst van Pierre Cuypers, onder andere als tekenaar. Na een conflict met Cuypers begon hij zijn eigen kantoor in zijn geboortestad Hoorn. Bleijs was één van de weinige katholieke architecten in die tijd die niet uitsluitend in neogotische stijl bouwde. Naast neogotische kerken bouwde hij ook neoromaanse en neorenaissancistische kerken. Naast veertien kerken ontwierp hij onder andere ook twee Amsterdamse ziekenhuizen en verscheidene woonhuizen en winkelpanden. Hij overleed in Kerkdriel en werd na een uitvaartmis in de door hem ontworpen Sint-Nicolaaskerk, een zeldzaam voorbeeld van neobarok, in Amsterdam op de (later geruimde) begraafplaats De Liefde aan de Bilderdijkstraat begraven.
Projecten: H.H.Nicolaas en Barbara (de Liefde)

                                       

Bout en Pluym architecten. Elsbeth Bout-van Blerkom en Frank Pluym openden een architectenwinkel of ideeënwinkel in het midden van de jaren zeventig in Amsterdam. Elsbeth Bout-van Blerkom is geboren in 1919. In 1938 begon ze aan de opleiding interieurarchitectuur aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Na het voltooien van deze opleiding vervolgde ze met een studie bouwkunde. In 1948 begon zij met Ineke Deenik-Boks een bureau voor interieurarchitectuur onder de naam 'Interieurarchitectenbureau Van Blerkom en Boks', gevestigd aan de Amstel in Amsterdam. Voor 1960 lijkt de samenwerking met Ineke Boks te eindigen. Eind jaren zestig besloot Bout-van Blerkom met haar werk te stoppen en verbrak alle werkcontacten. Na een aantal jaren begon ze opnieuw met interieuropdrachten en volgde de samenwerking met Frank Pluym.
Projecten: Keizersgracht 532

                                       

Breedveld, Philip architect bij Archivolt architecten.
Projecten: Huntum 16

                                       

Brink, van den, Herman Jan (1816-1883). Van den Brink was afkomstig uit Rotterdam. Oorspronkelijk was hij actief als wijnkoper en hield zich slechts als hobby bezig met architectuur. Hij ontwierp zo plannen voor de verbouwing van zijn eigen woning en voor een pastorie van een bevriende pastoor. Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 profiteerde Van den Brink van de snel toenemende vraag naar kerken en andere kerkelijke gebouwen. Zo maakte hij voor aartsbisschop Zwijsen een ontwerp voor het Groot-seminarie Rijsenburg. Zwijsen keurde het ontwerp goed en het seminarie werd gebouwd. Hierop kreeg Van den Brink nog veel meer opdrachten uit de katholieke hoek voor de bouw van kerken, scholen en andere instellingen. In 1859 werd hij benoemd tot hofarchitect van het Aartsbisdom Utrecht. Tussen 1860 en 1861 restaureerde hij de Sint-Catharinakathedraal in Utrecht. De Sint-Eusebiuskerk die hij in 1864 in Arnhem bouwde gold als zijn belangrijkste werk. Hij kreeg echter ook profane opdrachten.
Projecten: Kalverstraat 2

                                       

Bruijn, de, Pi (1942), is in Losser geboren. Pi voltooide in 1967 zijn studie Bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft. Daarna was hij een tijd werkzaam voor de huisvestingsafdeling van de gemeente Amsterdam. Hij was in die jaren betrokken bij het ontwerp van de stadswijk Bijlmermeer.
Hij vestigde zich in 1978 als zelfstandig architect, samen met A.N. Oyevaar en Frans van Gool. In 1988 richtte hij met Frits van Dongen, Carel Weeber en Jan Dirk Peereboom Voller de Architekten Cie. op, waaraan hij sindsdien als partner verbonden is. Van 1993 tot 1998 was hij hoogleraar aan de TU Delft.
De Bruijns eerste gebouw, buurtcentrum Transvaal in Amsterdam, werd onderscheiden met de Merkelbachprijs. Internationaal brak hij door als architect van de nieuwbouw van de Tweede Kamer. In de functie van supervisor en stadsontwerper was hij betrokken bij de ontwikkeling van het Amsterdam ArenAgebied en bij de Amsterdamse Zuidas. Verder maakte hij het ontwerp voor de nieuwe hoofdingang van het Concertgebouw, werkte aan de Kalvertoren en ontwierp Amsterdam Symphony, een hoge woontoren en kantoortoren aan de Zuidas.
Projecten: Heesterveld, Huntum 64, 76

                                       

Coulon, Jean (1678-1760), in Marseille geboren en overleden in Amsterdam. Heeft als tekenaar-architect aan meerdere projecten gewerkt. Hij was samen met Daniël Marot de grondlegger van de Lodewijk XIV stijl in Amsterdam.
Projecten: Herengracht 433; Herengracht 539; Herengracht 495

                                       

Cuypers, Eduard Aanvullende informatie over de Cuypers-dynastie vind u door op de naam te klikken.
Projecten: Keizersgracht 452

                                       

Cuypers, Josephus Theodorus Joannes (Jos) Aanvullende informatie over de Cuypers-dynastie vind u door op de naam te klikken.
Projecten: Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste; Maria Magdalenakerk

                                       

Cuypers, Petrus Josephus Hubertus (Pierre) Aanvullende informatie over de Cuypers-dynastie vind u door op de naam te klikken.
Projecten: H.H. Nicolaas en Barbara (De Liefde); Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste; Maria Magdalenakerk

                                       

Cuypers, Pierre Jean Joseph Michel Aanvullende informatie over de Cuypers-dynastie vind u door op de naam te klikken.
Projecten: Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste

                                       

Dam, Cornelis Gregorius (Cees) is in 1932 geboren in Velsen. Hij volgde de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, waar hij in 1963 afstudeerde, en vestigde in 1964 een architectenbureau te Heemstede, dat in 1968 naar Amsterdam verhuisde. Toen in 1979 werd besloten in Amsterdam een combinatie van stadhuis en muziektheater te bouwen, en architect Bernard Bijvoet plotseling overleed, werd Dam mede-architect, samen met Wilhelm Holzbauer. In 1993 werd hij hoogleraar Architectuur aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft. Op deze faculteit was hij van 1995 tot 1998 decaan.
Cees Dam is weduwnaar van Josephine Holt (Bloemendaal 1940 - Aerdenhout 2005), dochter van de architect Gerard Holt (1904-1988) die samen met Bijvoet werkte aan plannen voor een nieuw stadhuis voor Amsterdam. Zij hebben twee kinderen. Zoon Diederik (1966) is eveneens architect en werkt samen met Cees Dam in Dam & Partners Architecten. Op 30 september 2007 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voor zijn bijzondere verdiensten en vooral zijn inzet voor de architectuur en cultuur als onderdeel van een duurzame samenleving. Ook werd hij geëerd voor zijn inspanningen om de kennis van de bouwkunst te vergroten.
Een selectie van werken van Cees Dam in Amsterdam: Stopera (1986), Winkelcentrum Reigersbos (1984), gebouw Optiebeurs Rokin 65 (1987), restauratie koepel Metz & Co Leidsestraat 34-36 (1986), Dam 3-7 (1987-1991).
Projecten: Huntum 66-71

                                       

DE architecten is in 1976 gestart als architektenbureau Draijer en Engelkes. Sinds 1992 is DE Architekten gevestigd in Delft. DE Architekten is een middelgroot bureau met veel aandacht voor technische uitwerking en detaillering van de projecten.
Projecten: Groeneveen; Hakfort; Huigenbos

                                       

Descombes, Georges is een Zwitserse landschapsarchitect en werkzaam in ‘het landschap’ sinds Parc de Lany (1980-1986) en zijn bijdrage aan de ‘Swiss Path’ (1987-1991), een wandelroute rondom het meer Uri. Andere projecten van zijn bureau Atelier Descombes Rampini is de prijswinnende transformatie van de Aire rivier, het Bijlmermonument in Amsterdam en het Parc de la Cour du Maroc in Parijs.
Projecten: monument Bijlmerramp

                                       

Dicke, Henk A. (1908-1976), architect, bouwde onder meer Studentenhuisvesting Weesperstraat (1966). Hij werkte regelmatig samen met Klaas Bakker.
Projecten: Keizersgracht 666

                                       

Dijkman, Jaap begon, na een studie bouwkunde aan de TU Delft, zijn designcarrière als meubelontwerper en meubelmaker. Zijn studie heeft hij niet afgemaakt. Tijdens zijn studie waren er namelijk voldoende opdrachten en de praktijk lonkte meer dan de theorie. Uiteindelijk heeft Dijkman de nodige titels gekregen op basis van zijn ervaring. Dijkman kijkt wel met een positief gevoel terug op zijn studietijd: ‘Ik heb op school echt een aantal goede leraren gehad. Ik vond ze goed omdat ik het gevoel had dat het interessante mensen waren. Dat ze goed nagedacht hadden over dingen en dat ik een hoop van ze kon leren. Niet zozeer omdat ze mooie gebouwen hebben ontworpen.’
Het denkproces van zijn leraren is hem bijgebleven, zoals later zou blijken toen Dijkman zelf op de Rietveld Academie voor de klas stond. Zijn focus lag niet zozeer op het resultaat van het creatieve proces maar meer op het creatieve proces zelf. Zo vroeg hij studenten twee tafels te maken, een mooie en een lelijke tafel: ‘Eenmaal klaar bleek dat 85 procent van de lelijke tafels als mooi werden ervaren en de mooie tafels waren clichés. De “mooie” tafels zijn niet verrassend meer want we hebben de tafels al gezien in tijdschriften en winkels. Dat ze de “lelijke” tafels uiteindelijk mooi vonden heeft denk ik te maken met het feit dat als je mensen vraagt wat lelijk is, dat het echt uit hun hart komt. Er is namelijk geen standaard voor lelijk. De studenten gingen gewoon tekeer, ze gingen echt iets heel lelijks maken. Prachtig!’
De focus van Dijkman op het creatieve proces is onomstotelijk en duidelijk terug te vinden in meerdere opzichten. Ook als het gaat om inspiratie. Hierin is Dijkman net zo gefocust op het proces en niet op het resultaat of esthetische zaken: ‘Ik kijk eigenlijk nooit in architectuurblaadjes voor inspiratie. De opdrachtgever staat centraal en daar haal ik inspiratie uit. Ik wil al kletsende met mijn opdrachtgever tot iets komen. En dat het ontwerp in een blad staat of al gedaan is, dat zien we wel weer.’ Dijkman gelooft dan ook in twijfel en het uitstellen van een beslissing en ziet dat als een wezenlijk onderdeel van het proces: ‘De essentie van twijfel is al die gesprekken en ideeën op het vuur houden. Hoe langer dat staat te pruttelen, hoe beter dat tot een geheel wordt. Er ontstaat vanzelf een moment dat we zeggen: dat is het! Het is ook een kwestie van hoe je de wereld wilt zien. Ik zie het graag geïntegreerd en niet in hokjes. NRC Media is een ideale opdracht, want ik kan er van alles in kwijt. Het is niet alleen een kantoor maar ook horeca, winkel en een debatruimte. Het is geïntegreerd, een geheel.’
Naast het proces vormt een ander aspect een fundamentele bouwsteen in de werkwijze van Dijkman. Het moet ook vooral leuk zijn volgens hem: ‘Er zijn situaties waarbij ik eerst een paar weken aankijk of het wat wordt. Als ik het gevoel heb dat het niks wordt, dan adviseer ik de opdrachtgever dat hij beter met iemand anders in zee kan gaan. Een project bestaat voor mij namelijk uit twee ontwerpen: het ontwerp van het gebouw zelf en het ontwerp van het proces van het bouwen. Je bent zo'n twee jaar met elkaar bezig. Je ziet elkaar regelmatig dus van beide kanten moet er een goed gevoel zijn anders werkt het niet.’
Jaap Dijkman is wars van designmagazines, mooie designverhalen van ontwerpers of zelfs designklassiekers. Hij is eigenlijk ook niet zozeer met zijn omgeving of zijn reputatie bezig. Hij geniet liever van het moment: ‘Ik heb een ontzettend goed leven met mijn gezin en werk. Het gaat er niet om dat het over 40 jaar leuk is. Het zou natuurlijk fijn zijn als mensen kunnen nagenieten van mijn werk, maar we moeten vooral niet vergeten dat het ook nu goed moet zijn. Kijk naar kunstenaars, wat heeft Van Gogh nu aan zijn werk?’
Projecten: Montelbaanstraat 6

                                       

Does, van der, Cornelis meester-timmerman, bouwmeester.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 15-19

                                       

Dortsman Adriaan (1635–1682) was een telg uit een geslacht van Vlissingse timmerlieden en de architect van de 'strakke stijl' in het Hollandse Classicisme. Na ongeveer 1670 heeft de pilasterarchitectuur afgedaan en komt een stijl van uiterste soberheid tot ontwikkeling. De gevels worden vlak, gesloten en sober. Grote ongebroken vlakken en goede verhoudingen nemen de overhand.
Als architect was hij verantwoordelijk voor het ontwerp van talloze bouwwerken in Amsterdam, waaronder de beroemde ronde Lutherse Kerk aan het Singel en het Walenweeshuis aan de Vijzelgracht. Ook was hij betrokken bij het (ver)bouwen van buitenplaatsen als kasteel Nijenrode. Adriaan Dortsman is echter vooral bekend geworden om zijn woonhuizen met gegroefde, horizontaal gelaagde Bentheimer zandstenen gevels. Karakteristiek voor Dortsman, maar ongebruikelijk voor dubbele huizen, was de gevelindeling in drie vensters.
Adriaan Dortsman was succesvol als architect onder meer door zijn grote veelzijdigheid. In tegenstelling tot collega-architecten had Dortsman niet een achtergrond als schilder, maar was hij opgeleid als landmeter en had hij wiskunde gestudeerd in Leiden. Deze wiskundige achtergrond is goed te zien in de maatvoering van zijn ontwerpen. Dortsman streefde de klassieke idealen na van geometrische vormen, strakke lijnen en symmetrie maar zonder overbodige versiering. Deze stijl bleek zeer succesvol; Dortsman was een veelgevraagd architect. Uit de diversiteit van opdrachten voor kerkgebouwen, grachtenhuizen, landhuizen en vestingwerken die hij in de periode tussen 1665 en 1672 heeft gerealiseerd blijkt dat hij een veelzijdig architect was. Ook de groep van opdrachtgevers was zeer uiteenlopend, waarbij zijn vriendschap met Jan Six cruciaal is geweest voor de uitbreiding van zijn netwerk.
Door stadhouder Willem III werd hij na 1672 aangesteld als 'Controleur der kleine Hollandse Fortificatiën' om Amsterdam beter te kunnen verdedigen tegen de oprukkende legers vanuit het oosten. Ook bij deze aanstelling lijkt zijn vriendschap met Jan Six een rol te hebben gespeeld. Deze kreeg hij namelijk op voorspraak van de Gecommiteerde Raad, waarin de schoonvader van Jan Six, Nicolaes Tulp, zitting had. De aanstelling betekende dat Dortsman leiding moest geven aan de feitelijke werkzaamheden bij het oprichten van vestingwerken. Hij kreeg hiervoor het vorstelijke salaris van ƒ2000 per jaar, ongeveer zeven keer zoveel als een geschoold ambachtsman. Door leidinggevende ingenieurs goed te betalen hoopte de stad hun eerlijkheid te kopen. Bouwfraude was ook toen al aan de orde van de dag, wat gezien de enorme bedragen die er in de bouw omgingen niet onbegrijpelijk was.
Zijn carrière nam in Naarden een minder geslaagd einde. In 1681 werd bij delen van de vestingwerken onregelmatigheden geconstateerd. De muern waren niet onderheid en moesten opnieuw worden gebouwd. Dortsman werd met de fraude in verband gebracht, maar nooit officieel beschuldigd. Na zijn overlijden in 1682 bleek dat zijn werk vermoedelijk was gesaboteerd in opdracht van het bestuur van de stad Amsterdam, die een bedreiging zag in de versterking van Naarden.
Projecten: Herengracht 502; Herengracht 619; Keizersgracht 672; Keizersgracht 674;

                                       

Doornenbal, Kees is architect en sinds 1995 eigenaar van Rappange & Partners architecten te Amsterdam. Hij richt zich op restauraties, herbestemming en binnenstedelijke nieuwbouw. Sinds 2012 is hij als architect verbonden aan MOOI Noord-Holland als lid van de Welstand- en Monumentencommissie Alkmaar en sinds 2015 als lid van de Erfgoedcommissie. Rappange & Partners Architecten b.v. wordt sinds 1996 geleid door Bart Kwant en Kees Doornenbal. Henk Rappange sr. nam het bureau in 1951 over van de architect Jan de Meijer. Hij gaf het de naam Architectenbureau Rappange en droeg het op zijn beurt over aan zijn zoon Henk Rappange jr. rond 1970. Sinds haar oprichting bezit het kantoor een specialisatie in de restauratie van monumenten van velerlei aard, zoals kerken, kastelen, woonhuizen, kantoren, landgoederen, etcetera. Deze traditie wordt tot de dag van vandaag voortgezet en uit zich in een gedegen kennis van de restauratiepraktijk en een goede relatie met restaurerende instellingen en overheden. De laatste tien jaar heeft het bureau haar werkveld verbreed van werken met monumenten naar omgaan met de bestaande gebouwde voorraad in de ruimste zin van het woord. Het bestaande restauratiespecialisme wordt aangevuld met renovatie en (ver)nieuwbouw wat een bredere basis biedt voor de organisatie.
Projecten: Reguliersbreestraat 26-28

                                       

Duinker van der Torre samenwerkende architecten wordt gerund door Margreet Duinker (1953-) en Machiel van der Torre (1946-).
Projecten: Bijlmerdreef 1073-1167

                                       

Elte, Hartog (Harry) (Amsterdam, 3 september 1880 - Theresienstadt, 1 april 1944) was een joods Nederlands architect geboren aan de Nieuwe Herengracht 173. Na het overlijden van zijn ouders wijzigde Elte in 1921 zijn voornaam van Hartog in Harry. Zijn vader Philip Elte (1844-1918) genoot faam als hoofdredacteur van het Nieuw Israelietisch Weekblad. Zijn moeder was Sara Elisabeth Nijburg (1850-1920).
Tussen 1929 en 1942 woonde Elte in een zelfontworpen woning aan de Stadionweg 44 hs.
Hij volgde een opleiding aan de ambachtsschool tot meubelmaker en daarna lessen in de bouwkunde aan de Avondteekenschool voor Handwerksgezellen. Dit ging gepaard met praktisch werk bij verschillende gerenommeerde Amsterdamse architecten: G. van Arkel, H.H. Baanders, J. Herman en Z. Deenik.
Van 1899 tot 1909 was hij in dienst bij H.P.Berlage. Hier maakte hij vooral presentatietekeningen, waarschijnlijk ook van de beurs en het gebouw van de ANDB.
Zijn werk kan gerekend worden tot de Amsterdamse School.
Elte was vooral werkzaam ten behoeve van joodse opdrachtgevers, met name in Amsterdam. Ten minste 88 van zijn ontwerpen werden daadwerkelijk uitgevoerd; hiervan bestaat nog ongeveer de helft.
Elte’s eerste echte gebouw was een zaak voor garen en band in de Jodenbreestraat. Het pand uit 1905 werd in 2001 gesloopt. Zijn eerste grotere opdracht kreeg hij in 1910 van conservenfabriek Puralimento. Het door hem ontworpen complex op de Omval bestond uit een aantal gebouwen, waaronder een directeurswoning. Het complex is eind jaren 80 van de 20ste eeuw afgebroken. In 1910 volgde de Diamantclub Concordia op het Weesperplein, tegenover de nagenoeg gelijktijdig gebouwde Diamantbeurs van Gerrit van Arkel. Concordia werd ook wel de Kleine Diamantbeurs genoemd. Het was een verenigingsgebouw voor, merendeels joodse, diamantwerkers. Het was geen succes en in 1926 werd het verkocht om in 1934 te worden afgebroken.
De doorbraak voor Elte kwam in 1912, toen hij Het Nederlandsch Sportpark, in de volksmond bekend als Het Stadion ontwierp. Hij mocht dit stadion laten bouwen en het werd in 1914 geopend. Het stadion was beroemd, maar werd afgebroken na de Olympische Spelen (1928) voor woningbouw. Leuk detail: de Stadionbuurt, is vernoemd naar het stadion van Elte en niet naar het Olympisch Stadion van Jan Wils.
Vanaf 1907 was Elte architect bij de Portugees Israëlietische Gemeente. In 1912 werd hij architect bij het Nederlandsch Israëlietisch Armbestuur en in 1925 werd hij benoemd tot architect van de Nederlandsch Israëlietische Hoofdsynagoge te Amsterdam. Zijn eerste opdracht betrof de verbouwing/restautatie van de Portugese Synagoge aan het Mr.Visserplein. Zijn belangrijkste werk is de Raw Aron Schustersynagoge (1927) aan het Jacob Obrechtplein in Amsterdam.
In 1929 stichtte hij een aparte firma, het 'Atelier voor Binnenarchitectuur en Sierkunst' voor de bouw van zijn zelf ontworpen meubels. Hij had zijn kantoor aan de Tulpstraat en later in de Schubertstraat.
Vanaf 1 mei 1941 werd het joden door de Duitse bezetters verboden vrije beroepen uit te oefenen ten behoeve van niet-joden. Elte werd gedwongen de leiding van zijn meubelmakerij over te laten aan een Verwalter, die het bedrijf in 1944 liquideerde.
Vanaf 10 september 1942 was Elte gevangene in Kamp Westerbork, waar hij een functie kreeg bij de bouwtechnische dienst. Op 25 februari 1944 werd hij gedeporteerd naar Theresienstadt. Hier overleed hij op 1 april van dat jaar, vermoedelijk aan een longontsteking.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 116

                                       

Gendt, van, Adolf Daniël Nicolaas (1870-1932) was een Nederlands architect. Hij kwam uit een familie waarvan veel leden architect waren. Hij was een zoon van architect Adolf Leonard van Gendt en Elizabeth Fredrika van Elten. Hij leerde het vak achtereenvolgens op de timmerwerkplaats van de aannemer Daniel Schut, op het architectenbureau van G.W.Vixseboxse en in Schotland op het architectenbureau van John James Burnet. In 1894 vormde hij samen met zijn vader en zijn oudere broer Johan Godart van Gendt het bureau A.L. van Gendt en Zonen. Toen hun vader in 1901 overleed, zetten zij dit bureau voort als Gebrs. Van Gendt A.L. zn. Dit bureau had grote bekendheid en heeft veel grote werken uitgevoerd. A.D.N.van Gendt was een autoriteit op het gebied van bank- en administratiegebouwen. Hij heeft echter ook talrijke woonhuizen, villa's en een restaurant ontworpen.
Projecten: Keizersgracht 452

                                       

Gietermans & Van Dijk is een architectenbureau dat in 1996 is ontstaan uit een samenwerking tussen Michiel van Dijk en Wim Gietermans. Michiel van Dijk en Wim Gietermans zijn beide in 1996 afgestudeerd als ir. aan de TU-Delft.
Projecten: Keizersgracht 452

                                       

Gijselingh de Jonge, Jan (1650-1718) was een in Brugge (Vlaanderen) geboren Nederlandse beeldhouwer. Zijn bekendste werk stond in Gouda, twee figuren betreffende de rechtspaak bij het Stadhuis. Maar ook in Amsterdam heeft hij veel werkzaamheden uitgevoerd.
Projecten: Kloveniersburgwal 26

                                       

Gijselingh de Oude, Jan (1629-1667). De Vlaamse beeldhouwer Jan Gijselingh (de oude) kwam van Brugge en vestigde zich in de Noordelijke Nederlanden waar hij leerling- medewerker bij Quellijn is geweest. Jan Gijselingh is nog voor Quellijn overleden maar zijn nagelaten werk vormt één van de mooiste en tevens belangrijkste gevelsculptuur in Amsterdam. Gijselingh werkte veel samen met Jacob van Campen en stadsbouwmeester Daniël Stalpaert op het gebied van de stedelijke ornamentiek. Bij de particuliere woningbouw trekt hij veel op met de broers Justus en Philips Vingboons. Beeldhouwwerk van zijn hand is te zien in het fronton van het Trippenhuis, de frontons van het stadhuis (huidige paleis aan de Dam) en 's Lands Zeemagazijn (nu Scheepvaartmuseum).
Projecten: Kloveniersburgwal 29

                                       

Gosschalk, Izak (Isaac) (1838-1907). Hij was één van de eerste ingenieur-architecten en ook voorzitter van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst en gemeenteraadslid te Amsterdam. Hij werd geboren aan de Nieuwe Herengracht als zoon van een joodse arts. Tussen 1858 en 1862 volgde hij te Zürich de opleiding tot bouwkundige aan de Eidgenössisches Polytechnikum. Vermoedelijk heeft hij daar ook colleges gehad van de internationaal bekende architect Gottfried Semper, bekend van onder meer de eerste Semperoper in Dresden.
Hij trouwde in 1880 met de zeventien jaar jongere lutherse winkeliersdochter Elizabeth Feis. Twee jaar later betrok het echtpaar een van de fraaie stadsvilla’s die Gosschalk had gebouwd op de Weteringschans, tegenover het Rijksmuseum, de nummers 113-129 en 139-151 zijn alle van zijn hand. De familie Gosschalk kwam zelf op nummer 113 te wonen. Zijn naam was toen al gevestigd, vooral dankzij zijn vriend Gerard Adriaan Heineken. Deze legde al op 22-jarige leeftijd de basis voor zijn bierimperium met de overname van brouwerij De Hooiberg. Zeven jaar later, in 1870, verrees aan de Stadhouderskade zijn Stoombierbrouwerij, ontworpen door Gosschalk. Dit pand betekende zijn doorbraak, vooral ook omdat reclamepionier Heineken er vaak afbeeldingen van gebruikte. In de jaren dertig van de vorige eeuw maakte het gebouw plaats voor de huidige biervesting van B.J.Ouëndag, een leerling van Gosschalk.
Dankzij het elegante Panoramagebouw op de Plantage Middenlaan (1880) raakte Gosschalks naam ook buiten architectuurkringen bekend. Naast andere vergezichten was hier twee jaar lang het beroemde Panorama van Mesdag te bezichtigen. Het gebouw bleef tot 1926, als laatste van de Amsterdamse panoramagebouwen, geopend en werd ten slotte na jaren leegstand in 1935 afgebroken. Nu staat er het bejaardentehuis Sint Jacob.
Gosschalk ontwierp nog meer bekende gebouwen in Amsterdam: het koffiehuis/theater Mille Colonnes op het Rembrandtplein (gesloopt in 1922; nu is hier discotheek Escape) en het ziekenhuis van de Nederlands-Israëlitische Gemeente op Nieuwe Keizersgracht 104-106. Andere scheppingen van hem staan er nog: de Groote Club in de Paleisstraat (samen met H.J.van den Brink, 1870-1872), het deftige hotel Die Port van Cleve op de Nieuwezijds Voorburgwal (1888) en de deels gerestaureerde huizen van familie annex timmerbedrijf Deenik op Reguliersgracht 57-59 (1882). Een rij woningen in de Vossiusstraat (op de hoek bij de ingang van het Vondelpark) werd door Carel Willink gebruikt als decor voor een van zijn noodlotsschilderijen.
Anders dan veel tijdgenoten was Gosschalk geen bewonderaar van de toparchitect van zijn tijd, P.J.H.Cuypers, de schepper van het Centraal Station. Hij vond de zeer katholieke bouwmeester aan de ene kant te tierelantijnig, en aan de andere kant een te rechtlijnig denker. Maar ook in deze tegenstelling betoonde Gosschalk zich grootmoedig: als lid van een beoordelingscommissie beval hij juist zijn neogotische rivaal aan voor het uiterst prestigieuze Rijksmuseum.
Niet dat Gosschalk, die geldt als een uitgesproken vertegenwoordiger van het Hollandse neorenaissancisme, wars was van versieringen. Integendeel zelfs: “Een mooie schijn is mij liever dan een lelijke werkelijkheid”, schreef hij in 1867. Maar het moest er niet te dik op liggen: zodra een versiering te nadrukkelijk was toegevoegd aan een op zichzelf compleet geheel, ging het hem te ver. “Een gebouw heeft stijl als het een karakter heeft, als het uitdrukt wat het is, mits het dat doet op een schoone wijze.”
Terug naar het Centraal Station. Isaac Gosschalk was een fel tegenstander van de vestiging van het Centraal Station aan het IJ. Om het Leidseplein als alternatieve locatie kracht bij te zetten ontwierp hij zelfs een geheel nieuw spoortracé tussen Amsterdam en Rotterdam. Toen hij dit pleit verloor trok hij zich niet wrokkig terug, maar dacht mee over de consequenties. Als eerste pleitte hij in 1872 voor het dempen van het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal om het kolossale nieuwe station bereikbaar te maken. Zo’n drastische aanpak was in de geest van “onze praktische en doortastende voorvaders” uit de 17de eeuw, vond hij.
Gosschalk nam zitting in de gemeenteraad, waar hij twaalf jaar lang (van 1875 tot 1887) veel energie stak in zaken die zijn vakgebied raakten. Zo hebben we het aan hem te danken dat het Weteringplantsoen niet twintig, maar dertig meter breed is.
Voorts ontwierp hij de Wester- en Oostergasfabriek. Twee kolossale fabrieken die hij verbluffend snel na elkaar bouwde. De Westergasfabriek aan de Haarlemmerweg verrees in de periode 1883-1885 en omvat maar liefst zestien gebouwen, die samen de grootste collectie-Gosschalk vormen. Ze staan allemaal op de Rijksmonumentenlijst. De Westergasfabriek was de grootste steenkolengasfabriek van Amsterdam, en de bijbehorende gashouder was de grootste van Nederland. De fabriek bleef tot 1967 in bedrijf.
De Oostergasfabriek aan de Polderweg is een even groot complex uit de periode 1885 tot 1887. Deze fabriek is slechts tot 1923 in bedrijf geweest. Het elektrificeren van de straatverlichting vanaf 1917 deed de vraag naar gas teruglopen. Inmiddels hebben de gebouwen tal van nieuwe bestemmingen: zo is de steenkoolstokerij nu Sportfondsenbad en de ammoniakfabriek dierenasiel, de ingenieurswoning was tot voor kort politiebureau. In 2008 liggen er nieuwe plannen voor het terrein: er komt een nieuw centrum voor het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, met winkels, woningen, scholen, een stadsdeelkantoor, een danstheater op het fundament van de gashouder en een grand café in de ingenieurswoning.
Het terrein van de Westergasfabriek is door de Amerikaanse landschapsarchitecte Kathryn Gustafson omgetoverd tot een nieuw Westerpark. De prachtige gebouwen van Gosschalk, opgeknapt door Francine Houben, hebben allemaal een herbestemming gekregen in de culturele sfeer of als stadsdeelkantoor.
Isaac Gosschalk kon zich erg opwinden over de bouwstijl die tegenwoordig wel Hollands eclecticisme wordt genoemd: vlees noch vis, zoals de naam al aangeeft. Voorbeelden staan in de Amsterdamse Plantage. Gosschalk in 1867: “Men stapelt van slechten steen een muur op, brengt er balkjes in als zwavelstokken en vloertjes als papier; van de gaten die men uitspaart, groeit hier een deur, dáár een venster. Is men zoover gevorderd, dan treft men een overeenkomst met den stukadoor, die alles met een laag pleister volsmeert, aan de ramen profielen trekt, hier schiftingen en daar voegen hakt. Eindelijk gaat men naar een magazijn met surrogaten, kiest zich een kuif en een lijst en een wapentje en een consoletje, en bevestigt dat met ijzer- of koperdraad aan den gevel. Het gebouw is klaar, de architekt geprezen.”
Projecten: Herengracht 500; Kalverstraat 2; Nieuwe Keizersgracht 104-114

                                       

Groet, Jacob (1926-) gaat in 1973 tijdelijke een samenwerking aan met A.C.Kromhout voor de bouw van meerdere flatgebouwen in Amsterdam-Noord en de Bijlmermeer.
Projecten: Dennenrode

                                       

Grolle, J.H.
Projecten: Keizersgracht 532

                                       

Hamer, Peter Johannes (1812-1887) was in de beginperiode van de volkshuisvesting in Amsterdam (1850-1870) een toonaangevende architect, naar wiens ontwerpen de eerste woningbouwvereniging van Nederland, de Vereeniging ten behoeven der Arbeidersklasse te Amsterdam (VAK) vele honderden betaalbare arbeiderswoningen bouwde.
Daarmee bepaalde hij mede het gezicht van de filantropische woningbouw in de tweede helft van de 19e eeuw. Hij was de zoon van de Alkmaarse stadsarchitect Willem Hamer sr. (1773-1858). Op 23 februari 1840 trouwde hij in Egmond-Binnen met Bernardina Cornelia Huijser van Reenen, dochter van een plaatselijke predikant. Hun zoon Willem Hamer jr. (1843-1913) trad in de voetsporen van zijn grootvader en vader als architect.
Hamer werd in 1839 aangesteld als opzichter van de gebouwen van de Hervormde Gemeente in Amsterdam, een functie die hij 40 jaar lang bleef doen. Hij verbouwde in die periode enkele diakonie-scholen. Hamer ontwierp ook een inmiddels afgebroken aanbouw van de Nieuwe Kerk aan de Dam. De Amstelkerk werd onder zijn leiding van binnen verbouwd. In 1844 was hij verantwoordelijk voor de opknapbeurt van de Oude Kerk.
Arbeiderswoningen vormden rond het midden van de negentiende eeuw een nog onontgonnen terrein voor architecten. Er waren aanvankelijk geen opdrachtgevers die arbeiderswoningen wilden laten bouwen, omdat het geen rendabele investering was. Bovendien viel er weinig eer te behalen met panden die waarschijnlijk zo goedkoop mogelijk gebouwd zouden moeten worden. Voor architecten bleek het een lastige opgave om met een minimaal budget en een zeer strikt programma van eisen iets moois te maken. Pleidooien voor de bouw van arbeiderswoningen kwamen aanvankelijk uit het buitenland. De bekende Engelse architect Henry Roberts (1803-1876) brak een lans voor het bouwen van arbeiderswoningen. Volgens Roberts was het wel een hele eer als architecten met een studiebeurs uit Rome terugkwamen met tekeningen van paleizen, maar nog veel eervoller als zij zich zouden inzetten voor de bestrijding van de vochtigheid die zoveel huizen ongezond maakten.
De Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst probeerde in Nederland interesse op te wekken bij architecten voor het vraagstuk van goede arbeiderswoningen door in 1851 een prijsvraag uit te schrijven. Op 15 juni 1853 werd Pieter Hamer gekozen in het bestuur. Hij had toen al zitting in een commissie die alle inzendingen voor die prijsvraag moest beoordelen. Mogelijk werd zijn interesse voor dit onderwerp gewekt tijdens deze vergaderingen.
De prijsvraag werd gewonnen door de architect Jan Leliman (1828-1910) maar vooral Hamer ging zich intensief met volkshuisvesting bezighouden. Hij was de vaste architect van een aantal woningbouwverenigingen, onder andere de VAK en Bouwmaatschappij Concordia NV, voor wie hij voornamelijk in de Jordaan heeft gebouwd. Met zijn ontwerp voor het eerste modelblok met arbeiderswoningen aan het Smalle Pad (Planciusstraat) zette hij de standaard voor alle latere ontwerpen van dit type bouwwerken.
De bouw van goede arbeiderswoningen die arbeiders met hun lage lonen zouden kunnen betalen, bleef in de 19e eeuw zeer problematisch. Uiterste eenvoud was geboden. Hamer was daarin een meester: ‘eenvoud en degelijkheid’, zo schreef De Opmerker in 1887 bij zijn overlijden, ‘waren de grondtrekken van zijn karakter en ook in alles wat hij construeerde, tot in de minste onderdelen, reikte zijn zorg voor een goede uitvoering’. Heel veel woningen die Hamer in de 19e eeuw bouwde, bestaan nog steeds en hebben inmiddels de status van rijksmonument of gemeentelijk monument, als vroege voorbeelden van de filantropische woningbouw.
Voorbeelden van zijn bouwkunst zijn te vinden aan de
Eerste Jacob van Campenstraat 1 (1875-1876),
Willemsstraat 149-165 Constantia-woningen (1863-1864),
Osdorperweg 22 Sloterkerk,
Berenstraat 7 Amsterdams Welvaren (1864).
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 9a-f

                                       

Hart, van der, Abraham (1747-1820). Vanaf 1777 tot zijn dood in 1820 was Van der Hart stadsbouwmeester van Amsterdam. Er kwamen verschillende grote werken tot stand onder zijn stadsbouwmeesterschap. Zo realiseerde hij onder meer het Maagdenhuis en het Nieuwe Werkhuis, sinds 1978 Dr.Sarphatihuis genaamd, allebei uitgevoerd in een classicistische stijl. Ook werden onder zijn leiding in 1829 gezichtsbepalende Amsterdamse torens gesloopt als de Jan Roodenpoortstoren en de Haringpakkerstoren. Zijn werk werd getypeerd als een zeer gereserveerd gebruik van architectonische elementen en het effect van zijn voorname gevels berust geheel op de goede verhoudingen. Van der Hart werd als stadsbouwmeester opgevolgd door Jan de Greef.
Projecten: Herengracht 502; Kloveniersburgwal 29; Lauriergracht 116

                                       

Hartkamp, J.W.F.
Projecten: Nieuwe Herengracht 37

                                       

Haverkamp, D.H.(1850-1920) begon op het bureau van de Amsterdamse Kanaalmaatschappij bij ingenieur Justus Dirks. In 1877 ging Haverkamp werken op het bureau van P.J.H.Cuypers die bezig was met de bouw van het Rijksmuseum. Daar leerde hij zijn latere compagnon Theodoor Gerard Schill kennen. Het zou leiden tot de oprichting van het bureau Schill & Haverkamp van waaruit zij altijd samen hebben ontworpen. Het duo bracht een professionele differentiatie aan binnen het bureau.
Van de oprichting in 1901 tot 1910 was Haverkamp mederedacteur van het bouwkundige tijdschrift De Bouwwereld.
Projecten: Kalverstraat 2

                                       

Heeswijk, van, Hans (1952-) studeerde in 1980 af als bouwkundig ingenieur aan de TU Delft, waar zijn afstudeermentor architect Herman Hertzberger was. Voor zijn afstudeerplan 'Stadsvernieuwing op Wittenburg' kreeg hij de faculteitsprijs van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Met zijn afstudeerontwerp won hij de Archiprix in 1980. Hierna werkte hij enige jaren voor architect Aldo van Eyck. In 1985 vestigde hij het bureau 'Hans van Heeswijk architecten' in Amsterdam. Van 1988 tot 2002 was Van Heeswijk gastdocent aan de Academie van Bouwkunst Amsterdam.
In Amsterdam voerde hij verschillende renovaties en nieuwbouwprojecten uit. Renovaties waren de Zuiderkerk tot gemeentelijk informatiecentrum, verpleeghuis Amstelhof tot museum Hermitage Amsterdam, renovatie van drie woongebouwen aan het Waterlandplein in Amsterdam-Noord. Andere projecten: kantoortorens aan het Rietlandpark, het Cultureel Educatief Centrum Ganzenhoef, het Rieteilandhuis op IJburg, het kantorencomplex Piet Hein Buildings en het entreegebouw van het Van Gogh Museum.
Projecten: Dennenrode

                                       

Hegener, Jos P.I. (1864-1933), was een Nederlands architect die werd opgeleid bij Pierre Cuypers en ging daarna in 1884 naar de Koninklijke Academie van Antwerpen om zijn opleiding te voltooien. Hij heeft meegewerkt aan het Rijksmuseum in Amsterdam. Kenmerkend voor zijn werk is het gebruik van gele steen. Jean Desmet verleende hem in 1909 opdracht voor het ontwerpen van Cinema Parisien in een bestaand pand aan de Nieuwendijk. In 1988 werd het gebouw gesloopt voor de nieuwbouw van de uitbreiding van het Victoria Hotel aan de Prins Hendrikkade. Daarnaast heeft hij een aantal (winkel)woonhuizen, onder meer in de Utrechtsestraat de Korte Prinsengracht en Haarlemmerstraat 83 (1906), en verbouwingen op zijn naam staan.
Projecten: Keizersgracht 87

                                       

Herzberger, Herman (1932-), studeerde aan de Technische Hogeschool in Delft, waar hij in 1958 afstudeerde. Meteen na zijn studie zette hij zijn eigen bureau op. Van 1959 tot 1964 zat hij in de redactie van het tijdschrift Forum, samen met Aldo van Eyck, Jaap Bakema en anderen. Van 1959 tot 1969 was hij docent aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam en van 1970 tot 1999 hoogleraar aan de TU Delft.
Hertzberger is altijd trouw gebleven aan "Het verhaal van een andere gedachte", het manifest waarmee in 1959 een nieuwe redactie aantrad van het tijdschrift Forum. Die "andere gedachte" verzette zich tegen het bloedeloze functionalisme van de wederopbouw dat, aldus de redactie, tot een kille en fantasieloze architectuur had geleid. Meer dan een architectuur en stedenbouw van functies stond zij een architectuur van (menselijke) relaties voor; een architectuur van ontmoeting en vervlechting. Hertzberger neemt dit principe in zijn eerste ontwerpen als uitgangspunt; altijd proberen zijn ontwerpen het ontmoeten van mensen te stimuleren en een meervoudig gebruik van de architectuur mogelijk te maken. De ontwerpfilosofie die hij daarbij hanteerde wordt ook wel structuralisme genoemd.
Hertzberger ontving verschillende nationale en internationale prijzen en onderscheidingen, waaronder twee keer de scholenbouwprijs (2000 en 2004) en de Oeuvreprijs Architectuur van het Fonds BKVB in 2004. Eveneens in 2004 een Honorary Fellowship van het American Institute of Architects. Uit het juryrapport: "... he has changed the way other architects view large urban projects by his mastery of making places human in scale." In 2012 ontving hij The Royal Gold Medal van de RIBA (Royal Institute of British Architects) als zesde Nederlandse architect ooit voor zijn bijdrage aan de architectuur. In 2012 werd hij door zijn collega's uitgeroepen tot beste Nederlandse architect, waarop hij zei: "Dit vak is een verslaving, en ik ben zwaar verslaafd."
Van zijn hand zijn onder meer het studentenhuis in de Weesperstraat (1966) en twee schoolgebouwen aan de Apollolaan (1983).
Bij de presentatie van Bernard Hulsmans boek ‘Apenrotsen’ in 2017 uitte Herzberger kritiek op de actuele stadsarchitectuur. Hij deed een gepassioneerde oproep voor betere architectuur in Nederland: „Niet alleen kleine hokjes voor drie ton bouwen voor expats waar je in de keuken slapen moet, waar Amsterdam en Den Haag nu mee volgebouwd worden. Maak ruimte voor woningen. Bouw zo dat er ook gezinnen in je gebouwen kunnen wonen in de stad. Want de vluchtelingen gaan komen, en de baby’s gaan komen. Architectuur moet beter. En opdrachtgevers moeten daar ook aan meewerken.” „Architectuur is tegenwoordig foute boel,” zei Hertzberger, „en dat komt ook door de opdrachtgevers. Die willen met minimale middelen zoveel mogelijk geld verdienen. Hoogbouw, tot 20 verdiepingen hoog, vol kleine hokjes. Architecten leveren tegenwoordig het behangsel voor het neoliberalisme.”
Projecten: monument Bijlmerramp

                                       

Hoedemakers, Marie-Laure (1970-) is landschapsarchitect. Zij studeerde in 1995, na een studiejaar aan de IUAV in Venetië, af aan de Landbouw Universiteit Wageningen. Ze werkte bij Bureau Alle Hosper, landschapsarchitectuur en stedebouw en bij Karres en Brands landschapsarchitecten. Bij dit laatste bureau werkte ze aan het winnende prijsvraagontwerp voor Federation Square in Melbourne, Australië. Tussen 1998 en 2003 werkte ze in Melbourne aan de realisatie van Federation Square, was ze medeoprichter van DEEPend landscape architects en doceerde ze landschapsarchitectuur aan RMIT University in Melbourne. Na terugkeer in Nederland werkte ze bij Vista landscape and urban design. Voordat ze in dienst trad bij Lodewijk Baljon landschapsarchitecten was ze zelfstandig landschapsarchitect met projecten als de herinrichting van het Bijlmerpark, de integrale ruimtelijke visie op de Admiralengracht. Sinds 2007 is zij gastdocent aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam, de Academie voor Architectuur en Stedenbouw in Tilburg en de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht.
Projecten: Nelson Mandelapark

                                       

ir.Hoen, 't, H., architect in dienst van Publieke Werken Amsterdam.
Projecten: Herengracht 34

                                       

Hoeneker, Coenraat, meester-metselaar, bouwmeester.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 120

                                       

Houben, Francine, 1955. Houben studeerde bouwkunde aan de TU Delft. In 1981 won ze de prijsvraag jongerenhuisvesting Rotterdam, samen met twee medestudenten. In 2008 kreeg Houben de Prix Veuve Clicquot voor Business Woman of the Year Award (Zakenvrouw van het jaar) voor de professionele organisatie van haar bedrijf. In 2010 werd ze benoemd als lid van de Akademie Der Künste in Berlijn, Afdeling Architectuur. Eind 2011 verscheen Houben's boek Dutch Mountains, een reportage over acht Mecanoo projecten uit vijf verschillende landen en over haar leven in de internationale architectuur. In 2014 werd Houben benoemd tot lid van de Akademie van Kunsten. In december 2015 ontving zij de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs 2015. De Universiteit Utrecht benoemde haar in 2016 tot eredoctor. Francine Houben is architect-directeur en een van de oprichters van Mecanoo architecten in Delft en zij geeft lezingen over de hele wereld
Projecten: Nelson Mandelapark

                                       

Houten, van, Eelke (1872-1970), was bouwkundig (hoofd)inspecteur bij het Gemeentelijke Bouw- en Woningtoezicht. Hij ijverde vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw voor het behoud en de herplaatsing van historische geveltoppen van gesloopte Amsterdamse woonhuizen. Van Houten vond omstreeks 1912 de plaatwerken van het in de vergetelheid geraakte Grachtenboek van Caspar Philips terug. Dit sloot goed aan bij het besluit in 1909 door Publieke Werken en op aandringen van het Genootschap Amstelodamum om de zeventiende- en achttiende-eeuwse gevelornamenten te bewaren. Door toedoen van Eelke Van Houten zijn in de jaren twintig en dertig circa tweehonderd natuurstenen toppen op eenvoudige, nieuw gebouwde gevels herplaatst. De opeenvolgende Rijkscommissies voor monumenteninventarisatie en monumentenzorg hadden in hun begintijd begrijpelijkerwijs alleen aandacht voor grote monumenten als kerken, raadhuizen en koopmanshuizen. De minder aanzienlijke panden in de Jordaan, de middeleeuwse stad en de zijstraatjes van de grachtengordel kwamen toen nog niet in aanmerking voor restauratie. De zogenaamde Van Houtenpanden zijn dan ook panden die volgens de bepalingen van de Woningwet zijn herbouwd of nieuw ontworpen gebouwen die we nu historiserende architectuur zouden noemen. . Omdat ze zich hebben gevoegd in de gevelwanden, zouden we deze panden vandaag de dag echter niet meer willen missen. Dat is misschien wel de belangrijkste verdienste van de bouwinspecteur: de Van Houten-panden zijn van grote betekenis voor het stadsbeeld en de stedenbouwkundige structuur.
Projecten: Herengracht 246

                                       

Husly, Jacob Otten (1738-1796), was een veelzijdig architect met een grote staat van dienst. Hij had bouwkunst gestudeerd in Parijs, en was één van de oprichters van de Amsterdamse Tekenacademie. Een aantal belangrijke gebouwen in de strenge, classicistische Lodewijk XVI-stijl staan op zijn naam, waaronder Felix Meritis aan de Keizersgracht en de raadhuizen van Weesp en Groningen.
Projecten: Herengracht 40

                                       

Inbo is in 1962 door architect Klaas Geerts (1932-2002) opgericht als Ontwerp- en Constructiebureau voor Industriële Bouw (INBO N.V.) dat hij samen met Han Markerink in 1961 in Zaandam was begonnen. Het bedrijf ontwikkelde de prefab-methode waarmee vele wijken zijn gebouwd. Nu is het hoofdkantoor gevestigd in Woudenberg en er zijn vestigingen in Amsterdam, Heerenveen, Eindhoven, Rotterdam en Shanghai. Oorspronkelijk werd gewerkt voor een klein aantal fabrikanten die industriële woningbouw wilden realiseren in Nederland. Tussen 1965 en 1975 werd een aantal grote woonwijken vormgegeven. In de loop der jaren is het werkterrein van Inbo uitgebreid met utiliteitsopdrachten en bredere advies- en onderzoeksactiviteiten. Ondanks de economische neergang wist Inbo in de jaren tachtig zijn marktpositie te vergroten en te verbreden door zich te richten op de plaatselijke markt. De adviesgroep werd een structureel onderdeel van het bureau.
In november 2015 opende het bedrijf een kantoor in Shanghai, nadat het in 2013 een grote opdracht in deze stad had gekregen.
Projecten: Groeneveen; Hakfort; Huigenbos; Kikkenstein

                                       

Janssen, Ronald Van 1994 tot aan de start van zijn bureau in 1999 werkte Ronald Janssen als projectarchitect achtereenvolgens bij JHK architecten en Claus en Kaan Architecten. Ronald Janssen Architecten is actief op het gebied van stedenbouw, architectuur, interieur en tranformatie. Voor de transformatie van de tandwielenfabriek kreeg hij de Arie Kepplerprijs 2016, de Geurt Brinkgrevebokaal 2015 en in 2015 de nominatie voor de Zuidkerkprijs.
Projecten: Nieuwe Ridderstraat 43-53

                                       

Jantzen F.Gzn, Ferdinand Bernardus (1895-1987). Hij volgde de in zijn tijd gebruikelijke combinatie van een opleiding aan de ambachtsschool met praktijkwerk op architectenbureaus. Aansluitend volgde hij het avondonderwijs aan de in 1908 door W.Kromhout en A.J.Derkinderen opgerichte opleiding Voortgezet en Hooger Bouwkunst Onderricht van het Genootschap Architectura et Amicitia. Daar studeerde hij af bij Jan Gratama. Jantzen werkte op de bureaus van C.B.Posthumus Meijes, Ed.Cuypers, H.A.J. en J.Baanders en van A.D.N.van Gendt. In 1920 vestigde hij zich als zelfstandig architect. Van 1919 tot 1932 was hij als architect lid van het genootschap "Architectura et Amicitia".
Jantzen ontwierp het kerkelijk dienstgebouw Pniël aan de Marnixstraat 81-83 (1922), en woningen en winkels op de hoek Amstelveensweg-Kalfjeslaan (1930). Hij ontwierp meerdere kerken, waaronder in Amsterdam de kerk 'Westerwijk' met bovenliggende woningen aan de Admiraal de Ruyterweg (1926), de Jeruzalemkerk aan het Jan Mayenplein (1929) en de Augustanakerk (1957).
Zijn oeuvre van voor 1940 wordt gekenmerkt door een persoonlijke interpretatie van het idioom van de Amsterdamse School, geïnspireerd op het expressionistisch kubisme van Frank Lloyd Wright.
Projecten: Dintelstraat 134, Eerste Hugo de Grootstraat 13

                                       

Jong, de, Hijman Louis (1882-1944). De Jong ontwikkelde zich van timmermansleerling en meubelmaker tot architect. Hij heeft als tekenaar bij P.H.Berlage gewerkt. Hij heeft meerdere woningen in Amsterdam ontworpen onder andere aan de Hacquartstraat 15-17, De Lairessestraat 104-128, de Reinier Claeszenstraat, de Willem de Zwijgerlaan, de Jan van Galenstraat en de Sophialaan. Hij ontwierp omstreeks 1920 het bouwplan voor de Amsterdamse bioscoop Tuschinski. Vanwege problemen met Abraham Tuschinski kreeg hij niet de gelegenheid om zijn ontwerp te voltooien. Tuschinski schakelde tijdens de bouw een andere architect in. Het conflict leidde tot een rechtszaak tussen De Jong en Tuschinski. Het conflict met Abraham Tuschinski ging over de betaling van het door hem verrichte werk, wat heeft geleid tot het minimaliseren van de inbreng die hij heeft gehad in het uiteindelijke ontwerp. Het ging hem vaker niet voor de wind want op 12 juni 1931 is hij failliet verklaard, wellicht ten gevolge van de in dat jaar uitgesproken tussen hem en zijn vrouw met wie hij 24 getrouwd was.
De Jong werd door de Duitsers op 14 februari 1944 op transport gezet naar Westerbork waarvandaan hij schreef ‘ïk heb nooit iets misdaan maar ben toch gevangen genomen maar het heeft ook wat positiefs want zo zie ik nog eens iets van de wereld’. Vandaar ging het naar Theresiënstadt en vervolgens naar Auschwitz, waar hij op 30 oktober 1944 werd vergast.
Projecten: Herengracht 613; Reguliersbreestraat 26-28

                                       

Jurriaen timmerman. In de Gouden Eeuw was het beroep van architect zoals we dat nu kennen nog niet bekend, de meeste bouwmeesters waren timmerman.
Projecten: Keizersgracht 203

                                       

Keyser jr, de, Hendrick (1613-1665), (de jonge) was de vierde zoon van de beroemde architect en beeldhouwer Hendrick de Keyser (de oude). De jonge Hendrick werd in Amsterdam geboren en ging op zijn twintigste naar Londen. Daar werkte hij tot 1647 in de werkplaats van de beeldhouwer en architect Nicholas Stone, zijn zwager (Stone was getrouwd met Hendricks zus Maria). In 1647 kwam De Keyser terug naar Amsterdam, alwaar hij zich liet inschrijven in het metselaarsgilde.
Projecten: Kloveniersburgwal 29

                                       

Keyser sr, de, Hendrick (1565-1621), bijgenaamd "de oude", was een Amsterdamse architect en beeldhouwer. Hendrick de Keyser bouwde in een typische, zelfs Amsterdamse, renaissancestijl. Hendrick de Keyser kwam uit een geslacht van beeldhouwers. Hij was een leerling van de Utrechtse beeldhouwer Cornelis Bloemaert. De Keyser ging omstreeks 1590 met Bloemaert mee naar Amsterdam. Tijdens een verblijf in Londen werd hij beïnvloed door Inigo Jones, die zijn classicistische inspiratie op zijn reis naar Rome had opgedaan. De Keyser werd in 1595 stadsarchitect en stadssteenhouwer in Amsterdam, waar hij verschillende gebouwen ontwierp. Daartoe behoren het Oost-Indisch Huis, het Bestuurs- en administratiekantoor van de voormalige V.O.C. en de Westerkerk met de beroemde Westertoren, die na zijn dood door zijn zoon Pieter werd voltooid en zijn beroemdste werk zou worden. Naast deze gebouwen ontwierp en bouwde hij ook woonhuizen voor rijke particulieren. Beroemd zijn het mogelijk door hem voltooide Huis met de Hoofden en het Huis Bartolotti. Of het Huis Bartolotti van zijn hand is wordt van verschillende kanten betwist. Daarnaast heeft hij nog in vele andere plaatsen gebouwd en gebeeldhouwd. De stijl van De Keyser is rijk en herkenbaar, met veel losse elementen van witte steen in gevels van rode baksteen. Kenmerkend zijn de kleine pilasters, kroonlijsten, frontons en decoratieve elementen als vazen en zelfs al even monumentale pinakels
Na zijn overlijden is hij begraven in de door hem ontworpen Zuiderkerk. Zijn grafsteen is er nog steeds aanwezig. Op 10 juni 2009 ging in de Zuiderkerk een verbouwing van start om de grafzerk van Henrick de Keyser weer aan de oppervlakte te krijgen.
Van de zonen van Hendrick de Keyser werden Pieter de Keyser (1595-1676), Willem de Keyser (1603->1674) en Hendrick de Keyser jr (1613-1665) beeldhouwer. Thomas de Keyser (ca.1596-1667) werd een bekend kunstschilder.
Projecten: Keizersgracht 123

                                       

Keyser, de, Pieter (1595-1676) was een Nederlandse bouwmeester en beeldhouwer. Hij volgde zijn vader Hendrick de Keyser op en voltooide na zijn vaders dood een aantal van diens bouwwerken. In opdracht van zijn vader overzag Pieter de Keyser rond 1617 de bouw van het Huis Bartolotti aan de Herengracht. Na de dood van zijn vader in 1621 nam hij diens functie over als stadssteenhouwer en voltooide de Westerkerk en Noorderkerk en het Huis met de Hoofden op de Keizersgracht. Ook buiten Amsterdam voltooide hij nog werkzaamheden van zijn vader. Andere Amsterdamse bouwwerken van zijn hand waren onder meer de Saaihal (1641) in de Staalstraat en de galerij en jongensschool van het Burgerweeshuis, nu het Amsterdam Museum. Het Accijnshuis (1637) wordt meestal toegerekend aan Jacob van Campen maar was mogelijk een ontwerp van Pieter de Keyser.
Projecten: Keizersgracht 123

                                       

Kesper, Neil heeft jarenlang als tekenaar gewerkt bij het gemeentelijk Bureau Monumentenzorg en is in 2001 voor zichzelf begonnen met Architectenbureau Lines B.V.
Projecten: Keizersgracht 532

                                       

Klaphout, D.C. als ir., architect en ontwerper was hij vooral actief als aannemer. Hij werd door Abraham Tuschinski aangezocht om de plaats van de in onmin geraakte Hijman Louis de Jong in te vullen bij de bouw van het Theater Tuschinski.
Projecten: Reguliersbreestraat 26-28

                                       

Klerk, de, Michel is een Nederlands architect (24 november 1884 – 24 november 1923). Hij is een zoon van de dan inmiddels 78-jarige diamantslijper Joseph Leman de Klerk en Rebekka Roeper. Michel is het 25e kind. De Klerk groeit op onder armoedige omstandigheden in de Amsterdamse Jodenbuurt. Na de dood van zijn vader wordt het weinige dat er over was door een broer van zijn moeder verkwanseld en moet zijn moeder als wasvrouw het gezin zien te onderhouden. In korte tijd verhuist het gezin minstens acht keer in de Jodenbuurt. Dit zou de opmaat kunnen zijn van een sombere en donkere architectuur maar niets is minder waar.
Doordat hij op de lagere school over een groot tekentalent bleek te beschikken, kon hij een vervolgopleiding volgen op de ambachtsschool. In 1898 nam architect Eduard Cuypers hem in dienst als hulpje. Eduard Cuypers had een groot bureau waar zowel kunstnijverheid als architectuurontwerpen werden gemaakt. De Klerk was bij aanvang van zijn dienstbetrekking amper veertien jaar oud. Hij zou twaalf jaar op het bureau van Cuypers blijven werken. Hier werkten ook Van der Mey en Kramer, waardoor later op dit bureau de kiem kon worden gelegd voor de bouwstijl van de Amsterdamse School.
Hoewel Cuypers een erg traditionele architect was, liet hij zijn medewerkers veel vrijheid en bood ze toegang tot zijn omvangrijke bibliotheek. Cuypers besteedde bovendien extra aandacht aan De Klerk en liet hem een opleiding tot bouwkundig tekenaar volgen. In dit klimaat kon De Klerk (en diens collega's) zijn talent verder ontwikkelen.
In 1910 trouwde De Klerk met Lea, de secretaresse van Cuypers. In hetzelfde jaar maakte hij een studiereis door Scandinavië en vestigde De Klerk zich als bouwkundig tekenaar in Sloten. Het echtpaar kreeg twee zonen.
Zijn eerste uitgevoerde opdracht was een huis in Uithoorn in 1911.
Architect en projectontwikkelaar H.A.J.Baanders bezorgde De Klerk daarna de opdracht voor het ontwerpen van een blok arbeiderswoningen aan het Johannes Vermeerplein in Amsterdam. Door deze opdracht zou zijn naam voor goed verbonden blijven met volkshuisvesting.
In 1915 nemen zijn tekeningen een prominente plaats in op de lustrumtentoonstelling van het Architectura et Amicitiae. Deze tentoonstelling betekent een doorbraak voor de stijl van De Klerk en geestverwanten die daarna de Amsterdamse School genoemd zal worden .
Michel de Klerk is bekend geworden als een van de voormannen van de bouwstijl de Amsterdamse School, naast Van der Mey en P.L.Kramer.
De ideeën van De Klerk komen optimaal tot uitdrukking in wat het icoon van de Amsterdamse School zou worden: Het Schip, een complex arbeiderswoningen in de Spaarndammerbuurt in Amsterdam gebouwd voor woningbouwvereniging Eigen Haard.
Samen met Kramer ontwierp De Klerk ook een groot complex voor de sociaaldemocratische Algemeene Arbeiderscoöperatie De Dageraad aan de P.L.Takstraat, eveneens in Amsterdam. De Klerks socialistische opvattingen hebben bij het verkrijgen van deze opdrachten ongetwijfeld meegespeeld.
Toen in 1918 een begin werd gemaakt met de uitbreiding van Amsterdam volgens Berlages Plan Zuid was De Klerk een van de betrokken architecten. De grootschaligheid van het project en de belangrijke politieke inbreng daarbij hadden tot gevolg dat De Klerk sterk in zijn creativiteit werd beperkt. In plaats van op volkshuisvesting ging hij zich op particuliere opdrachten richten.
In 1923 werd zijn keuze voor deze lijn van opdrachtgevers bekroond met een opdracht voor het ontwerp van warenhuis De Bijenkorf in Den Haag. Michel de Klerk stierf echter een half jaar later. Eén van zijn laatste werken, de torenspits van de hervormde kerk in IJsselstein, werd na zijn dood op verzoek van zijn vrouw Lea alsnog uitgevoerd. De opdracht van De Bijenkorf werd overgenomen door zijn vriend en collega Piet Kramer.
Michel de Klerk stierf op 24 november 1923, zijn 39ste verjaardag, aan de gevolgen van een longontsteking. Architect Karel de Bazel, collega van De Klerk, overleed terwijl hij onderweg was naar de begrafenis van De Klerk.
Zijn vrouw en jongste zoon werden in de Tweede Wereldoorlog omgebracht in Duitse vernietigingskampen; Lea in Auschwitz en Edo in Sobibór. De oudste zoon overleefde de oorlog.
Projecten:

                                       

Kok,Abel Antoon (1881-1951) werd kort na 1900 één van de architecten die zich inzette voor een behoedzame vernieuwing van de Amsterdamse binnenstad en een actief behoud van het historisch stadsbeeld. In zijn werk is de grens tussen restaureren en vernieuwen lastig waarneembaar geworden. De stedelijke bouwwerken moesten zoveel mogelijk gerespecteerd worden en Kok en zijn medestanders bekritiseerden de blinde vooruitgangsdrift van de negentiende eeuw en wezen op de maatschappelijke betekenis van het erfgoed dat door velen werd beschouwd als oude troep. Hij was vele jaren een actief lid van de Bond Heemschut.
Kok had een betrekkelijk eenvoudige opleiding genoten. Na het lager onderwijs bezocht hij de driejarige HBS, om vervolgens in de praktijk het timmervak te leren. Tegelijkertijd volgde Kok op de avondschool aanvullend onderwijs in de bouwkunde. Hij trad in dienst bij toonaangevende architectenbureaus als C.B.Posthumus Meyjes sr. en F.W.M.Poggenbeek. Hier leerde hij de finesses van het vak waarbij de lessen in detailleren richtinggevend werden voor zijn werk.
Zijn eerste zelfstandige werk in Amsterdam kwam tot stand in samenwerking met A.R.Hulshoff. Hun architectenbureau heeft slechts van 1908 tot 1915 bestaan. Gebrek aan werk gedurende de oorlogsjaren was reden om in dienst van de gemeente te treden. Kok besloot in 1920 om weer zelfstandig architect te worden en hij vestigde zich Herengracht 495 onder de naam architectenbureau A.A.Kok. Als particulier architect bewoog Kok zich vooral op het gebied van de restauratie, waarin hij tussen 1915 en 1940 een belangrijk aandeel heeft gehad, niet alleen in Amsterdam, maar ook daarbuiten. De door zijn ervaring verkregen kennis van de historische bouwkunst zette hem er toe om een eigen Atlas op te bouwen, een verzameling tekeningen en afbeeldingen van gebouwen met vooral documentaire waarde. Deze Atlas is aanwezig op het Stadsarchief Amsterdam. Hij was actief lid van Genootschap 'Architectura et Amicitia' en de Bond Heemschut. In 1939 werd door hem de Heemschut-serie opgezet, waarbinnen hij zelf het auteurschap van vijf boekjes voor zijn rekening nam. Binnen deze serie zijn de delen Amsterdamsche Woonhuizen (1941) en Historische Schoonheid van Amsterdam (1941) geliefde lectuur geworden voor Amsterdam-kenners.
Projecten: Herengracht 556; Oudezijds Voorburgwal 136

                                       

Kok, IJsbrand (1911-1980), zoon van Abel Antoon Kok. Hij volgde zijn opleiding aan de Industrieschool, afdeling Bouwkunde, in Amsterdam. Ook hij is vooral bekend geworden als restauratiespecialist. IJsbrand werkte op het architectenbureau van zijn vader en heeft het bureau na zijn dood voortgezet. Met zijn eigen overlijden kwam een eind aan Architectenbureau A.A.Kok.
Projecten:

                                       

Kramer, Pieter Lodewijk (Piet) (Amsterdam, 1 juli 1881 – Santpoort, 4 februari 1961) was een Nederlands architect en één van de voornaamste vertegenwoordigers van de Amsterdamse School. Hij is vooral bekend als architect van de Haagse Bijenkorf en van honderden bruggen in Amsterdam.
Piet Kramer werd geboren aan de Prinsengracht in het gezin van de van oorsprong Friese arts Folkert Nicolaas Kramer en Anna Rolff. Vader Kramer was gedurende langere tijd Officier van gezondheid 2e klasse in Nederlands-Indië.
Van de kinderen uit de twee huwelijken van Piet Kramer werd:
Friso Kramer (1922) industrieel vormgever.
Melisande Kramer (1928) kunstenares. Haar peetmoeder was Ellen Wijdeveld, kunstenares met stoffen en vrouw van collega-architect Hendrik Wijdeveld. Melisande zei zelf beïnvloed te zijn door haar vaders liefde voor oosterse kunst. Kramer maakte onder andere kleding en wandkleden in oosterse stijl. Een "portret" van haar is te vinden in een van de beelden aan het Muzenplein.
Annemarie Kramer is ook vastgelegd in één van de beelden aan het Muzenplein; waarschijnlijk in het beeld "Een meisje met kat en vogel".
Kramer werkte van 1903 tot 1913 op het architectenbureau van Eduard Cuypers, waar ook Michel de Klerk en Jo van der Mey werkzaam waren. Het drietal Kramer, De Klerk en Van der Mey ontwierp in 1911 het Scheepvaarthuis, dat geldt als eerste grote voorbeeld van Amsterdamse Schoolarchitectuur. Na 1913 was Kramer werkzaam op het bureau van K.P.C.de Bazel.
Van 1917 tot 1952 was hij architect bij de afdeling Bruggen van de Gemeentelijke Dienst der Publieke Werken. In totaal ontwierp Kramer zo'n tweehonderd bruggen. Bij die bruggen ontwierp hij ook vaak de bijbehorende brughuisjes, het smeedwerk en zelfs de beplanting. Het beeldhouwwerk werd meestal door Hildo Krop verzorgd. Van deze vele bruggen draagt de P.L.Kramerbrug zijn naam, deze verbindt de Jozef Israëlskade met de Amstelkade ter hoogte van de Amsteldijk.
Ook ontwierp Kramer in de jaren 20 diverse woonblokken in de nieuwe wijken Plan West en Plan Zuid. De meest bekende hiervan zijn de arbeiderswoningen De Dageraad van de gelijknamige woningbouwvereniging in de Nieuwe Pijp uit 1921, die in samenwerking met De Klerk tot stand kwamen. De hoekpartij van het complex Pieter Lodewijk Takstraat- Burgemeester Tellegenstraat is hier zeer opvallend. Net als bij het torentje van De Klerk aan de Hembrugstraat had deze geen functie, maar was puur als versiering bedoeld.
Buiten Amsterdam ontwierp Kramer onder meer de Bijenkorf (1924-1926) in Den Haag en een tuinmanswoning en drie villa's in Park Meerwijk in Bergen. De drie villa's werden al spoedig door brand verwoest. Ook leverde Kramer bijdragen aan het tijdschrift Wendingen.
Een overzicht van de vele ontwerpen waar hij alleen of met collega’s aan heeft gewerkt: 1921: Het Zwarte Huis of Huize Windroos, Okeghemstraat; 1921: Brug nr. 400 (naderhand P.L.Kramerbrug genoemd); 1923: Plan West, Hoofdweg-Postjesweg; 1925: Vierwindstrekenbrug (brug nr.381); 1927: woningcomplex en leeszaal Coöperatiehof, met Van Buurenmonument (1936); 1928: winkelinterieur van de hedendaagse Patisserie Holtkamp (Vijzelgracht); 1936: Mariniersbrug (brug nr.272); 1937: Stadionbrug (brug nr.413), Zuider Amstelkanaal; 1947: Vondelbrug (brug nr.200), Vondelpark; 1953: Brug nr.604, met pergola's, Burgemeester Röellstraat over Burgemeester Cramergracht; Woonblok met winkels aan het Van der Helstplein 1-17.
Projecten:

                                       

Kromhout, A.C. (1923-) gaat in 1973 tijdelijke een samenwerking aan met Jacob Groet voor de bouw van meerdere flatgebouwen in Amsterdam-Noord en de Bijlmermeer.
Projecten: Dennenrode

                                       

Kromhout, Willem (Rotterdam, 1864 - Voorburg,1940) was een Nederlands architect. Willem Kromhout studeerde aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. In 1890 vestigde hij zich als zelfstandig architect in Amsterdam. Een belangrijk ontwerp van Kromhout uit die tijd is het American Hotel (1898-1902) aan het Leidseplein in Amsterdam. Het American Hotel is ontworpen in de stijl van Art Nouveau. Intussen deed Kromhout vanaf 1881 als tekenaar ervaring op bij verscheidene architectenbureaus. Eerst tot 1883 bij het bureau van H.Wesstra in Den Haag en daarna tot 1885 bij J.Gosschalk in Amsterdam. Een bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Antwerpen bracht hem in contact met J.J.Winders. Vooral deze Belgische architect, bij wie hij van 1885 tot 1887 werkte, ontdekte in Kromhout de fabuleuze tekenaar, die met een snelle touche een bouwwerk, inclusief details, wist neer te zetten. Tot het einde van zijn leven achtte hij een brede historische vormenkennis onontbeerlijk voor een goede uitoefening van het architectenberoep; 'veel nateekenen en plastisch reproduceeren' waren daartoe een vereiste. Na terugkeer in Amsterdam trad Kromhout in 1888 als tekenaar in dienst bij het architectenbureau van A.C.Bleijs, waar hij meewerkte aan de ontwerpen voor de Sint Nicolaaskerk. Hij besloot zijn leerperiode het jaar daarop bij de befaamde architect J.Springer. Deze vertrouwde hem de leiding toe over de verbouwing van hotel-restaurant 'Krasnapolsky' in Londen. Na zich met succes van deze taak te hebben gekweten, besloot Kromhout zich in 1890 als zelfstandig architect in Amsterdam te vestigen.
In de beginjaren als architect zag Kromhout zich echter genoodzaakt voornamelijk door nevenactiviteiten in zijn levensonderhoud te voorzien. Zo was hij van 1888 tot 1899 'artistiek bouwkundig leeraar' aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkenden Stand en van 1897 tot 1900 docent tekenen en ornamentleer aan de kunstnijverheidsschool 'Quellinus'. Deze betrekking verruilde Kromhout in 1900 voor een positie aan de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid in het Rijksmuseum, waar hij architectuurgeschiedenis doceerde, met oosterse bouwkunst als specialisme. Aan beide instellingen zou hij tot 1910 verbonden blijven. In de jaren rond de eeuwwisseling was Kromhout ook met grote regelmaat als deelnemer of jurylid betrokken bij de prijsvragen die architectenverenigingen uitschreven. Zijn artikelen over bouwkunst in het algemeen en bouwstijlen in het bijzonder verschenen in het Bouwkundig Weekblad , De Opmerker , Architectura en De Kunstwereld .In de beginjaren als architect zag Kromhout zich echter genoodzaakt voornamelijk door nevenactiviteiten in zijn levensonderhoud te voorzien. Zo was hij van 1888 tot 1899 'artistiek bouwkundig leeraar' aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkenden Stand en van 1897 tot 1900 docent tekenen en ornamentleer aan de kunstnijverheidsschool 'Quellinus'. Deze betrekking verruilde Kromhout in 1900 voor een positie aan de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid in het Rijksmuseum, waar hij architectuurgeschiedenis doceerde, met oosterse bouwkunst als specialisme. Aan beide instellingen zou hij tot 1910 verbonden blijven. In de jaren rond de eeuwwisseling was Kromhout ook met grote regelmaat als deelnemer of jurylid betrokken bij de prijsvragen die architectenverenigingen uitschreven. Zijn artikelen over bouwkunst in het algemeen en bouwstijlen in het bijzonder verschenen in het Bouwkundig Weekblad , De Opmerker , Architectura en De Kunstwereld.
In 1897 werd Kromhout toegelaten tot de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Willem Frederik', waar hij vier jaar later tot meester werd benoemd. Voor het logegebouw in de Vondelstraat ontwierp hij in 1905 een nieuwe gevel, die duidelijk leek op een tempelfront. Tot aan zijn dood bleef Kromhout vrijmetselaar, hoewel hij slechts passief betrokken was bij de activiteiten van de Orde.
Kromhout was twee maal, van 1895-1896 en van 1908-1909 voorzitter van het Amsterdamse architectuurgenootschap Architectura et Amicitia en speelde in 1908 een belangrijke rol in de oprichting van de afdeling Voortgezet en Hooger Bouwkunst Onderricht van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten, de huidige Academie van Bouwkunst Amsterdam. In 1910 werd Kromhout hoofdleraar bouwkunst aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam. Hij vestigde zich in Rotterdam en bouwde er een groot aantal kantoor- en woongebouwen.
Projecten: Reguliersbreestraat 26-28

                                       

Kuipers, Foeke (1871-1954) was een zoon van een Friese timmerman-aannemer die zich aan het einde van de jaren 1870 in Amsterdam vestigde. Foeke ontving zijn bouwkundige opleiding bij J.F.Klinkhamer en H.P.Berlage aan de Quellinusschool, een kunstnijverheidsschool opgericht door P.J.H. Cuypers om ambachtslieden te kweken voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam. Hij behaalde daar ook de zilveren medaille, de hoogste onderscheiding van de school. Na zijn opleiding werkte Kuipers achtereenvolgens op het bureau van Klinkhamer en C.B.Posthumus Meyjes. Zijn eerste opdracht als zelfstandig architect was, in samenwerking met zijn broer Roelof Kuipers, het ontwerp voor het pakhuiscomplex van het Nederlandsche Veem aan de Van Diemenstraat. Zijn oudere broers Tjeerd en Roelof waren eveneens architect. Foeke's oeuvre bestaat grotendeels uit villa's veelal uitgevoerd in cottagestijl.
Projecten: Dam 25-29

                                       

Lammers, Theodorus Johannes (1890-1972). Architect Lammers begon zijn opleiding met het doorlopen van de Kunstnijverheidsschool Quellinus, afdeling bouwkunde. Daarna ging hij naar de Rijksschool voor tekenleraren op de bovenverdieping van het Rijksmuseum en heeft daar onder andere les van Kromhout. Lammers wilde echter geen leraar worden en besloot te gaan studeren aan de Stadtisches Politechnisch Institut Friedberg te Hessen, afdeling Architectur-Hochbau. Later vestigde hij zich weer in Holland en was werkzaam bij het architectenburo van G.van Arkel. Vervolgens werkte Lammers bij het buro Baanders, waar ook De Klerk en Blaauw werkzaam waren. Hij was nadien werkzaam op het bureau van Warners en heeft meegewerkt aan de plannen voor een flatgebouw aan de Lairessestraat te Amsterdam. Als zelfstandig architect kwam in 1913 de eerste opdracht; een villa in het Willemspark te Amsterdam. Deze opdracht werd gevolgd door vele werken, zoals het Laboratorium van de Vrije Universiteit; scholen in Bergen en Amsterdam; kantoorgebouwen; woningenblokken en complexen. Lammers werd door architect J.F.Staal in de toen heel kleine B.N.A. als lid geintroduceerd.
Projecten: Ferdinand Bolstraat 32, Uiterwaardenstraat 285-291

                                       

Langhout, Willem (Woubrugge 1850 - Bussum 1936). Langhout is een niet zo bekende architect omdat zijn naam niet verbonden is aan één of meerdere grote publieke gebouwen. Hij was een architect van de particuliere sector. Hij bouwde woonhuizen, winkels, een hypotheekbank, grote en kleine fabrieken en villa’s en was zo betrokken bij de bouw van een aantal panden in Amsterdam. Hij werd geboren als zoon van Gerard (Gerrit) Langhout die metselaar en handelaar in bouwmaterialen was en gespecialiseerd in de levering van zesruits schuifkozijnen met binnenpanelen. Hij zal de kneepjes van het vak dus in eerste instantie wel in het bedrijf van zijn vader hebben geleerd. Midden jaren zeventig werkte hij een tijdlang als opzichter bij de Leidse architect J.G.van Parijs totdat hij zich in 1877 in Amsterdam vestigde. Enkele jaren later liet hij zich beëdigen als makelaar in onroerende en roerende goederen waardoor hij gemakkelijker toegang kreeg tot de wereld van bouwondernemers, verhuurders en exploitatiemaatschappijen.
Zo nam hij deel in een ontwikkelingsmaatschappij die zich roerde op het bolwerk De Wetering waar Eerste Weteringplantsoen 6 van zijn hand is. Andere gebouwen aan de toenmalige buitenrand van Amsterdam van zijn atelier zijn Frederiksplein 12, Leidsekade 103 (de woning van Harry Mulisch), het grote buitenhuis ‘Buitenlust’ aan de Weesperzijde. Samen met J.W.Meijer bouwde hij aan de Weesperzijde de Deli-brouwerij en samen met J.van Looy de Utermühlen verbandstoffenfabriek en een aantal woonhuisblokken. Hij maakte bovendien stratenplannen en leverde ontwerpen voor woonblokken in onder meer de Grensstraat, de Schoolstraat, Burmanstraat en Gijsbrecht van Aemstelstraat 4-14. In 1881 bouwde hij Weesperzijde 59-62. Hij ging er omstreeks 1887 zelf wonen en bouwde in de tuin een kantoor annex atelier in vakwerk- en chaletstijl. Dit schilderachtige gebouwtje staat er nog steeds puntgaaf, inclusief de karakteristieke vensterroetjes en het oude tuinhek langs de Burmanstraat. Het is waarschijnlijk het oudste vrijstaande architectenatelier van Amsterdam. Veel van het werk van Langhout in de Weesperzijdebuurt is bewaard gebleven.
Verdere gebouwen van zijn hand zijn Heiligeweg 43-45, ’s-Gravenhekje 4 (1889), Keizersgracht 18 en op de hoek van Dam 4-6 en Nieuwendijk het voormalig kledingmagazijn Kattenburg en ernaast, onder één dak en in dezelfde stijl, het expeditiekantoor van Van Gend & Loos.
Af en toe werkte hij samen met zijn zoon, ir.G.J.Langhout (1879-1962), die met J.F.Staal in 1930 het Telegraafgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal zou bouwen. Vader en zoon werkten onder meer samen bij de bouw van de villa Van Eeghenstraat 90.
Projecten: Eerste Hugo de Grootstraat 13

                                       

Lansdorp, Nicolaas (Nico) (1885-1968) begon zijn carrière als gemeentelijk architect tijdens de Eerste Wereldoorlog in Rotterdam, maar maakte in 1919 de overstap naar Amsterdam. De eerste tien jaar werkte Lansdorp er onder toeziend oog van A.R.Hulshoff. Hij was een populaire kandidaat voor gemeentelijke schoonheidscommissies, hij was lid in Amsterdam, Rotterdam, Delft, Kampen, Schiedam en Zandvoort, en nam regelmatig deel aan ontwerpprijsvragen. Samen met collega's Gerrit Jan Rutgers, Arend Jan Westerman en Th.R.Luyken won hij de Grand Prix in Parijs. Zijn bijdrage aan de Amsterdamse inzending werd gevormd door zijn ontwerp voor het raadhuis (het huidige The Grand) en drie scholen: aan het Hygieaplein, de Kattenburgerkade en de Jan Lievensstraat. In 1929 werd hij benoemd tot hoofdarchitect van de Amsterdamse gemeentelijke woningdienst, en werd hij verantwoordelijk voor de bouw van tientallen monumentale gebouwen, waaronder een groot aantal scholen. Het Vossiusgymnasium is het laatste schoolgebouw dat volgens de visie van Lansdorp werd gebouwd. Lansdorp was toen inmiddels benoemd als hoogleraar bij de opleiding Bouwkunde in Delft.
Projecten: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Laumanns, Hans J. was hoofdambtenaar bij Groen van Publieke Werken van Amsterdam ten tijde van de bouw van de Bijlmermeer. De stads- en landschapsplanoloog Laumanns, werkte aan de invulling van de Bijlmermeer en later aan de invulling van Almere-Haven en Muziekwijk.
Projecten: Nelson Mandelapark

                                       

Leliman, Johannes Hendrik Willem (1878-1921). Architect Leliman is onder meer bekend als ontwerper van de ANWB-paddenstoel en het Noord-Zuid-Hollands Koffiehuis. De nadruk in zijn werk ligt echter op de woningarchitectuur. Hij werd geboren als zoon van de bekende architect J.H.Leliman. Hij begon zijn bouwkundige carrière met een opleiding aan de Polytechnische School te Delft. In 1899 studeerde hij hier af als bouwkundig ingenieur. Leliman begon als architect in Amsterdam en vestigde zich daarna in Baarn. Hier liet hij zijn eigen huis In de Leli bouwen. In 1915 ontwierp Leliman als bestuurslid van de ANWB de eerste wegwijzer voor fietsers in de vorm van een paddenstoel. Deze betonnen paddenstoelen werden in de omgeving van Baarn geplaatst. De eerste stond aan de Rijksweg, maar is inmiddels verdwenen. Het oudste exemplaar, nummer 2 dus, staat aan het fietspad van Baarn naar 't Bluk bij Laren. Alle paddenstoelen werden nadien omgedoopt en kregen een getal van 5 cijfers, beginnend met een 2. De oudste paddenstoel kreeg aldus nummer 20002. De latere paddenstoelen hebben de vorm van een afgeknotte piramide. Vanaf 1919 was Leliman lid van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. In 1921 stierf hij te Baarn. Johan Herman Willem Leliman ligt begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam.
Projecten: Kalverstraat 8

                                       

Linden, van der, Jacob J. (1899-1978). Van der Linden studeerde aan de Technische Hoogeschool te Delft. Hij behaalde het diploma bouwkundig ingenieur en ontving een beurs uit het Lelymanfonds, welke hem in staat stelde een studiereis van 7 weken door Frankrijk te maken. Daarna trad hij in dienst bij architect B.J.Ouëndag. In 1926 associeerde hij zich met architect C.B.Posthumus Meyjes in het architectenbureau 'Posthumus Meyjes en van der Linden' te Amsterdam. Hij ontwierp onder andere de 5e Ambachtsschool en het bijkantoor van de Amsterdamsche Bank (AMRO-Bank) aan de Sarphatistraat.
Projecten: Keizersgracht 666

                                       

Loerakker Rijnboutt Ruijssenaars bestaat uit de architecten Ben Loerakker (1931-), Kees Rijnboutt, Hans Ruijssenaars en is in 1981 opgericht. In 1988 gestopt onder deze naam.
Projecten: Hoptille

                                       

Loogman, Gerardus Alphonsus Maria (1892-1976) is architect en makelaar. Er zijn slechts flarden bekend over deze katholieke architect. Hij was vooral actief in de jaren 1920 en 1930 en zijn bekendste nog bestaande werk is een complex met sociale woningbouw aan de Amstelkade 95-105 / Maasstraat 1-23 / Slingerbeekstraat 2-28 / Churchilllaan 110-132 (1924).Dit complex heeft inmiddels de gemeentelijke monumentenstatus. Opvallend is dat het een lagere bebouwing betreft dan de rest van Plan Zuid. Loogman ontwierp daarnaast veel winkels en winkelpuien. Voor de firma Presburg ontwierp Loogman meerdere winkels door het hele land in art deco stijl. In onder andere Haarlem, Groningen (1929), Den Haag (1933) en Enschede. Het onmiskenbare hoogtepunt is het inmiddels verdwenen filiaal aan de Kalverstraat 167-169 (1927), dat opviel door een enorme verlichte glas in lood gevel die in samenwerking met Willem Bogtman tot stand was gekomen. Loogman ontwierp meer winkels en winkelpuien in de Kalverstraat en de rest van de stad. Helaas is door de steeds veranderende eisen aan puien het grootste deel van zijn oeuvre inmiddels verdwenen of verminkt.
Projecten: Ferdinand Bolstraat 36

                                       

Man, de, J.P.H.
Projecten: Herengracht 537

                                       

Margry, Everardus Joannes (Evert) (Harderwijk, 28 december 1841 – Rotterdam, 8 augustus 1891). Margry was een leerling van P.J.H.Cuypers en deed voor hem zijn meesterproef als opzichter van de bouw van de Sint-Dominicuskerk in Alkmaar. Hij was één van de belangrijkste architecten van de neogotiek in Nederland.
Margry was de zoon van een kastelein/koopman. Na zijn middelbare school ging Margry, naar voorbeeld van zijn oudere broer Jan, bouwkunde studeren aan de tekenschool te Amsterdam. Via het genootschap Architectura et Amicitia en de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst raakte hij vertrouwd met de bouwwereld en ontmoette hij de toen reeds bekende architect P.J.H.Cuypers. Als leerling op diens bureau kreeg Margry de kans zich de opvattingen over de nieuwe gotische bouwkunst eigen te maken. Ter afsluiting van deze stage kreeg hij als 22-jarige het zelfstandig toezicht over de bouw (1864-1866) van de Sint-Dominicuskerk.
In 1865 richtte Evert een eigen architectenbureau op in Rotterdam. Daar bouwde hij nog datzelfde jaar zijn eerste kerk: de H.Antonius aan het Boschje, verwoest in het bombardement van 1940. Zijn werkterrein beperkte zich aanvankelijk voornamelijk tot de provincie Zuid-Holland.
Vanaf 1880 werkte hij samen met zijn veel jongere broer Albert Margry en, ten aanzien van de meubilering en decoratie, met Jos.M.Snickers. Omdat deze laatste naaste familie was van de bisschop van Haarlem (1877-1883) en later de aartsbisschop van Utrecht (1883-1895), kon het bureau toen mogelijk eenvoudiger opdrachten verwerven. Margry overleed in 1891 op de leeftijd van 49 jaar. Het bureau werd voortgezet door zijn broer Albert en Snickers, die in 1908 weer bij het bureau vertrok.
Evert Margry ontwierp voornamelijk kerken, pastorieën, scholen, kloosters, gestichten etc. Daarnaast restaureerde hij enkele belangrijke middeleeuwse monumenten. Hij is tevens de bekendste vertegenwoordiger van de verschillende architecten en stedenbouwkundigen uit de familie Margry.
Projecten:

                                       

Marot, Daniël (1661-1752) is de schepper van de Nederlandse Lodewijk XIV stijl en de belangrijkste architect in de Republiek van de achttiende eeuw. De Franse koning Lodewijk XIV liet in 1671 zijn minister Colbert een ‘Académie Royale d’Architecture’ oprichten, waar een Franse Barokstijl werd ontwikkeld. Het belangrijkste voorbeeld van deze stijl is het Paleis van Versailles. De stroom van Franse kunstenaars die na de opheffing van het edict van Nantes naar Holland kwamen heeft de stijl van Lodewijk XIV naar ons land gebracht. Eén van deze vluchtelingen was Daniël Marot. Tussen 1685 en 1715 ontwierp hij interieurs, na 1715 ook hele gebouwen. Zijn voorbeelden zijn eigenlijk meer Barok dan die in Frankrijk, waar het exterieur een meer ingetogen classicistisch karakter behield: Marot paste de interieurstijl ook aan het exterieur toe. Het is niet bekend welke huizen in Amsterdam door Marot zijn ontworpen, maar enkele van de mooiste huizen en hofjes worden aan hem toegeschreven.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 28-44

                                       

Architectenbureau Mecanoo. Mecanoo is in 1984 opgericht door Francine Houben, Henk Döll, Roelf Steenhuis, Erick van Egeraat en Chris de Weijer. De eerstgenoemde drie architecten hadden daarvoor in 1981 samen meegedaan aan een wedstrijd voor studenten in verband met jongerenhuisvesting in Rotterdam en daarbij de eerste prijs gewonnen. In de loop der jaren hebben Steenhuis, Van Egeraat, De Weijer en Döll het bedrijf verlaten. Francine Houben is als creatief directeur nog steeds bij het bureau betrokken.
Projecten: Nelson Mandelapark

                                       

Meij, van der, Joan (Jo) Melchior is in Delfshaven geboren. Zijn moeder, Akke van der Meij, is naaister en afkomstig uit een Workumse timmermansfamilie. Zijn vader, Franciscus (Frans) Hubertus Edelman, is notarisklerk. In 1878 verhuizen ze naar Delfshaven. Na vijf jaar wordt de woonplaats Amsterdam. Hier gaat Joan naar de HBS en daarna naar de ambachtsschool en de avondtekenschool. In 1901 behaalt Joan Melchior het opzichtersdiploma van de Maatschappij ter Bevordering van de Bouwkunst en wordt hij lid van het Amsterdamse kunstenaarsgenootschap Architectura et Amicitia.
Het bouwkundig ambacht leert Joan onder andere van de architect Eduard Cuypers en hier leert hij ook zijn latere collega’s Michel de Klerk en Piet Kramer kennen.
Na het winnen van een aantal prijsvragen en gestimuleerd door Eduard Cuypers wint hij in 1906 de Prix-de-Rome. In het zelfde jaar trouwt Van der Meij met Sara Herweyer. De eerste Prix-de-Romereis maakt hij naar Duitsland en Denemarken. De tweede Prix-de-Romereis gaat naar Italië. De derde en vierde reis hebben bestemming Frankrijk en Engeland. Vooral de Franse bouwkunst maakt grote indruk op Joan Melchior. Tussen de Prix-de-Romereizen door woont het echtpaar Van der Meij afwisselend in Amsterdam en bij de schoonouders van Van der Meij in Limburg.
In 1910, na de laatste Prix-de-Romereis, koopt het echtpaar in het Limburgse Geulle een oude, zestiende-eeuwse, vakwerkboerderij. Van der Meij start tevens, in Amsterdam, een architectenbureau. Als net gevestigd architect krijgt hij de opdracht voor de verbouwing van de Hortus Botanicus. In de zelfde periode aanvaardt hij de functie van esthetisch adviseur bij de gemeente Amsterdam. Deze functie zal hij tot 1919 vervullen. Vanaf 1910 pendelt de architect tussen Geulle en Amsterdam.
Vanaf 1911 had hij onder Wichert Arend de Graaf een tijdelijke betrekking bij de Dienst der Publieke Werken in Amsterdam. In 1911 kreeg hij de opdracht om het esthetische ontwerp voor het Scheepvaarthuis in Amsterdam te verzorgen. Het constructieve deel van het pand werd verzorgd door de gebroeders van Gendt. Van der Meij vroeg naast Piet Kramer en Michel de Klerk diverse kunstenaars om mee te helpen. Het Scheepvaarthuis zal zijn beroemdste ontwerp worden.Mede door dit gebouw wordt Van der Meij gezien als één van de grondleggers van de Amsterdamse Schoolstijl samen met Michel de Klerk en Piet Kramer.
De Waalseilandbrug (brug 283), naast het Scheepvaarthuis, werd ook door hem ontworpen, de lantaarns zijn van Kramer. Daarna heeft hij nog een groot aantal huizenblokken in Amsterdam-Zuid en in de buurt van het Mercatorplein gebouwd, maar geen van deze waren zo uitgesproken als het Scheepvaarthuis. Ook ontwierp hij de in 1955 deels ingestorte en in 1963 afgebroken flat Amstelstein aan de Vijzelstraat.
In juni 1916 begint Van der Meij zijn eigen woningbouwvereniging ‘de Lairesse’. Hierdoor wordt hij als het ware zijn eigen opdrachtgever. Van der Meij werkt vervolgens onder andere samen met architecten als De Klerk, Kramer, Franswa, Grolle, gebroeders Van Gendt en het architectenbureau Gulden & Geldmaker.
In 1937 gaat zijn architectenbureau failliet. Door de crisisjaren en de kenteringen in de architectuuropvattingen krijgt de al iets oudere architect nog maar moeilijk opdrachten. Als op 62-jarige leeftijd de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, is het helemaal gedaan met zijn architectenloopbaan. Plannen voor na de oorlog, waaronder een groot woningbouwvraagstuk, blijft hij maken, maar het blijven plannen. Als hij dan ook nog noodgedwongen zijn eigen huis in Geulle moet verlaten, wordt de situatie er niet beter op. Maar, hij blijft hopen dat na de oorlog alles beter zal gaan. De tijd dringt; hij zit vol architectonische ideeën. Echter zijn nieuwe verblijf is alles behalve luxe. Fysiek kan hij niet meer. Op de avond van 24 juni 1949 overlijdt de zeventigjarige architect.
Projecten:

                                       

Meijer, J.W. was een technisch zeer goed onderlegde werktuigkundig officier bij de Amsterdamse brandweer zonder ervaring als architect. Toch zag hij kans een groot aantal opdrachten voor woningen en utiliteitsbouw in de wacht te slepen. Zijn voorkeur ging hierbij uit naar bouwen in neorenaissance. In Hilversum zijn veel van de huidige villa’s in gebruik bij de omroepen door hem gebouwd. Ook in Amsterdam zijn veel gebouwen aan hem te linken zoals bijvoorbeeld de diamantslijperij in de Albert Cuypstraat 2-6, waar hij de opdracht voor kreeg kort na de ingebruikname van de grote slijperij van Boas.
Projecten: Nieuwe Uilenburgerstraat 173-175

                                       

Molkenboer, Theodorus (1796-1863) was een Nederlandse architect die vooral bekend is geworden door zijn vele kerkgebouwen. Molkenboer was een van de belangrijkste architecten van het neoclassicisme en de vroege neogotiek en enige tijd de belangrijkste kerkenarchitect van Nederland. Hij werd opgeleid tot timmerman en metselaar, werd bouwkundig ingenieur en aannemer en werkte vanaf ongeveer 1828 als architect. In eerste instantie werkte hij vooral in Leiden en omgeving, maar rond 1840 werd dit werkgebied uitgebreid tot andere delen van Nederland. In totaal ontwierp Molkenboer ongeveer 70 kerken, vooral in de provincies Noord- en Zuid-Holland. Aanvankelijk werkte hij in neoclassicistische stijl. Rond 1845 verwerkte hij voor het eerst aan de gotiek ontleende vormen, die vaak in hout en stucwerk werden uitgevoerd, in zijn ontwerpen. Kort daarna probeerde hij ook de gotische constructie, althans visueel, na te bootsen. Een van de meest geslaagde voorbeelden hiervan, en een hoogtepunt in zijn werk, is de Redemptoristenkerk in Amsterdam uit 1852-1854, waarvan hij het ontwerp overigens baseerde op dat van de Redemptoristenkerk in Bergen, België. Veel van Molkenboer’s neogotische werk wordt gekenmerkt door merkwaardige verhoudingen en ontstijgt het niveau van de Willem-II- of Stucadoorsgotiek niet of nauwelijks. Naarmate de kennis van, en de waardering voor, de gotiek toenam, nam de waardering voor Molkenboer af en verloor hij zijn positie als belangrijkste kerkenarchitect van Nederland aan Pierre Cuypers. Veel van Molkenboers kerken zijn inmiddels verdwenen.
Projecten: Keizersgracht 220

                                       

Nassuth, Georg Siegfried (1922-2005) is geboren in Nederlands-Indië uit een van origine Duitse vader en moeder. Tijdens zijn studie aan de Technische Hogeschool Delft, kreeg hij les van onder anderen Cornelis van Eesteren en Th.K. van Lohuizen. Beide hoogleraren waren verantwoordelijk voor het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam uit 1934. Na zijn afstuderen trad hij in dienst van de toenmalige Afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Nassuth was vooral geïnspireerd door de ideeën van de CIAM en de Zwitserse architect Le Corbusier, met een strikte scheiding tussen wonen, werken en recreëren.
Hij is altijd een grote onbekende gebleven, de stedenbouwkundige die in de jaren zestig samen met zijn zogenoemde Bijlmermeerteam de plannen ontwikkelde voor een nieuwe uitbreiding in Amsterdam. Deze anonimiteit was deels zijn eigen keuze. Aan journalisten had hij bijna net zo'n grote hekel als aan ceremonieel vertoon. Hij bleef het liefste in de luwte toen zijn baanbrekende ontwerp voor een verticale tuinstad met veel ruimte, licht en groen door het gemeentebestuur werd omhelsd als de fonkelende kroon op de Amsterdamse stedenbouw. Dat veranderde niet toen de Bijlmermeer al snel na de oplevering toch niet die gedroomde stad van de toekomst bleek. Geldgebrek en verschillen van inzichten waren ook dit maal de reden van diverse malen gewijzigde plannen.
Waar in de eerste plannen was nog sprake was van flats met zes verdiepingen in plaats van tien en een maximale afstand van de woning tot de lift van dertig meter gingen in de onderhandelingen met de verschillende gemeentelijke diensten deze (kostbare) uitgangspunten op de schop. De mislukking van de Bijlmermeer betekende ook meteen het einde van de grootschalige verbeelding in de Nederlandse stedenbouw. Vanaf dat moment was de wens van de consument (huisje, tuintje, parkeerplaats voor de deur) een onwrikbaar uitgangspunt voor nieuwbouwplannen.
Nassuth vond het verschrikkelijk dat in de jaren negentig een groot aantal van de beroemde honingraatflats tegen de vlakte ging. Het actiecomité dat zich tegen de sloop keerde, kreeg van Nassuth een bijdrage in de kosten.
In 1998 ontvangt Siegfried Nassuth de oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst vanwege zijn verdiensten als stedenbouwkundige.
Projecten: Bijlmermeer

                                       

Nieukerken, van, Johannes Jacobus (Middelburg, 22 februari 1854 - Den Haag, 7 oktober 1913). De Nederlands architect Johannes van Nieukerken ontving zijn opleiding aan een praktijkleerschool. Hij werkte van 1880 tot 1887 op het bureau van rijksbouwkundige Jacobus van Lokhorst en werd daar geschoold in de bouwwijze van Pierre Cuypers.
In 1887 richtte hij zijn Architectenbureau Van Nieukerken op. Johannes van Nieukerken was een meester in het opbouwen van een netwerk van opdrachtgevers, in zijn geval vooral aristocraten, hoge ambtenaren en figuren uit de wereld van handel en industrie. Deze kapitaalkrachtige groep kon zich de kostbare bouwwerken veroorloven, die de Van Nieukerken’s graag ontwerpen. Een serie landhuizen van ongekende schaal en enkele grote kantoorgebouwen vormen markante objecten in het oeuvre van de Van Nieukerken’s. Hun hoofdwerk vormt onmiskenbaar het toenmalige Koloniaal Instituut in Amsterdam, het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen. (1913-1926)
Johannes van Nieukerken (1854-1913) was volgens de oude traditie als architect in de praktijk gevormd. Hoewel in 1863 de Polytechnische School, de latere TU Delft, was opgericht prefereerde hij ook voor zijn zoons Marie Adrianus (1879-1963) en Johan (1885-1962) een praktijkleerschool. Hierna traden zij in dienst bij het architectenbureau van hun vader, dat zij tot de opheffing in 1960 zouden leiden. Van Nieukerken senior droeg zijn opvattingen op zijn zoons over. Zo werd de negentiende-eeuwse traditie van historiserende vormen een rijke detaillering en een ambachtelijke bouwwijze tot ver in de twintigste eeuw voortgezet.
Van Nieukerken senior deed zijn architectuurvisie op in de negentiende-eeuwse discussie om een nationale architectuurstijl en ontwikkelde zich in navolging van P.J.H.Cuypers tot een rationalist, werkend in een neorenaissance-idioom. Zijn zoons waren minder principieel in hun vormkeuze en gingen meer en meer eclectisch te werk.
Vanaf de jaren dertig liep de belangstelling voor de historiserende vormen, die de Van Nieukerken’s bleven toepassen, terug. Ze bleven echter in hun visie geloven. Marie van Nieukerken’s ideeënplan voor de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog toont negentiende-eeuwse steden op de schaal van de twintigste eeuw en tot in de jaren vijftig bleven ze gebouwen ontwerpen in een stijl die zijn wortels had in een architectuurdiscussie die driekwart eeuw eerder had plaatsgehad.
Projecten:

                                       

NOORTZAAK architecten & adviseurs is in 2014 opgericht door Maarten van Noort. Het is een onderneming die zich wil profileren als integraal werkend architectenbureau dat zich richt op renovatie- en restauratieprojecten en tegelijk zoekt naar de combinatie met nieuwbouw. Noortzaak wil zich ook inzetten als coach voor (net afgestudeerde) studenten bouwkunde en expertise delen met ondernemers in ontwikkelingslanden en opkomende markten.
In mijn 37 jaar ervaring, waarvan ruim 32 jaar als architect bij HM architecten in Amsterdam, heb ik vele en veelzijdige haalbaarheidsstudies, nieuwbouw-, renovatie- en restauratieprojecten gerealiseerd. In de loop van de jaren werden de projecten groter en werd mijn rol steeds meer die van procesarchitect, die in teamverband samenwerkt en afstemming zoekt met de andere ontwerpers en bouwkundigen. Door die regisseursrol kon ik, naast het begeleiden van het ontwerpwerk, mijn aandacht eveneens richten op die andere aspecten die van een ontwerp méér dan alleen een mooi en goed gebouw maken. Ik verdiepte mij in de manier van gebruik, wilde weten welke vraag er precies leeft bij de opdrachtgever en/of gebruiker en hoe dit zich weer verhoudt met de randvoorwaarden vanuit de overheid. Ik droeg bouwkundige oplossingen en alternatieve indelingsmogelijkheden aan. Maar ik verdiepte mij even zo goed in de constructie, W & E installaties, ICT, duurzaamheid, het interieur, kleurgebruik t/m bijvoorbeeld de maaiveldinrichting. Al die onderwerpen behoeven aandacht om evenwichtig en optimaal op elkaar worden afgestemd. En voor al die onderwerpen geldt ook dat ze zich moeten meten met een vooraf opgesteld financieel kader. Door dit onderwerp al vroeg in het proces een rol te laten spelen en te beslissen op basis van argumenten, voorkom je veel teleurstellingen achteraf. Met al deze opgedane kennis kan ik nu vrijer handelen en anticiperen op de vraag. Daarin schuilt dan ook de kracht van NOORTZAAK.
Projecten: Huntum 16

                                       

Osborne, Donald (3 juni 1976) is in 2007 afgestudeerd aan de TU Delft afdeling Bouwkunde op Stedebouwkundig plan voor Oostenburg in Amsterdam en een ontwerp voor de Faculteit Geesteswetenschappen van de UvA (27.000m2).
Projecten: Nieuwe Ridderstraat 43-53

                                       

Outshoorn, Cornelis (1810-1875) was een Nederlandse ingenieur en architect. Cornelis Outshoorn was autodidact. De lagere school was zijn enige formele opleiding. De kennis die hij nodig had om ingenieur en architect te worden, deed hij in de praktijk op, regelmatig aangevuld met cursussen van allerlei aard.
Hij begon in 1838 zijn carrière bij de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM), de eerste spoorwegmaatschappij in Nederland, die in 1839 de lijn Amsterdam-Haarlem zou openen. Onder supervisie van Frederik Willem Conrad, een van de eerste Nederlandse ingenieurs, pionierde hij met het aanleggen van spoorlijnen op de slappe en drassige Hollandse bodem. Hij functioneerde als hoofdopzichter bij de bouw van enkele grote stations, onder andere Haarlem en Amsterdam. Zo leerde hij in de eerste plaats bruggen en stations bouwde. De spoorbruggen en stationsoverkappingen maakten dat Outshoorn expert werd op het pas ontgonnen terrein van de ijzerconstructies.
Wanneer en hoe Outshoorn van spooringenieur architect werd is niet bekend maar één van zijn eerste architectonische werken was in 1854 het Koninklijk Postkantoor. Het is 40 jaar later afgebroken om plaats te maken voor het monumentale ontwerp van Cornelis Peters, dat tegenwoordig Magna Plaza is. In 1861 ontwierp Outshoorn Museum Fodor aan de Keizersgracht, dat door de gemeente werd gebouwd als onderdak voor de nagelaten kunstcollectie van de in 1860 overleden steenkolenhandelaar Carl Joseph Fodor. Het heeft bestaan tot 1993; in het gebouw huist nu fotografiemuseum Foam.
Opvallend is dat er weinig kleine gebouwen van Outshoorn bekend zijn. Ook het woonhuis voor de bankier Elias Fuld op de hoek van de Keizersgracht en het Molenpad heeft hier geen last van. Hij bouwde in 1865 ook een Joods jongensweeshuis aan de Amstel, dat werd gesloopt ten behoeve van de Stopera.
Outshoorn bleef zich ondanks alles ingenieur voelen en bleef ook lid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Dat hij vooraanstaand was, blijkt er wel uit dat hij enige tijd beoogd architect voor het Rijksmuseum was. Hij maakte er ook een studieontwerp voor. Hij overleed echter voor de definitieve opdracht was verstrekt.
Outshoorn werd min of meer de huisarchitect en bouwkundig adviseur van de Amsterdamsche Bouw Maatschappij, het vehikel waarmee Samuel Sarphati veel van zijn idealistische plannen probeerde te verwezenlijken, op deze wijze ontwierp hij als zelfstandig architect verschillende toonaangevende gebouwen in Amsterdam, zoals het Paleis voor Volksvlijt (1855-1864) en het Amstel Hotel (1867). Aan het Oost- en Westeinde bouwde hij woningen op stand.
Hoewel Outshoorn in 1864 werd aangezocht om plaats te nemen in de gemeenteraad weigerde hij dat, maar werd wel lid van de gemeentelijke gezondheidscommissie.
Hij bemoeide zich ook met stedenbouwkundige kwesties: samen met J.L.Kuinders maakte hij in 1866 een plan voor een drastische doorbraak van Dam naar de Plantage Middenlaan, waarbij de ernstig verkrotte Jodenbuurt zou worden gesaneerd. Het werd niet uitgevoerd.
Van groter belang is natuurlijk Outshoorns schepping uit 1867, het Amstel Hotel. Ook dat was ontsproten aan de ideeën van Samuel Sarphati, die vond dat Amsterdam in navolging van andere Europese hoofdsteden een hotel van internationale allure nodig had. Outshoorn beperkte zich tot een voornaam gebouw zonder vleugels, waar aanvankelijk werd gedacht aan een kolosaal paleis in carrévorm. Hoewel de Amsterdamse bevolking traditiegetrouw protesteerde (al die pracht en praal waren nergens voor nodig, en voor het bedrag van 1 miljoen gulden konden ook 250 woningen worden gebouwd), werd dit magnifieke gebouw uiteindelijk door Outshoorn in nauwelijks meer dan een jaar neergezet. Oorspronkelijk telde het Amstel Hotel drie verdiepingen. De vierde verdieping is een toevoeging uit 1900.
Met zijn meesterwerk het Paleis voor Volksvlijt hield Cornelis Outshoorn zich bezig van 1857 tot 1864. Sarphati was toen al vier jaar aan het soebatten met het conservatieve en onwillige gemeentebestuur voor zijn ‘Gebouw voor Tentoonstellingen en Openbare Inrigtingen van Kunsten en Wetenschappen te Amsterdam’.
Belangrijke inspiratiebron voor het Paleis voor Volksvlijt was in Londen het Crystal Palace van Joseph Paxton, uit 1850. Outshoorn kende het Crystal Palace, al was het alleen maar omdat hij samen met zijn leermeester Conrad vergeefs had meegedaan aan de ontwerpprijsvraag ervoor (ze kregen één van de 70 eervolle vermeldingen).
Aanvankelijk werd ook voor het Paleis voor Volksvlijt een prijsvraag uitgeschreven, in 1856. Er kwamen tien inzendingen binnen, waaronder één van Outshoorn. Geen van de ontwerpen viel in de prijzen, ook niet dat van Outshoorn, dat overigens in de verste verte niet leek op het uiteindelijke ontwerp. Hij kreeg wel een eervolle vermelding. Ruim een jaar later kreeg Outshoorn desondanks de ontwerpopdracht van de Vereeniging voor Volksvlijt; wat het bestuur daartoe bewoog is niet meer te achterhalen. Het had waarschijnlijk te maken met Outshoorns ervaring met grote ijzerconstructies bij de spoorwegen.
De bouw van het Paleis voor Volksvlijt begon op 7 september 1858 en sleepte zich zes jaar voort, niet in de laatste plaats doordat Outshoorn tijdens een studiereis langs allerlei Europese tentoonstellingsgebouwen een zware ziekte had opgelopen. De om het Paleis voor Volksvlijt in 1881 gebouwde Galerij was van de hand van Dolf van Gendt.
Van de Amsterdamse architecten was Cornelis Outshoorn in de 19de eeuw de vooruitstrevendste. Anders dan veel collega's keek hij vooral naar de toekomst. Hij was in de jaren 1850 en 1860, gemeten naar de aard en omvang van zijn orderportefeuille, de meest succesvolle architect in Nederland. In 1857 stichtte hij zijn eigen architectenbureau. In het bouwkundig tijdschrift De Opmerker van 1902 staat: ‘Voor zoover wij kunnen nagaan, was Cornelis Oudshoorn de eerste Nederlandsche architect, die een bureau had. De groote werken, waarmede men hem belastte, schenen zulk een bureau noodig te maken.’ Oudshoorn was de eerste, die geacht kan worden een architect geweest te zijn met het moderne type overeenkomend. Man van zaken voor alles, wist hij zich door geschikte hulpkrachten te omringen, en huldigde hij de leer, dat alles zijn prijs heeft. Doordat hij de beschikking had over tekenaars en andere (bureau)medewerkers was hij in staat grote en complexe opdrachten aan te nemen.
Ironisch is het dat juist zijn magnum opus, het Paleis voor Volksvlijt, verloren ging bij één van de grootste branden die de stad gekend heeft.
Projecten: Keizersgracht 87, Keizersgracht 452

                                       

Oyevaar Van Gool De Bruijn Architecten Frans van Gool (1922-2015) startte in 1959 met Arnold Numan Oyevaar (1922-2006) en Hein W.C. Stolle (1924-2006) een architectenbureau, waar Pi de Bruijn zich ter vervanging van Stolle in 1978 bij aansloot, Oyevaar Van Gool De Bruijn Architecten. In 1984 wordt Oyevaar opgevolgd door Jan Dirk Peereboom Voller. De maatschap Van Gool, De Bruin, Peereboom Voller vormt in 1988 de basis voor de Architekten Cie met Pi de Bruijn, Carel Weeber, Jan Dirk Peereboom Voller en Frits van Dongen.
Projecten: Heesterveld

                                       

Pals, Pieter was een Nederlands architect bij Bureau Monumentenzorg.
Projecten: Herengracht 88

                                       

Pelser, Johannes (1859-1939), geboren in Deventer, is tamelijk onbekend. Hij is één van de vele bouwkundigen die Amsterdam hebben vormgegeven in de periode van grote bouwactiviteiten rond de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw. Over hem is weinig meer bekend dan dat hij niet alleen als bouwkundige maar ook als makelaar actief was. Hij heeft rond 1900 meerdere panden in Amsterdam gebouwd waarvan Weesperstraat 26 (1889) weer is verdwenen. De winkelpui van Ferdinand Bolstraat 30 werd door hem al in 1901 vorm gegeven.
Projecten: Ferdinand Bolstraat 28-30

                                       

Peters, Cornelis Hendrik, architect (1847-1932) was de zoon van Charles Peters en Johanna Bernardina Blaauw. Hij trouwde op 14-10-1869 met Anna Helena Knoop (1843-1916). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.
Peters groeide op als enig kind in een Nederlands-hervormd gezin in de stad Groningen. Met het oog op een toekomstige positie als dominee bezocht hij het Stedelijk Gymnasium, dat hij echter voortijdig verliet. In 1863 ging hij in de leer bij architect A.Breunissen Troost te Sneek, die tevens directeur was van de plaatselijke gasfabriek.
Door bemiddeling van zijn werkgever kreeg Peters in mei 1867 de gelegenheid zijn opleiding te vervolgen op het bureau van de bekende architect P.J.H.Cuypers in Amsterdam. Daar bleek dat hij nog veel te leren had. Peters was er bovendien de enige protestant tussen allemaal katholieken: 'Het bureau, kwam aan de koffij-tafel binnen, en, jong als ik was, en Catholisch als alles om mij heen was, had ik altijd veel te vragen en stond dra de bibliotheek in huis voor mij open'. Zo maakte hij kennis met het werk van de invloedrijke Franse neogoticus en architectuurtheoreticus E.E.Viollet-le-Duc, die, evenals Cuypers, een op de constructieve principes van de gotiek gebaseerde rationele bouwstijl voorstond.
Deze Amsterdamse periode zou het begin vormen van een levenslange band met Cuypers. Nog in november van hetzelfde jaar stuurde Cuypers Peters terug naar Friesland als hoofdopzichter bij de bouw van de Sint-Vituskerk in Blauwhuis. Tegelijkertijd vestigde hij zich als particulier architect, overigens zonder grote opdrachten te krijgen. In 1870 was hij wederom hoofdopzichter bij een project van Cuypers, ditmaal bij de bouw van de Sint-Martinuskerk in Sneek.
In 1873 verhuisde Peters met zijn gezin naar Roermond om bureauchef te worden bij de firma Cuypers & Stoltzenberg, het mede door Pierre Cuypers opgerichte atelier voor kerkelijke kunst. Waarschijnlijk vanwege gezondheidsklachten verruilde hij deze functie in 1875 voor een nieuwe bij de Maastrichtse behangfabriek Zeller & Co waar hij na korte tijd al weer vertrok.
Opnieuw bleek Cuypers van grote betekenis voor Peters' loopbaan. Op diens instigatie en op die van Victor de Stuers, de invloedrijke secretaris van het College van Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en Kunst, werd de functie in het leven geroepen van Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën. Hoewel hij op dat moment nog geen enkel zelfstandig ontworpen en uitgevoerd gebouw op zijn naam had staan, werd Peters op 1 april 1876 als zodanig aangesteld. Deze benoeming was bedoeld om de positie van Cuypers en De Stuers, bondgenoten in een architectonische richtingenstrijd, te verstevigen. Beiden propageerden een nationale bouwstijl die was gebaseerd op de 16de-eeuwse bouwkunst, met een mengeling van neogotische en neorenaissance-elementen; een bouwstijl ook van vóór de Reformatie. Dat Peters protestants was, kon daarbij worden gebruikt als argument tegen de beschuldigingen dat de overheidsbouw overheerst werd door katholieken.
Peters verhuisde hierop met zijn gezin van Zuid-Limburg naar Den Haag.
De verheven titel van Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën was allerminst in overeenstemming met de omstandigheden waaronder Peters zijn werkzaamheden diende te verrichten. In het begin moest hij het op het departement namelijk doen met een bodekamertje, naar eigen zeggen 'een vertrek van 2 ½ bij 3 meter, met een tafel van 75 bij 100, twee stoelen en een potkacheltje. Voilà le bureau!' Een assistent had hij aanvankelijk niet, maar na enige tijd werd een geschikte scholier gevonden voor allerlei werk op het bureau, 'en zoo had de bouwmeester van het Rijk dan een hulp... na schooltijd'.
Hoewel Peters' primaire taak was het ontwerpen van post- en telegraafkantoren, waaraan een grote behoefte bestond sinds de invoering van de Postwet van 1870, werden zijn eerste jaren als Rijksbouwkundige volledig bepaald door de bouw van het nieuwe ministerie van Justitie aan de noordzijde van het Plein in Den Haag (1876-1883). Hij kreeg deze opdracht, die officieel niet onder zijn competentie viel, mede door toedoen van De Stuers. Het departementsgebouw, stilistisch sterk verwant aan het door Cuypers ontworpen Rijksmuseum in Amsterdam, werd één van de zuiverste voorbeelden van de nieuwe nationale bouwstijl voor overheidsgebouwen en tegelijkertijd Peters' visitekaartje.
In 1878 werd Peters benoemd in de nieuwe functie van Rijksbouwkundige voor de Landsgebouwen bij het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Hij kreeg nu de beschikking over een bouwkundig bureau met assistenten. Zijn werkterrein werd uitgebreid; hij werd nu ook betrokken bij restauraties, onder andere van de Ridderzaal en het Stadhouderlijk Kwartier, beide in Den Haag.
In 1884 werd de Dienst Landsgebouwen gesplitst in twee afdelingen, respectievelijk gericht op een noordelijk en zuidelijk district. Peters, die zich inmiddels Rijksbouwmeester mocht noemen, kreeg het noorden van Nederland als werkgebied. Zijn bureau was in het laatste kwart van de 19e eeuw verantwoordelijk voor het ontwerp van ongeveer 40 postkantoren, in eerste instantie steeds uitgevoerd in de door Cuypers bedoelde neogotische stijl met renaissance-invloeden. Geleidelijk liet hij zich steeds meer inspireren door de 13de-eeuwse Groningse romanogotiek, wat vooral tot uiting kwam in met nissen versierde topgevels. De invloed van de renaissance nam af, al verdween deze nooit helemaal uit zijn werk. Het Amsterdamse hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal (1895-1899) was in dit opzicht Peters' grootste en, door de excentrieke torens, meest omstreden ontwerp. Zo was het open lokettenfront in de grote hal een noviteit voor Nederland. Peters' gebruik van rode baksteen doorschoten met natuurstenen speklagen, segmentbogen boven kruisvensters, spitsboogfriezen en klimmende blindvensters, dit alles verpakt in een schilderachtig silhouet, leidde tot de term 'postkantorengotiek'.
In 1915 ging Peters met pensioen, maar bleef in Den Haag wonen. Daar was hij een bekende persoonlijkheid: 'rechtop, stevig, de parapluie in de rechterhand, een groote teekenportefeuille onder den linkerarm, de lange witte baard golvend op de manteljas'. Tot op hoge leeftijd bleef hij actief. Zo hield hij als lid van de Haagse kunstenaarsvereniging 'Pulchri Studio' geregeld voordrachten over de meest uiteenlopende onderwerpen. In 1932 overleed de man die in bijna veertig jaar zo'n honderdtwintig postkantoren bouwde en daarmee, zonder bij een breed publiek bekend te zijn, één van de meest gezichtsbepalende architecten van Nederland mag worden genoemd.
Projecten:

                                       

Peters en Boogers Lau Peters had een eigen architectenbureau waar zijn zoon J.Th. (Ted) Peters (1928-) in dienst kwam. Ook Frans L.Boogers trad bij dit bureau in dienst en werd later mede eigenaar. Peters en Boogers maakt sinds 2001 deel uit van Archivolt Architecten.
Projecten: Haardstee

                                       

Plaat, C. meester-metselaar.
Projecten: Rokin 102

                                       

Ploeg, Tijmen ingenieur en architect, eigenaar van een archtectenbureau op Prinseneiland in Amsterdam. Hij geeft les aan de Academie van Bouwkunst te Amsterdam. In veel van zijn ontwerpen worden we geconfronteerd met 'losse boxen' waarin badkamer, toilet en keuken zijn ondergebracht. Een bekend ontwerp van Tijmen is de roestige woonark in de Prinsengracht bij het Amstelveld.
Projecten: Herengracht 68

                                       

Popta, van, Sara is een Nederlands architect die werkt bij 19 Het Atelier Architecten.
Projecten: Huntum 14-15

                                       

Posthumus Meyjes jr., Christiaan Bernard (1893-1974) werkte vanaf 1919 samen met zijn vader C.B.Posthumus Meyjes sr onder de naam 'Bureau Posthumus Meyjes en zoon'. Na de dood van zijn vader ging hij in 1926 de samenwerking aan met architect Jakob van der Linden in architectenbureau Posthumus Meyjes en Van der Linden. Hij ontwierp vele soorten gebouwen, vooral landhuizen, kantoorgebouwen en ziekenhuizen. Posthumus Meyjes studeerde aan de Technische Hogeschool te Delft. Hij werkte een jaar op het bureau van architect Karel de Bazel. In 1916 kreeg hij opdracht de buitenplaats Schaep en Burgh te 's-Gravenland te restaureren. Tot zijn belangrijkste (nieuwbouw)projecten behoren de uitbreiding van het gebouw van de Kasvereeniging en het gebouw van de Javasche Bank (1938) te Amsterdam, het in 1999 afgebroken koel- en vrieshuis 'Amerika' in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam (1949) en in de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord de Dr.C.P.van Eeghenschool (1923).
Projecten: Keizersgracht 666

                                       

Posthumus Meyjes sr., Christiaan Bernard (1858-1922) studeerde in 1877-1880 aan de Polytechnische School te Delft. Van 1880 tot 1887 werkte hij bij de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) en ontwierp onder andere het hoofdkantoor van de maatschappij, gebouw De Droogbak in Amsterdam (mogelijk in samenwerking met D.A.N.Margadant), en het Station Delft, beide uitgevoerd in uitbundige neorenaissance. Andere leermeesters waren A.N. Godefroy (1822-1899) en W.A. Froger (1812-1883). In 1887 vestigde hij zich als zelfstandige architect in Amsterdam. In 1888 kreeg hij tevens een aanstelling als vaste architect van de Hervormde Gemeente te Amsterdam (17 kerken), waardoor de bezetting van zijn bureau opliep tot negen medewerkers. In deze periode was hij betrokken bij de herbouw van de Nieuwezijds Kapel en de bouw van de gotische westgevel van de Nieuwe Kerk. Ook ontwierp hij in 1913 de Prinsessekerk aan de Van Hallstraat die in 1918 in gebruik werd genomen in aanwezigheid van het koninklijk gezin. Voor Woningmaatschappij Oud-Amsterdam NV ontwierp hij complexen met arbeiderswoningen aan de Anjeliersstraat en Willemsstraat, die in 1898 werden voltooid. Hij was onder meer lid van de gemeenteraad van Amsterdam (CHU) en Provinciale Staten van Noord-Holland.
Projecten: Keizersgracht 666; Rokin 102

                                       

Prenen, Cilia is naar eigen zeggen een ‘tuinontwerpster met vuile nagels’. Zij tuiniert zelf en heeft de meeste planten waarmee zij werkt in de praktijk beproefd. Haar keuze voor het tuinvak werd beklonken door de verhuizing naar het Amsterdamse Johannapark in 1979. Achter zes stadstuintjes lag een haveloos stuk niemandsland. Samen met de buren en met de eenvoudigste middelen “niemand had geld”) ging zij aan het werk. Het terrein groeide uit tot een fraai gestructureerde tuin, die toont hoe met fantasie en ervaring een paradijselijke wereld kan ontstaan.
Projecten: Herengracht 68

                                       

Reus, de, Marc is een Nederlands architect opgeleid aan de TH Delft. Hij heeft nu een eigen architectenbureau, maar heeft eerder gewerkt bij Architectenbureau Jaap Dijkman.
Projecten: Prinsengracht 23

                                       

Rijnboutt, Kees (1939-) is een Nederlandse architect en stedenbouwkundige. Hij studeerde van 1956 tot 1964 aan de Technische Hogeschool in Delft. Kees Rijnboutt, de ontwerper van Hoogoord, Hofgeest, Haag en Veld en Hogevecht, was als architect van de Dienst Volkshuisvesting van 1964 tot 1975 betrokken bij de bouw van de Bijlmer. Hij was beïnvloed door historische Duitse vernieuwers als Bruno Taut en Ernst May. In 1975 trad hij toe tot de architecten-groep VDL. Rijnboutt was van 1989 tot 1995 Rijksbouwmeester. In 2001 ontving hij de BNA-kubus, voor zijn werk als architectonisch en stedenbouwkundig regisseur.
Projecten: Haag en Veld, Hofgeest, Hogevecht, Hoogoord

                                       

Rood, Emanuel Marcus (1851-1929). Rood werd in Maarssen geboren als zoon van de koopman Marcus Moses Rood en Hester Emanuel Coster. Na in Den Haag gewerkt te hebben als aannemer, vestigde Rood zich als aannemer-architect in Amsterdam. Als orthodoxe jood lag hij goed bij het orthodoxe Amsterdamse opperrabbinaat en bij de NIHS (Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge). Hij ontwierp onder meer de synagoge een de Gerard Doustraat, het gebouw van het Centraal Israëlitische Ziekenverpleging (samen met Harry Elte) en een aantal Amsterdamse chewre-sjoels (verenigingssynagogen). Daarnaast ontwierp hij woonhuizen en bedrijfspanden, waaronder de koffiebranderij van Alex Meijer & Co op de hoek van de Koningsstraat en de Krom Boomssloot, maar ook Plantage Muidergracht 155 (1892), Haarlemmerstraat 2 (1895) en Warmoesstraat 137 (1903). In Apeldoorn ontwierp hij het Paviljoen Hannah (paviljoen D) van Het Apeldoornsche Bosch.
Projecten: Gerard Doustraat 238

                                       

Ruijssenaars, Hans J.M. (1944-) is een Nederlands architect uit Baarn en opgeleid aan de TH Delft (bouwkunde, tot 1969) en de Universiteit van Pennsylvania in Philadelphia (1969-1971). In 1971 keerde hij terug naar Nederland als lid van 'De Architectengroep'. Van 1989 tot 2006 was hij in deeltijd hoogleraar Architectonisch Ontwerpen aan de Technische Universiteit Eindhoven. In 1995 won hij de Nationale Renovatie Prijs van het Ministerie van Economische Zaken in Den Haag. Tussen 1995 en 2000 was hij hoofdarchitect van het Rijksmuseum. In Amsterdam tekende hij ook voor de verbouwing van het Lido naar Holland Casino (1991).
Projecten: Herengracht 537

                                       

Rutgers, Gerrit Jan (1877-1962) werd geboren in Ellecom als zoon van een gelijknamige timmerman, die hem al op vroege leeftijd de praktijk van het bouwen leerde. Vanaf zijn zeventiende ontwierpen en bouwden zij samen woonhuizen. Na al op jonge leeftijd een indrukwekkende carrière te hebben opgebouwd in zijn geboortedorp, vertrok Rutgers in 1907 naar Amsterdam. Rutgers werkte hier een aantal jaren voor Willem Kromhout, maar via een positie als redactielid bij Architectura et Amicitia raakte hij bevriend met Jacques Roosing jr. en samen begonnen zij in 1911 een bureau. De twee architecten maakten faam als jonge en ambitieuze architecten met het bouwen van enkele villa’s en landhuizen voor de elite. Ook ontwierpen zij een eerste woningbouwblokje voor arbeiders met postkantoor aan het Spreeuwenpark in de nieuwe uitbreidingswijk boven ’t IJ. Nog zoekende naar een eigen stijl volgden zij in eerste instantie de functionele en constructieve beginselen van Berlage.
Toen de Eerste Wereldoorlog begon viel het bouwen zo goed als stil. Het bureau met Roosing viel uit elkaar en Rutgers die een oog had voor het vinden van werk begon aan een aanstelling bij Publieke Werken. Deze recent opgerichte afdeling voor de gebouwen voor alle gemeentelijke diensten had nog volop werk tijdens de oorlog. Hier kwam Rutgers in aanraking met een aantal jonge Amsterdamse architecten die bezig waren met het ontwikkelen van een nieuwe stijl. Onder leiding van Allard Hulshoff ontwikkelde Publieke Werken zich als de broedplaats van de Amsterdamse School. Architecten als Joan van der Meij, Piet Kramer, Arend Jan Westerman en Pieter Marnette beïnvloedden elkaar en zij bouwden gezamenlijk de eerste gebouwen van deze nieuwe beweging. Ook Rutgers laat zich verleiden tot deze romantische en moderne bouwstijl en zijn ontwerpen krijgen steeds meer eigenschappen als rondingen en sierlijke details in metsel- en smeedijzerwerk.
Na de oorlog in 1919 gaat Rutgers zelfstandig verder. Roosing is inmiddels volledig uit zicht verdwenen, maar voor Rutgers begint hier zijn meest productieve periode. Hoewel hij in de periode tussen 1919 en 1925 vele typische Amsterdamse School gebouwen ontwerpt, zou Rutgers zich langzaam afkeren van de beweging die in zijn ogen niet voldoende op rede is gebaseerd en daarom snel uit de mode raakt. Zijn architectuur moet het steeds meer hebben van veel beeldhouwwerk, subtiele details in smeedijzerwerk, metselwerk en natuursteen. Veel van zijn gebouwen tonen sterk uitgewerkte (hoek-)composities, zoals op de hoek Minervalaan en Gerrit van der Veenstraat. Een ander vaak voorkomende versiering zijn elkaar afwisselende banden van rood metselwerk en natuursteen als basement.
Een ander verschil met de bekendere architecten is dat Rutgers nooit bouwt voor woningbouwverenigingen. Rutgers’ opdrachtgevers blijven particulieren en bouwondernemers. Zo bouwt hij veel woningbouwblokken en villa’s in de nieuwe rijke buurten rondom de Lairessestraat en Beethovenstraat, middenstandswoningen in Plan West. Zo nu en dan bouwt Rutgers ook arbeiderswoningen, zoals in de Spaarndammerbuurt en Noord, maar dit zal nooit voor woningbouwcorporaties zijn.
In 1922 komt voor Rutgers zijn belangrijkste opdracht van zijn carrière. Na het winnen van een prijsvraag mag hij het ontwerp aanleveren voor een nieuw hotel aan de onlangs verbrede Vijzelstraat. Met de Olympische Spelen van 1928 in het zicht ziet een ondernemer een kans in het bouwen van het Grand Hotel Centraal, het grootste hotel van de stad op één van de drukste locaties. Ondanks dat dit project voortvarend van start gaat blijkt het uiteindelijk een fiasco. Allereerst blijken de drie verdiepingen diepe kelders van het gebouw veel meer te kosten dan aanvankelijk begroot. Vervolgens wordt Rutgers om de haverklap gevraagd de plannen te wijzigen. In eerste instantie hadden de opdrachtgevers slechts de helft van het volledige kavel aangekocht. In de loop der tijd hadden zij steeds de hand weten te leggen op aanliggende percelen, die bij het ontwerp werden gevoegd. Keer op keer wordt Rutgers gevraagd om het ontwerp aan te passen aan de nieuwe situatie. In 1927 begint de bouw van het hotel te haperen. Ondanks een stroom positieve berichten over de opleveringsdatum, blijkt in februari 1928 dat de ondernemers de situatie al een jaar veel rooskleuriger hebben doen overkomen dan de werkelijkheid. Het bedrijf achter het gebouw gaat failliet en het wordt duidelijk dat het gebouw niet op tijd afkomt voor de spelen. De kranten spreken schande van de situatie. Een nieuw Engels consortium koopt het half voltooide gebouw op een veiling voor een habbekrats en in mei 1929 wordt het gebouw dan eindelijk onder een nieuwe naam geopend. Het hotel Carlton opent uiteindelijk ruim een half jaar te laat haar deuren.
Ondanks dat het Carlton Hotel geen succesverhaal bleek, zou Rutgers toch uitgroeien tot de meest invloedrijke architect op het gebied van hotelbouw. Tussen 1926 en 1929 bouwt hij een uitbreiding voor het hotel American aan het Leidseplein. Ook het inmiddels befaamde café is van zijn hand. Met de opdracht voor restauratie van het interieur van het Amstel Hotel heeft hij zo de drie grootste hotels van de stad onder zijn hoede.
Rutgers’ bureau bereikt ondanks het hotel zijn hoogtepunt tussen 1927 en 1930 als hij gemiddeld 15 projecten per jaar voltooit. Hierna zakt de productiviteit van het bureau iets terug naar ongeveer vijf projecten per jaar, maar het komt tot een volledige stop in de oorlog. Een algehele bouwstop houdt Nederland van het produceren van nieuwe bouwprojecten af. Na de oorlog is er slechts behoefte aan goedkope en contemporaine strokenbouw zonder opsmuk.
Aan het einde van zijn carrière krijgt Rutgers nog een zeer eervolle opdracht. De in de oorlog omgekomen architect Blaauw heeft nooit zijn meesterwerk kunnen afmaken. Het complex ruime appartementen aan het Minervaplein mist nog vijf van de acht wanden die het plein afmaken. Samen met architecten Göbel en Berghoef wordt Rutgers in 1957 geselecteerd om de begeleiding van de voltooiing van de plannen te voeren naar het oorspronkelijke ontwerp van Blaauw. Ondanks dat de panden wat betreft uiterlijk zo goed als gelijk zijn, worden de interieurs flink gemoderniseerd. Zo kregen deze appartementen liften, een andere indeling en modernere materialen.
Wat Rutgers typeert is vooral zijn enorme productie. Hij bouwde ongeveer 150 projecten in Amsterdam en 7000 woningen. Dankzij zijn affiniteit met de markt lukte het Rutgers om veel zorg te besteden aan de uiteindelijke gebruiker. Zijn werk staat bol van de sierlijke details, maar ook van de romantische plekken als uitbouwen, erkers en balkons.
Projecten: Gerrit van der Veenstraat, Gerrit van der Veenstraat 36-38

                                       

Salm, Gerlof Bartholomeus (1831-1897). Salm liet zich inspireren door verschillende grote bouwstijlen uit het verleden. Zijn bouwwerken zijn voornamelijk te vinden in Amsterdam. Hij was jarenlang de vaste architect van de dierentuin Artis. Daarnaast was hij korte tijd voorzitter van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst. Hij bouwde voor het eerst in 1865 een woonhuis in Amsterdam op de hoek van Amstel en Sarphatistraat. Dat is in 1968 gesloopt. Gerlof woonde lange tijd aan de Plantage Middenlaan 19 in een door hemzelf gebouwd huis. Lange tijd werkte hij samen met zijn zoon Abraham Salm, die later zijn praktijk overnam.
Projecten: Herengracht 88

                                       

Schill, Theodoor Gerard (1852-1914). Schill begon zijn bouwkundige carrière met een studie tot civiel en bouwkundig ingenieur aan de Delftse Polytechnische School. Na het afronden van zijn studie was Schill enige tijd werkzaam op een architectenbureau in Wenen. In de jaren 70 van de negentiende eeuw zette hij vervolgens, samen met D.H. Haverkamp, een architectenbureau op in de Amsterdamse Jan Luijkenstraat (nummer 20). Hij had Haverkamp leren kennen toen hij tijdens de bouw van het Rijksmuseum op het bureau van Pierre Cuypers werkzaam was.
Projecten: Kalverstraat 2

                                       

Sijmons, Karel Lodewijk (1908-1989). Karel Sijmons groeide op in Helmond als zoon van Dirk Sijmons en Antje van Dijk. Op zijn 12e kreeg hij hersenvliesontsteking waardoor hij vanaf dat moment compleet doof was. Van 1924 tot 1927 volgde hij de ambachtsschool en werkte daarna kort bij de dienst Publieke Werken van de gemeente Helmond. Hier werd hij in 1928 ontslagen, er was in het katholieke Helmond geen plaats voor iemand van protestantse huize. In 1928 verhuisde hij naar Rotterdam waar hij een baan als technisch tekenaar bij het architectenbureau Otto & Logeman combineerde met een opleiding aan de Academie van Bouwkunst aldaar. 1930 volgt ontslag bij Otten & Logeman wegens omslag in denken naar de Nieuwe Zakelijkheid. Aansluitend verhuisde hij naar Amsterdam en ging werken bij architectenbureau Baanders. In 1931 naar de Academie van Bouwkunst in Amsterdam waar hij direct werd toegelaten tot het tweede leerjaar. In dat leerjaar waren de docenten hoogleraren uit Delft die weinig sympathie koesterden voor zijn ontwerpen in de geest van de Nieuwe Zakelijkheid. Zijn resultaten voor dat leerjaar: Hoofdproject (Plan voor een badhuis, begeleid door Prof.Lansdorp), een 2, een kleiner project een 1 en voor interieur een 0. Als architect ging hij uiteindelijk in 1932 aan de slag met twee collega's (Piet Zanstra en Jan Giesen) waarmee hij het bureau Zanstra/Giesen/Sijmons begon. Het eerste grote woningbouwproject dat het bureau binnenhaalde waren de atelierwoningen voor beeldende kunstenaars in de Zomerdijkstraat in Amsterdam-Zuid. Het bureau bleef voortbestaan tot 1954. Als zelfstandig architect bleef hij daarna tot 1989 actief.
Projecten: Keizersgracht 269

                                       

Slothouwer, Dirk Frederik (1884-1946). Slothouwer, geboren in Nederlands Indië, begon zijn loopbaan in 1905 na de afronding van zijn studie aan de Polytechnische School (TU) in Delft. In 1924 rondde hij zijn doctoraal af met een studie over de Hollandse Renaissance in Denemarken. Hierna werd hij in 1926 bij deze school tot professor benoemd. Maar al eerder deed hij van zich spreken, in 1906 en 1909 deed hij mij aan de Prix de Rome-prijs voor ontwerpers. In 1906 greep hij naast de eerste prijs, die ging naar J.M.van der Mey, in 1909 was het raak met zijn ontwerp voor het gebouw voor de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Naast vele kleine en groter projecten was hij van 1919 tot 1939 restauratiearchitect van de Dom in Utrecht.
Projecten: Kalverstraat 2; Kalverstraat 4-8

                                       

Spanjers, Kees C.M.J.G. Spanjers (1954). Zaanen Spanjers cs wordt gevormd rond Kees Spanjers, architect BNA|BNI, directeur en eigenaar van het bureau. Kees studeerde aan de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving te ‘s-Hertogenbosch, Academie Artibus te Utrecht en de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam, waar hij in 1977 afstudeerde. Mentoren waren ondermeer Jan Rietveld, Dirk van Sliedrecht en Pieter Zaanen. In 1976 startte hij samen met studiegenoot Jaco D.de Visser in Utrecht een eigen bureau voor interieurarchitectuur en kleinschalige architectuur. Deze samenwerking duurde tot 1984. Projecten uit deze periode zijn ondermeer restauraties van woningen in Utrecht en Delft, diverse verbouwingen en inrichtingen van woningen, winkels en kantoren. Van 1977 tot 1984 werkt hij part-time als interieurarchitect-projectleider bij Architectenbureau Pieter Zaanen te Amsterdam. Projecten in deze periode zijn ondermeer de restauratie van het voormalig veilinghuis Frascati in Amsterdam tot theatercomplex, restauraties van woningen en verbouw theater de Balie.
In 1984 treed hij full-time in dienst bij architect Pieter Zaanen, als medewerkend architect. Vanaf dit moment is hij mede-verantwoordelijk voor alle door het bureau uitgevoerde projecten. De belangrijkste hiervan zijn de herinrichting van het terrein van het voormalig Huis van Bewaring aan het Kleine Gartmanplantsoen te Amsterdam - thans Max Euweplein (verantwoordelijk architect) en de renovatie en herinrichting van de Beurs van Berlage (medewerkend architect). Binnen het bureau ontwikkelt hij deskundigheid op het gebied van de theaterarchitectuur. Na de reeds genoemde theaters Frascati en de Balie worden ondermeer gerealiseerd de Brakke Grond en Art & Pro.
In 1994 overlijdt architect Pieter Zaanen, en neemt Kees Spanjers de verantwoordelijkheid voor het bureau als architect en eigenaar over. De naam van het bureau wordt gewijzigd in BV Zaanen Spanjers Cs Architecten BNA|BNI. Vanaf dit moment ontwikkelt het werkterrein van het bureau zich verder op de bouw en inrichting van openbare gebouwen en 'publieke' interieurs. Belangrijkste projecten zijn onder meer de herinrichting Museumplein Amsterdam en Theater en Congrescentrum Meervaart in Amsterdam.
Projecten: Ambonplein 79

                                       

Stalpaert, Daniël (1615-1676). Daniel Stalpaert werd in Amsterdam geboren als de oudste zoon van Maeyken de Walperghen en de landschap- en zeeschilder Pieter Stalpaert (1571/2- In 1645 huwde hij Machtelt Lodders, de ll jaar oudere weduwe van houtkoper Egbert van Hoorn. Op 17 maart 1645 gingen in ondertrouw 'Daniel Stalpert, van Amsterdam, weduwnaar van Margrijten Fransdochter, opde Coninsgracht ende Machtelt Lodders, van Amsterdam, weduwe van Egbert van Hoorn, woonende opde Oudeschans.’
Zeer goed mogelijk is dat de houthandel van wijlen Egbert van Hoorn nog in bedrijf was met Machtelt als directrice. Stalpaert zal zijn vrouw hebben bijgestaan in deze handel. Daarom moet hij in deze jaren of wellicht al eerder les hebben gevolgd bij een van de vele wiskundigen, landmeters en timmerlieden die bouwkundig onderwijs gaven. Daarbij hoorde het uitrekenen van de hoeveelheden benodigd materiaal, het maken van bestekken en het natekenen van zuilenorden, kappen, trappen en eenvoudige bouwwerken. De houthandel, het bouwkundig onderwijs en zijn schildersopleiding vormden voor Daniel Stalpaert de basis voor het architectenvak. Maar dat hij in 1648 als stadsarchitect aangesteld werd, dankte hij aan het sociale milieu waarbinnen zijn vrouw zich bevond. We krijgen van haar duidelijkheid over het familievermogen en de familiebanden van de Lodders: geen burgemeesters en exorbitant rijke kooplieden, maar wel vroedschapleden en bemiddelde kooplieden, regenten en kerkmeesters. Door met Machtelt Lodders te trouwen kon Daniel Stalpaert de maatschappelijke ladder flink bestijgen. Tijdens hun leven waren Stalpaert en zijn vrouw bevriend met mr.Laurens van den Hem en de burgemeesters Cornelis Witsen en Nicolaes Pancras.
Nog steeds is niet duidelijk of Stalpaert voor hij stadsarchitect werd al enige ervaring had in de architectuur.
Stalpaert werd in 1669 benoemd tot eerste van de vier kerkmeesters van de Amstelkerk en in datzelfde jaar liet hij aan de Keizersgracht over drie erven een groot, breed huis bouwen voor zichzelf, met drie koetshuizen aan de direct erachter gelegen Kerkstraat.
Daniel Stalpaert heeft een bescheiden oeuvre nagelaten waarvan een aantal toeschrijvingen nog steeds discutabel is. Van de meeste stadsgebouwen wordt in de resoluties niet vermeld wie de opdracht kreeg het ontwerp te maken, maar een aantal keren vinden we, vooral buiten het stadswerk, Stalpaerts naam bij de betaling of opdracht van een ontwerp: de Zeemagazijnen en werven van de VOC en de Admiraliteit, de Oosterkerk, Diaconieweeshuis en -bakkerij, de Prinsenhof, de Leidsepoort en de Brug over de Amstel.
De aanstelling van Daniel Stalpaert als stadsarchitect, tegen een jaarsalaris van fl 1600, van 1648-1676 was uitzonderlijk, omdat deze functie voorheen nooit bestaan had en daarna pas in 1746 weer werd ingevoerd. Het was een functie die aan de bestaande bedrijfsstructuur van de Amsterdamse stadsfabriek werd toegevoegd.
In 1647-'48 werd begonnen aan de bouw van twee grootse bouwprojecten als ultieme blijk van de grote rijkdom en macht van de stad Amsterdam, waardoor de stadsfabriek flink in omvang werd uitgebreid en de stad een stadsarchitect benoemde, wat veranderingen in de leiding van de stadsfabriek met zich mee bracht. Zonder inleidende resoluties werd Daniel Stalpaert op 29 oktober 1648, de dag na de eerstesteenlegging van het nieuwe Stadhuis, aangenomen om de stad '...te dienen voor Architect ende dienvolgende getrouwe ende naerstige opsicht te hebben op aller publijcque gebouwen, welcke bij dese stadt tegenwoordige begonnen zijn, ofte naderhandt zullen worden, ende besonderl. op het opbouwen van 't nieuw stadthuijs, ende vande toorn aende nieuwe Kerck....’ Deze functie was met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1648 ingesteld, waaruit blijkt dat hij dus al enige maanden aan het werk was. Naast de functie van stadsarchitect was Stalpaert’s belangrijkste taak de dagelijkse leiding, als hoofdopzichter, voeren over de bouw van het Stadhuis en de toren en bij Van Campens afwezigheid het uitvoeren en eventueel aanpassen van Van Campens ontwerp. Gerrit Barentsz Swanenburgh werd in januari 1654 aangesteld als stadstimmerman en tevens benoemd als 'opsiender op de stadtswercken en arbeijts volck’.
Jacob van Campen had eind 1654 de bouw van het Stadhuis verlaten en Stalpaert moet alle verantwoording daarover gekregen hebben. Met Swanenburgh als hoofdopzichter over alle werken kreeg Stalpaert zijn handen vrij om zich te richten op het afbouwen van het Stadhuis en op andere architectuuropdrachten: 's Lands Zeemagazijn voor de Admiraliteit was al in voorbereiding.
Stalpaert maakte met zekerheid diverse ontwerpen voor de invulling van de Nieuwe Vergroting: de Leidsepoort, de Brug over de Amstel, de Ossemarkt met opstallen, de Metseltuin met ambtswoning en andere kleine zaken en reparaties.
Met het overlijden van Daniël Stalpaert op 61-jarige leeftijd werd de functie van stadsarchitect opgeheven en moesten alle werkzaamheden worden uitgevoerd door de Stadsfabriek.
Stalpaert werd op 3 december 1676 begraven in de Nieuwe Zijds Kapel in het graf van zijn schoonvader.
Projecten: Trompenburgh

                                       

Stam, Martinus Adrianus (Mart) (1899-1986). Stam was meubelontwerper en architect. Hij was een vertegenwoordiger van het Nieuwe Bouwen. Aanvankelijk was hij communist en heeft in 1920 zes maanden gevangengezeten wegens dienstweigering. Hij was de ontwerper van de eerste achterpootloze, stalen buisstoel of de Freischwinger (1926 in Stuttgart). Stam was van mening dat de functionaliteit en de uitvoerbaarheid van een gebouw voorop stonden. Het gebouw moest de mens dienen. Met deze visie kon hij terecht in de Sovjet-Unie van Stalin, waar hij van 1930 tot 1934 werkte. In 1935 was hij terug in Amsterdam en ontwierp een serie drive-in woningen aan de Anthonie van Dyckstraat. Voor dit vernieuwende ontwerp ontving hij veel lof. Van 1934 tot 1948 was hij directeur van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs. Als directeur van de Kunstnijverheidsschool te Amsterdam was hij weinig geliefd wegens zijn autoritaire optreden. Hij vertrok in 1948 naar de Sovjet-bezettingszone in Duitsland, waar hij een instituut voor industriële vormgeving stichtte en directeur was van de Kunsthochschule Weißensee. Stam moest helpen kunst en industrie te onderwerpen aan het gezag van de communistische partij. Dit viel hem steeds zwaarder en op Oudjaarsdag 1952 keerde hij gedesillusioneerd terug naar Nederland, waar hij echter met gemengde gevoelens werd ontvangen. Hij kwam aanvankelijk in dienst bij Merkelbach en Elling maar begon al spoedig weer voor zichzelf. Opdrachten die hij kreeg kwamen vooral via Benjamin Merkelbach, die een leerling van hem was geweest. Onder de projecten die hij in deze periode in Amsterdam realiseerde waren het kantoorgebouw voor de 'De Geïllustreerde Pers' aan de Stadhouderskade (1957), een flatgebouw aan de Beethovenstraat 'Princesse Flats' (1961) en een woontoren aan de Linnaeusstraat (1962). Na een ziekte sloot hij in 1966 zijn bureau en trok zich met zijn tweede vrouw terug in Zwitserland waar hij in Goldach overleed.
Projecten: Linnaeusstraat 119;

                                       

Sterenberg, Jan Johannes (1923-2000) liet in de periode 1956-1990 overal in Nederland zijn sporen na en was een van Nederlands vurigste pleitbezorgers van betere, goedkopere en seriematige woningbouw in een sobere, functionele architectuur. Begonnen als ontwerper van ruim opgezette bungalows in Ter Apel, groeide Sterenberg uit tot bouwer van grote woningbouwprojecten, inclusief de stedenbouwkundige planning daarvan. Zo werd Sterenberg de uitvinder van het woonerf. Hij bouwde eerst in Emmen (vooral Emmerhout) en Groningen (Lewenborg), gevolgd door onder meer woningbouwprojecten in Den Bosch, Apeldoorn, Zoetermeer, Lelystad en de Bijlmermeer. Sterenberg profiteerde van de bouwexplosie eind jaren ’60. Vanuit het kleine kantoor in Ter Apel groeide in de jaren ’70 zijn bureau met 120 mensen in dienst razendsnel uit tot een groot, landelijk bekend architecten- en ingenieursbureau.
In zijn werkwijze was Sterenberg zijn tijd ver vooruit door open te staan voor de wensen van de toekomstige bewoners. Hij baarde opzien door praatgroepen te organiseren, waaruit bewonerswensen naar voren kwamen die daadwerkelijk in de ontwikkeling van woonwijken werden verwerkt. De grondfilosofie van het bureau was en bleef: het respect voor de mens die moet wonen is de maatstaf.
Tussen 1977 en 1993 was Jan Sterenberg hoogleraar Seriematige woningbouw aan de T.H. in Delft. Na de teloorgang van het bureau in 1983 heeft hij zich ingezet voor Museum Klooster Ter Apel.
Projecten: Kelbergen

                                       

Stigt, van, Joop (1934-2011) is in 1966 met architectenbureau J.van Stigt gestart. Van Stigt leerde het vak van architect met de hand, in plaats van naar het gymnasium te gaan, leerde hij het vak van timmerman. Van Stigt begon zijn carrière bij Alexander Bodon en Aldo van Eyck, en won als jonge architect in 1962 de Prix de Rome.
Zijn ervaring met timmeren maakte van Van Stigt een architect die wist hoe er gewerkt wordt op de bouwplaats, maar die ook streng ontwierp en een grote rol opeiste in het bouwproces. Hij wilde de werktekeningen en de directievoering leveren en in de bouw kon hij zich zelfs met de spijkers bemoeien. 'Als er in de materialenlijst staat 6 kilo draadnagels, dan vraagt Joop van Stigt zich af: hoeveel spijkers zijn dat en hebben we al die spijkers wel nodig? Hij is in staat om een pond spijkers te wegen, het aantal te tellen en dan te concluderen dat als je goed kan timmeren 4 kilo spijkers wel voldoende is', schreef Wiek Röling in het boek 'Bouwmeesters met draagvlak'. Tot 1999 was hij hoogleraar Renovatie en Onderhoudstechnieken aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Hij heeft veel renovatieprojecten geleid, vooral in Amsterdam waar hij onder andere het Entrepotdok voor bewoning geschikt maakte. Hij is in 1999 als directeur opgevolgd door zijn zoon André.
Prijzen: In 1984 de BNA-kubus voor zijn gehele oeuvre, in 1987 de Wibautprijs en De Nationale Renovatieprijs voor het Entrepotdok.
Projecten: Ambonplein 79; Keizersgracht 123; Keizersgracht 123; Nieuwe Keizersgracht 94

                                       

Straaten, van, Johannes (1781-1858) werd voor architect opgeleid en vestigde zich in 1806 te Amsterdam. Hij was ook timmerman en makelaar in huizen. Onder de door hem tot stand gebrachte bouwwerken verdienen genoemd te worden: in 1821 een winkelhuis aan de Nieuwendijk te Amsterdam, een buitenplaats voor W. van Loon te 's Graveland, het gebouw voor het Leesmuseum en verschillende kerken te Amsterdam. Hij voerde het ontwerp der Mozes- en Aäronkerk te Amsterdam van Tieleman Franciscus Suys uit. Met zijn schoonzoon J.J.Offenberg bouwde hij de kerk de Zaaijer te Amsterdam. Langzamerhand kreeg hij ook als aannemer veel werk. Een deel van de Amsterdamse Beurs is door hem aangenomen.
Omstreeks 1820 richtte hij de 'Maatschappij tot aanmoediging der bouwkunde' op. Zij ging in 1830 teniet. Gelukkiger was hij met de 'Maatschappij tot bevordering der bouwkunst'. Hij was daarvan van 1841 tot 1845 penningmeester, daarna tot 1856 gewoon bestuurslid.
Projecten: Rokin 102

                                       

Studiospacious is een jong bureau van twee architecten, Freddy Koelemeijer en Coen Smit, die meer dan 10 jaar ervaring hebben in het ontwerpen van gebouwen in de stad. Zij hebben bij gerenommeerde Amsterdamse architectenbureaus gewerkt aan woningbouwprojecten, hotels, kantoren, zorgwoningen, interieurs en scholenbouw. Studiospacious is opgericht in 2016 en werkt aan projecten op het gebied van architectuur, stedenbouw, interieur en meubelontwerp. Freddy is allround, altijd op zoek naar de geëigende logica van een project en gek op deadlines. Coen is een organisator die alles in het werkt stelt om een proces succesvol te laten verlopen. Hij is sterk in het bedenken van concepten en het doorvertalen ervan naar een consistent ontwerp. De afgelopen jaren heeft hij zich daarnaast geconcentreerd op de organisatorische en programmatische kant van projecten. Naast zijn werk als architect is hij als gastdocent betrokken bij het architectuuronderwijs.
Projecten: Nieuwe Jonkerstraat 19

                                       

Stuyt, Jan (Purmerend 1868 – Den Haag 1934) was een Nederlands architect. Hij geldt als één van de belangrijkste Nederlandse kerkenbouwers van de 20e eeuw. Voor het katholieke volksdeel ontwierp hij bovendien kloosters, ziekenhuizen en scholen.
In 1882 kreeg Stuyt een stageplaats bij architect H.P.van den Aardweg in Purmerend en vanaf 1883 werkte hij als leerling op het kantoor van A.C. Bleijs, waar op dat moment de voorbereidingen voor de bouw van de Sint-Nicolaaskerk in Amsterdam in volle gang waren. Bleijs' voorkeur voor de romaanse stijl was van blijvende invloed op Stuyt. In 1891 trad hij als tekenaar in dienst van de firma Cuypers in Amsterdam. Hij wint de 3e prijs voor het ontwerp "vorstelijk verblijf". Tussen 1895 en 1898 was hij hoofdopzichter bij de bouw van de Sint-Bavo-Kathedraal in Haarlem.
In 1898 begint hij als zelfstandig architect en ontwerpt kerken voor de Poolse stad Lódź (niet uitgevoerd) en Kopenhagen (uitgevoerd). Zijn eerste Nederlandse kerk, de Sint-Pancratiuskerk, tevens zijn eerste uitgevoerde ontwerp, bouwde Stuyt in 1899-1900 in Sloten (Amsterdam).Na dit eerste succes ging Stuyt in 1898 een partnerschap aan met Jos Cuypers, met wie hij tot 1908 zou samenwerken. Jan Stuyt maakte reizen naar Duitsland (Beuron), Italië, Palestina en de Verenigde Staten. Gedurende deze periode zouden beide architecten steeds meer loskomen van de heersende neogotiek. Het is onduidelijk in hoeverre de twee architecten echt samenwerkten, aangezien er vaak duidelijke verschillen in bouwstijl bestaan. Stuyt oriënteerde zich op de neoromaanse stijl en ontwikkelde bovendien een grote interesse in de centraalbouw. Beide interesses waren in belangrijke mate het gevolg van de eerste Nederlandse bedevaart naar Palestina in 1903, waarvan Stuyt een van de deelnemers was en waarbij ook enkele plaatsen in Italië en de Turkse stad Constantinopel (Istanbul) werden bezocht. Met name de Hagia Sophia in die stad maakte grote indruk op Stuyt. Tijdens zijn reis naar het Heilige Land leerde hij kapelaan Arnold Suys en de kunstenaar Piet Gerrits kennen. Met hen zou hij samenwerken om het project Heilig Landstichting, een Nederlands en Europees devotiepark, tot stand te brengen.
In 1908 trouwde Jan Stuyt met Jeanne Louise Barozzi, uit dit huwelijk kwamen vier kinderen voort. Tevens had hij van 1908 tot 1917 zijn eigen architectenbureau in Amsterdam. Daarna woonde hij, tot zijn overlijden, in Den Haag. In 1909 kwam er een filiaal van bureau Stuyt in Heerlen.
Nog tijdens de samenwerking met Cuypers ontwierp Stuyt een aantal kerken die qua stijl sterk op de romaanse stijl van Noord-Italië waren gericht. Na het beëindigen van de samenwerking met Jos Cuypers ontwierp hij nog vele dorpskerken in dezelfde neoromaanse stijl. Hierbij leek hij gebruik te maken van een beperkt aantal standaardcomponenten, die naar believen gecombineerd konden worden.
Na zijn dood werd Stuyt’s kantoor korte tijd voortgezet door zijn zoon Giacomo.
Projecten: Gerardus Majellakerk

                                       

Te Kiefte Architekten is sinds 1987 het architectenbureau van Henk te Kiefte in Borne (Overijssel).
Projecten: Dennenrode

                                       

Tétar van Elven, Martin Gerard (1803-1882), architect en bouwkundig tekenaar. De ontwerpen van Tétar van Elven zijn niet spectaculair te noemen; het waren geen grote prestigieuze projecten die hem internationale roem verschaften, maar meer op bescheiden schaal uitgevoerde ontwerpen, die door hun goede uitwerking invloed uitoefenden. In een aantal opzichten echter is Tétar van Elven vernieuwend te noemen en hebben zijn ontwerpen anderen aangezet tot navolging.
De kunstzaal in Arti et Amicitiae is om twee redenen het meest invloedrijke ontwerp van Tétar van Elven geweest. In de eerste plaats waren de korbelen de eerste gietijzeren constructiedelen in Nederland, en in de tweede plaats was het verlichtingssysteem vernieuwend en invloedrijk. Na de opening van de zaal in 1841 bleef men tevreden over de expositieruimte en er werd regelmatig naar verwezen als een goed voorbeeld van een museumzaal. Binnen de Maatschappij liet men opnieuw de waardering voor het ontwerp blijken door de architect J.H.Leliman bij de verbouwing van 1855 de opdracht te geven een exacte kopie van de kunstzaal te maken. Maar ook buiten Arti et Amicitiae werd het belichtingssysteem van de zaal hoog geschat. In 1863 ontwierp Cornelis Outshoorn, sinds 1860 lid van Arti, zijn kunstzaal in het museum Fodor aan de Keizersgracht met het verlichtingssysteem van Tétar van Elven.
Tétar van Elven was in zijn tijd een zeer gerespecteerd architect. Hij was actief binnen een aantal (kunst)genootschappen en was de leermeester van een aantal talentvolle architecten, waaronder Leliman. Maar het belangrijkste was natuurlijk zijn veelgeprezen oeuvre. Daarbij kan opgemerkt worden dat het Tétar van Elven duidelijk niet ontbrak aan vernieuwingszin. De toepassing van gietijzer en warmwatervoorzieningen en het feit dat hij één van de eerste was die werkte in de stijl van het eclecticisme, tonen dit duidelijk aan. Toch heeft de roem niet heel lang geduurd. Zo verscheen er in 1902 een artikel met de titel ‘vergeten bouwmeesters’ waarin hij werd genoemd. Het eclecticisme was uit en de bouwmeesters die in deze stijl werkten waren vergeten. Dit had tot gevolg dat zijn werk als weinig waardevol werd beschouwd en er zijn maar weinig werken van Tétar van Elven bewaard gebleven. De kunstzaal in Arti et Amicitiae is onherkenbaar veranderd en verder zijn er nog de lantaarns op de Dam, het Odeon en de gevel van de Doopsgezinde Gemeente.
Projecten: Singel 460

                                       

Tholens, Karel Petrus (1882-1971) is een zoon van Cornelis Theodorus Tholens en Christina van Vuuren. Hij kreeg zijn opleiding bij Anton J.Joling. Als architect werkt hij voor overwegend rooms-katholieke opdrachtgevers en ontwerpt een groot aantal kerken, kloosters, scholen, woonhuizen en bedrijfspanden. Vanaf 1904 woont hij in Amsterdam, waar hij veel gebouwd heeft. Zijn belangrijkste werken zijn tijdens het interbellum gerealiseerd: het klooster De Voorzienigheid aan de Elandstraat (1924-1926), de Chassékerk (1926) 2007 gesloten, de monumentale Sint-Augustinuskerk (1930-1932) gesloopt in 1976, de Sint Stephanuskerk (1932-1933) en de voormalige rooms-katholieke Ambachtsschool Don Bosco (1933-1935) gesloopt in 2005. Tholens' naam is ook verbonden aan twee belangrijke naoorlogse Amsterdamse kerken: de Sint-Josephkerk (1951-1952) samen met G.H.M.Holt en de Christus-Koningkerk (1957-1959), samen met H.J.van Balen.
'Modern maar niet modernistisch' oordeelden tijdgenoten over Tholens bijzondere ontwerp voor Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand (Chassékerk) een stempel dat op vrijwel al zijn gebouwen van toepassing is. Tholens sloot zich niet aan bij de belangrijkste architectuurstromingen van zijn tijd zoals de Amsterdamse of Delftse School. Sobere, geabstraheerde vormen kenmerken zijn hoofdzakelijk in baksteen opgetrokken scheppingen, waarin hij bovendien al vroeg op grote schaal experimenteerde met moderne bouwmaterialen en bouwtechnieken.
Tholens woonde aan de Amstel 242 tussen 1918 en 1968.
Projecten: Oudezijds Voorburgwal 18

                                       

Tiemens, H. is een architectenbureau in Emst (Gelderland).
Projecten: Huntum 65, 74 en 75

                                       

Vandenhove, ridder, Charles (1927-) is een Belgisch architect. Het architectenbureau Charles Vandenhove et associés is gevestigd in Luik. In 1945 studeerde Vandenhove af aan de Luikse hogeschool Saint-Luc en in 1951 aan de hogeschool voor architectuur La Cambre in Brussel. Vandenhove verwierf grote naamsbekendheid met zijn ontwerp voor de universiteitscampus Sart-Tilman van de Universiteit van Luik in de jaren 70. Bij het project Cour Saint-Antoine in de binnenstad van Luik, liet Vandenhove zien dat moderne, functionalistische ideeën kunnen samengaan met respect voor het historische weefsel van oude steden. Vanaf de jaren 90 is Vandenhove vooral actief in Nederland. Veel van Vandenhoves woongebouwen worden gekenmerkt door halfronde zinken daken, Franse balkons en Louvre-luiken.
Projecten: Da Costakade 12

                                       

Vingboons, Justus (ca.1620-ca.1698) was een Nederlands architect. Hij was één van de tien kinderen van de Mechelse schilder David Vinckboons en een jongere broer van de bekendere Philips Vingboons. Justus bouwde net als zijn broer in de stijl van het Hollands Classicisme. Zijn belangrijkste werk is Kloveniersburgwal 29 (het Trippenhuis) te Amsterdam, waarin het Hollandse Classicisme zijn zuiverste en rijkste uitdrukking vindt. De geheel zandstenen gevel is zeer rijk gedetailleerd en heeft acht kolossale Korinthische pilasters met cannelures: een unicum voor een woonhuis.
Projecten: Kloveniersburgwal 26; Kloveniersburgwal 29

                                       

Vingboons, Philips of Philiphus Vinckebooms (ca.1607-1678) was een Nederlandse architect die behoorde tot de school van Jacob van Campen, het Hollands classicisme. Vingboons was vooral actief in zijn geboortestad Amsterdam en waarschijnlijk een van de eerste architecten, die van zijn werk kon leven.
Hij was één van de tien kinderen van de Mechelse schilder David Vinckboons die zich in Amsterdam had gevestigd. Hij is opgegroeid in de Sint Antoniesbreestraat, achter het Trippenhuis. Bijna de hele familie tekende, schilderde of graveerde. Philips Vingboons wordt wel de uitvinder van de Amsterdamse halsgevel genoemd. Zo is de oudste halsgevel van Amsterdam, Herengracht 168 uit 1638, door hem ontworpen. Kloveniersburgwal 95 uit 1642, is één van de fraaist geproportioneerde Amsterdamse stadspaleizen in classicistische stijl. Philips Vingboons was op het hoogtepunt van de macht en rijkdom van Amsterdam, halverwege de 17e eeuw, de belangrijkste architect van Amsterdam. Vingboons ontwierp vooral woonhuizen omdat hij vanwege zijn katholieke geloof niet in aanmerking kwam voor opdrachten van de overheid.
De zogenaamde Vingboonsgevel werd in de periode van het Hollands Classicisme (1640-1665) op grote schaal nagebootst. Op eenvoudiger huizen verschijnt een pilaster-halsgevel, eenvoudig uitgevoerd in baksteen met enkele sobere ornamenten. Dit type wordt wel een Vingboons-imitatie genoemd.
Projecten: Geldersekade 18; Herengracht 450; Singel 460

                                       

Vorkink, Pieter (1878-1960) is in Amsterdam geboren. Zijn eerste bouwkundige vorming krijgt hij op de Industrieschool van de Werkende Stand in Amsterdam. Hij werkt op verschillende architectenbureaus, onder andere bij H.P.Berlage.
In 1897 wordt hij lid van het Genootschap Architectura et Amicitia, de bouwkundige vereniging waarbinnen hij zeer actief is. Van 1910 tot 1926 is hij als leraar verbonden aan de bouwkunde-afdeling van de School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Ambachten te Haarlem. Samen met Blaauw en Verkruysen is hij er in 1925 directeur.
Tussen 1905 en 1925 werkt Vorkink samen met J.Ph.Wormser in de Amsterdamse Schoolstijl. In 1907 ontwerpen ze het uitbreidingsplan Watergraafsmeer. Beroemd is hun landhuis 't Reigersnest in Oostvoorne. Na beëindiging van de samenwerking met Wormser is Vorkink nog tot ca. 1940 als architect werkzaam. Hij verhuist rond 1940 naar Roekel. In 1960 overlijdt hij in Ede.
Projecten: Montelbaanstraat 6

                                       

VVKH Architecten sinds 2018 Studio VVKH geheten. Drie noemers karakteriseren de projecten van de ontwerpende partners van VVKH architecten. Drie aspecten die uiteindelijk de schoonheid van een gebouw bepalen. Het gaat daarbij om de juiste verhoudingen, in een architectuur die duurzaam is en waarin de gebruiker centraal staat. Het werk is modern, vernieuwend en expressief te noemen, en verankerd in een Nederlandse traditie van materiaalgebruik en vormentaal. Ronald Knappers: ‘Het ontwerpproces is een samenspel tussen beide partijen: een ontwerp gaat van grof naar fijn, dat kan alleen met inbreng van de toekomstige gebruiker.’ De bureauorganisatie is opgebouwd rond gelijkwaardige pijlers: architectuur, bouwtechniek en financiën. De kennis en ervaring is in huis om opdrachtgevers vanaf de eerste schets tot en met de technische uitwerking en oplevering bij te staan. De ontwerpende partners onderscheiden zich van elkaar door hun ontwerpstijl.
Het werk van Ronald Knappers wordt gekenmerkt door materialen en detaillering en een sterke aandacht voor de locatie en de gebruiker.
Het werk van Gerrit-Jan van Rijswijk wordt gekenmerkt door een frisse heldere ontwerpstijl en aandacht voor de uitwerking.
Gemeenschappelijk uitgangspunt is dat een ontwerp goed in zijn omgeving moet passen.
Projecten: Hofgeest, Hoogoord

                                       

Walenkamp, Herman Johannes Maria (1871-1933). Herman Walenkamp kreeg zijn opleiding aan de Kunstnijverheidsschool Quellinus in Amsterdam. Deze school was opgericht op initiatief van Pierre Cuypers. Walenkamp ging vervolgens werken als tekenaar op het bureau van Cuypers, waar hij in contact kwam met Karel de Bazel en Jan Lauweriks. Tussen 1897 en 1902 gaf hij met hen cursussen in de door hen opgerichte theosofische Vahânaloge in Amsterdam (1896-1931) in tekenen, kunstgeschiedenis en esthetica. Hierbij legden zij verbanden tussen een wiskundige architectonische orde, de natuur en de kosmos. Walenkamp was later ook werkzaam op de bureaus van Abraham Salm en Hendrik Petrus Berlage.
Als vernieuwer in de Nederlandse architectuur heeft Walenkamp vooral betekenis gehad door zijn invloed op Berlage. Zijn ontwerp uit 1895 voor het Algemeen Bibliotheekgebouw met strakke geometrische baksteenvlakken was voor die tijd opvallend modern. Het ontwerp was door deze stilistische vernieuwing ongetwijfeld van grote invloed op de architectuur van de Koopmansbeurs van Berlage in Amsterdam. Na dit belangrijke en invloedrijke begin bleef de architectonische ontwikkeling van Walenkamp echter steken. Geen van diens monumentale ontwerpen werd uiteindelijk ooit uitgevoerd.
Het oeuvre van Walenkamp heeft een tamelijk bescheiden omvang. Zijn bekendste werk is wel de Zaanhof in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt uit 1916. De woningblokken omsloten hierbij een binnenterrein met plantsoenen en grasvelden. De ruime opzet met een groen binnenterrein was qua opzet modern ten opzichte van de traditionele sociale woningbouw met langgerekte blokken en diepe woningen. In 1919 ontwierp hij een iets soberder uitgevoerd bouwplan voor de Maatschappij tot Huizenbouw benoorden het IJ NV aan de Meeuwenlaan in Amsterdam-Noord, dat enige gelijkenis vertoont met het Zaanhof.
Projecten: Herengracht 502

                                       

Westerman, Arend Jan (1884-1966). Westerman studeerde in 1910 af aan de Industrieschool in Zwolle. Na korte tijd elders te hebben gewerkt trad hij in 1914 in dienst bij de Dienst der Publieke Werken te Amsterdam waar hij tot 1922 werkzaam was. Hier bouwde hij, zoals in de jaren 1910 bij PW gebruikelijk was, in een stijl die nauw verwant was aan de Amsterdamse School. Voorbeelden zijn het bemalingsgebouw aan de Amsteldijk (1919), de badhuizen aan de Diamantstraat en op het Boerhaaveplein (1921), de Vierde Ambachtsschool aan de Postjesweg (1922) en de 1e Openbare HBS en de 2e Openbare Handelsschool aan beide kanten van de Pieter Lodewijk Takstraat (1924), tegenwoordig beide in gebruik bij het Berlage Lyceum. Hierna bouwde hij voornamelijk woningbouwcomplexen, meestal voor particuliere ondernemers en zelden voor woningbouwverenigingen, waarvan het merendeel in Amsterdam en Den Haag staat.
Tot circa 1938 bouwde hij enkele honderden woningen in blokbouw in Amsterdam-West en -Zuid, om vervolgens in twee jaar tijd en in een nog eenvoudiger stijl zo'n 200 etagewoningen in Bos en Lommer (bijvoorbeeld Sanderijnstraat) neer te zetten. Kenmerkend voor al dit werk zijn de platte daken en een bijzondere manier van roedeverdelingen in de raampartijen. Westerman’s bekendste naoorlogse ontwerp is het kantoor van de Belgische Assurantiemaatschappij 'A.G. van 1830' aan het Kleine-Gartmanplantsoen te Amsterdam.
In december 2017 is de brug in de Baarsjesweg tegenover zijn Ambachtsschool naar hem vernoemd.
Projecten: Herengracht 613

                                       

Wijnstok jr., J.B.
Projecten: Commelinstraat 16

                                       

Wilhem, de, Jacobus meester-timmerman.
Projecten: Herengracht 531

                                       

Wolf, de, Lubertus Jacobus Lubertus begon zijn loopbaan als jongmaatje in de bouwvakken en was eigenlijk aannemer. Door een financiële crisis hiertoe genoodzaakt, begon hij in 1908 zelf plannen uit te werken en geleidelijk tekenwerk aan te nemen voor particulieren. Zijn bureau verwierf allengs bekendheid. Behalve verbouwingen ontwierp hij winkelpuien en bouwde hij verschillende woningen en kantoren.
Projecten: Nieuwe Keizersgracht 33