Nieuwe Keizersgracht 120 (hernummert 570)
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Evangelisch-Luthers Diaconiehuis voor oude mannen en vrouwen De Wittenberg
Adres: Nieuwe Keizersgracht 120 (hernummert 570), Nieuwe Kerkstraat 159 (achteringang)
Architect: Coenraat Hoeneker
Bouwtijd: 1772
Opdracht: Lutherse Diaconie

Het Diaconie Huis (1771-1811)
Zorg voor armlastige gemeenteleden en hun nabestaanden is een taak van een diaconie.
De diakenen hadden al eerder een oplossing gevonden voor de wezen, maar er was voor een andere categorie kinderen, de bestedelingen, nog geen regeling getroffen. Meestal waren dit kinderen van zeelieden, die als half-wezen onverzorgd achterbleven. In 1740 werd een diaconale commissie benoemd teneinde de mogelijkheid van het bouwen van een bestedelingenhuis te onderzoeken. De commissie moest echter op 26 april van hetzelfde jaar rapporteren, dat de geldmiddelen hiertoe ontoereikend waren.
In 1768, kwam het plan weer ter tafel, toen de financiële toestand inmiddels aanzienlijk verbeterd was ten gevolge van enige belangrijke erfenissen zoals die van Johanna Maria Kromhuizen, vrouwe van Den Bosch (1689-1763). Zij had in 1763 bij testament twee ton aan de Diaconie vermaakt voor de bouw van een oude mannen- en vrouwenhuis. Een in kleuren uitgevoerd wapenbord in de regentenkamer brengt deze belangrijke schenking in herinnering.
Mede door enkele andere aanzienlijke schenkingen en legaten werd de bouw mogelijk en kon ook het onderhoud ruimschoots worden bekostigd. Op 1 november 1768 besloten de diakenen tot de bouw van een Diaconie Huis, waarin bestedelingen, maar ook behoeftige oude lieden zouden worden ondergebracht. Een commissie uit de diaconie nam de leiding op zich van de werkzaamheden die hieruit voortvloeiden. De lutherse Diaconie wilde hiervoor een gebouw plaatsen aan de Nieuwe Keizersgracht. Hierbij kregen ze de volledige medewerking van het Amsterdamse stadsbestuur dat hiervoor langs de Muidergracht, thans Nieuwe Keizersgracht, een perceel ‘vrijelijk’ ter beschikking stelde en ook geen accijnzen vroeg. Dit gebaar werd in grote dank aanvaard. Door deze ruimhartigheid kon het gebouw groter worden dan aanvankelijk de bedoeling was.
De eerste steen voor het huis van drie verdiepingen op het Weesperveld, dat plaats zou gaan bieden aan 300 bewoners, werd op 6 september 1769 gelegd door de welgestelde koopman en kunstverzamelaar Jan Gildemeester Jansz.
In december 1771 kon het gebouw in gebruik worden genomen. De totale bouwkosten bedroegen toen fl. 229.000.
De medewerking van de stedelijke regering is in de stichting in marmer vereeuwigd. Dat gebeurde door een gedenkplaat boven de middendeur in de grote zaal. De bekroning vertoont het wapen van Amsterdam, omgeven door een leeuw, een zwaan als het bekende attribuut van Luther, een vrijheidshoed en een mercuriusstaf. Het geheel wordt bekroond door een adelaar. Ter weerszijden van de deur zijn op de pilasters, met festoenen aan de bekroning verbonden en geplaatst op lictorenstaven als symbolen van het gezag, de wapens van de vier burgemeesters aangebracht. Links onder elkaar Huyghens en de Vrij' Temminck, rechts Boudaen en Clifford.
De toegangsdeur van de kerkzaal heeft eveneens pilasters en festoenen. Nu is echter geen gebeeldhouwd marmer, maar houtsnijwerk toegepast. Hier staan de namen van de twaalf gecommitteerden voor de bouw, met hun geslachtswapens weergegeven.
Er was een tuin 'welke rondsom het Huis met geele klinkers bestraat en met eikenboomen beplant' was.'Dezelve was aangelegd op de wyze van een slingerlaan en in het midden versierd met een bloemperk, en tegen de muur, langs bedden, met verscheiden perzikboomen en wijngaarden beplant'. Het bestuurscollege bestond uit zes regenten, drie dienende en drie oud-diakenen, en vier regentessen, echtgenotes of weduwen van kerkenraadsleden. Zij werden gekozen door de Grote Diaconie Huis Vergadering.
De zelfstandigheid van het bestuur ten opzichte van de diaconie was geringer dan van het bestuur van het Weeshuis. Zo behielden de diakenen zich een vrij vergaande controle voor op de geldmiddelen van het Diaconie Huis dat zij subsidieerden. Het gevolg hiervan was onder meer dat gemeenteleden de diaconie legateerden, met als bepaling dat de gelden voor het Diaconie Huis zouden worden gebruikt. Ook bleef de diaconie in het bezit van de bevoegdheid om bestedelingen en oude lieden te plaatsen en om suppoosten met salaris van meer dan 100 gulden per jaar te benoemen.
Regentessen, belast met het toezicht op de huishouding, moesten zowel hun eigen administratie als die van regentessen verantwoorden tegenover de Grote Diaconie Vergadering. Zo wist men het gevaar te voorkomen dat regentessen zich als een min of meer zelfstandig bestuur van de regenten zouden afscheiden.

Het Wees-, Oude Mannen- en Vrouwenhuis (1811-1868)
In 1811 moest het Diaconie Weeshuis aan de Lauriergracht, dat een bestemming zou krijgen als militair hospitaal, op bevel van de maire van Amsterdam worden ontruimd. Op 30 april 1811 werden de 141 weeskinderen van het weeshuis ondergebracht in het Diaconie Huis aan de Nieuwe Keizersgracht, vanaf dat moment ook wel het Wees-, Oude Mannen- en Vrouwenhuis genoemd. De wezen werden gescheiden gehouden van de overige bewoners, wat al begon bij de deur. De linkerdeur was voor de bejaarden, de rechterdeur, de zogenoemde Wezenpoort, gaf toegang tot de wezenafdeling.
De verhuizing was een enorme onderneming waarbij bijvoorbeeld de bedden en de beste kinderkleren per schuit naar de nieuwe locatie werden vervoerd. De stad liep er voor uit!
Gelijktijdig ondergingen de besturen van beide instellingen ingrijpende wijzigingen. De algemene leiding werd opgedragen aan een college van acht regenten, vier dienende en vier oud-diakenen, en zes regentessen. Allen werden gekozen door de Grote Diaconie Wees-, Oude Mannen- en Vrouwenhuis Vergadering, op eigen voordracht.
Tot de bevoegdheden van het gecombineerde bestuur van regenten behoorden, behalve de algemene leiding, de aankoop van levensmiddelen en kleding en de aanstelling van suppoosten met een traktement van minder dan 200 gulden per jaar.
De gecombineerde vergadering van regentessen hield toezicht op de huishouding van het gehele gesticht en op de vrouwelijke suppoosten. In 1851 splitste het bestuur zich in de afdelingen Weeshuis en Oude Mannen- en Vrouwenhuis.
In 1856 en 1876 (hoekhuis) volgt uitbreiding in eclectische stijl van het 18e-eeuwse Lutherse Diaconiehuis. De uitbreiding is het zuidoostelijke deel van het complex, met onder meer de spitse hoek en gevels aan de Nieuwe Kerkstraat 159. De uitbreiding van 1876 werd als volgt omschreven in de aanbestedingsadvertentie: 'Het aanbouwen van een GESTICHT voor Bestedelingen en Invalieden, benevens het verrichten van eenige vernieuwingen in het ZIEKENHUIS, met de leverantie van al de daartoe benoodigde Materialen, Arbeidsloonen en verdere onkosten.' Bestedelingen waren mensen die eerder bij particulieren in de kost waren gedaan en nu gehuisvest en verzorgd moesten worden.
Het bestuur van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis is tot heden nog steeds verantwoordelijk voor de Wittenberg. Sinds 1772 wordt onafgebroken door het bestuur vergaderd in de regentenkamers van de Wittenberg.
In de bezettingstijd zat de schrijver Jan de Hartog enige tijd ondergedoken in het Lutherhuis, volgens zeggen in het torentje aan de Nieuwe Kerkstraat met de zwaan op de top. Hij deed hier de inspiratie op voor zijn toneelstuk Het Hemelbed.
In 1967 werd bij de Sloterplas een modern bejaardencentrum gebouwd, het Maarten Lutherhuis. De opvang van wezen verhuisde in 1973 naar nieuwbouw in Osdorp, zodat de Wittenberg vrij kwam voor een nieuwe bestemming. Van 1974 tot 2015 was hier het verpleeghuis 'De Wittenberg' gevestigd, het gebouw is echter te zeer verouderd om nog voor ouderenzorg dienst te kunnen doen. Sindsdien wordt er gerestaureerd en verbouwd ten behoeve van een nieuwe bestemming.
Vanaf het 4e kwartaal 2017 is het gebouw in gebruik als Short Stay Appartementen. De exploitatie en het beheer van de 115 luxe appartementen is in handen van de Britse firma Saco.

Hoe zag het dagelijks leven er uit?
Dankzij een nauwkeurige beschrijving van regent Hedeman in 1811, weten we dat er een aparte ingang kwam voor de wezen en de bejaarden. Op de benedenverdieping aan de voorzijde bevond zich de eetzaal, aan de achterkant de kinderkamer, bewaarschool en mannenslaapzaal. In het midden de woningen van de hoofdsuppoosten en de kindermoeders, daarnaast de keuken, de was- en provisiekelders, de broodkamer en het dodenhuis.
De 1ste verdieping bevatte de naai- en breikamers, slaapzalen en de dagverblijven voor oude lieden.
Op de 2de verdieping vond men de slaapzalen voor de wezen, was-, strijk- en mangelkamers, de kleermakerswinkel en de gezelschapszaal voor de weesmeisjes.

Bewoners
Aanvankelijk kende men alleen de eigen wezen, die door regenten zelf konden worden opgenomen. Voorwaarde hiertoe was, dat de ouders gedurende een bepaald aantal jaren als burgers in Amsterdam hadden gewoond en als lidmaten tot de Evangelisch-Lutherse gemeente van Amsterdam hadden behoord. Tevens gold als eis, dat de ouders geen ondersteuning van de diaconie hadden genoten.
Was aan deze voorwaarden niet voldaan, dan bestond bij wijze van uitzondering nog de mogelijkheid om toestemming tot opneming van de Grote Diaconie Weeshuis Vergadering te verkrijgen. Wezen, die ook op deze wijze niet konden worden geplaatst, werden door de diaconie bij particulieren uitbesteed. Dit was echter geen succes en al spoedig klaagden diakenen over de slechte verzorging en de gebrekkige opvoeding.
Om aan deze wantoestand een einde te maken, besloot men deze groep als diaconie wezen toch in het Weeshuis op te nemen. De diaconie verleende subsidie voor iedere diaconie wees, maar behield zich het recht voor de diaconie wezen weer uit het Weeshuis te nemen. Plaatsing geschiedde in een Grote Diaconie Weeshuis Vergadering. Tot 1851 zijn op deze wijze diaconie wezen opgenomen.
Het aantal wezen liep al snel op tot ruim 160 in 1835 en kwam na 1840 op meer dan 200 en overschreed in 1861 het getal van 300. Tussen 1811 en 1861 werden er naast de 2300 oudelieden ook nog in totaal 1348 wezen verzorgd.

Verplicht onderwijs
Pal naast het weeshuis stond in de tuin een gebouw waarin zich de drie klaslokalen bevonden, waar verplicht ‘onderrigt' werd gegeven. Voor het geven van dit onderwijs werden twee schoolmeesters aangesteld, één voor de jongens en één voor de meisjes. Tijdens de lesuren kregen de kinderen "onderrigt in ‘t leezen, schryven en rekenen; de noodzakeleykste regelen der nederduitsche taal, de algemeene begrippen der christelyken godsdienst en zedenkunde, de voornaamste inhoud der geschiedenis en zoo veel mogelyk, van de staatsgesteldheid van dit land en andere nuttige kundigheden".
De jongens en meisjes van 6 tot 14 jaar zaten afzonderlijk in drie klassen op alle dagen van de week, uitgezonderd ‘des zaturdags nademiddags'. De schooltijden liepen 's morgens van 9 tot 11 uur en 's middags van 2 tot 5 uur in de zomer, en van 2 tot 4 en van 6 tot 8 uur in de wintertijd.
Bij wangedrag werden strenge straffen uitgedeeld. Zoals, acht dagen met het blok aan het been, strengelijk gegeseld, acht dagen op water en brood, enz.
Hadden de weesjongens de school doorlopen, dan werden zij meestal als werkjongens bij ambachtslieden in de leer gedaan. In de 19e eeuw hadden ze daarbij veel keus ook al werd het merendeel smid of timmerman. Echter er zijn ook veel leerjongens overeenkomsten gevonden met o.a. slagers, behangers, kleermakers, instrumentenmakers, kantoorbediendes, boekbinders enz. Het geld dat ze verdienden, ging vanzelfsprekend naar 't gesticht.
De zogenoemde onhandelbare jongens werden vaak 'in bulk' aangeboden aan het leger of gingen naar zee.
Voor de meisjes was er na een vrij korte schoolopleiding een beperktere beroepskeuze. Zij verrichtten huishoudelijke werkzaamheden of werden naaister.

Dagindeling
Dankzij notities van een andere regent hebben we een indruk wat de kinderen te eten kregen, hoe ze gekleed gingen en hoe hun dag er gemiddeld uitzag.
"De kinderen slapen met z’n tweeën of drieën in ‘krebben’ op de slaapzalen. De bedden waren gedekt met stromatrassen, veren hoofdkussens, linnen beddenlakens en afhankelijk van het seizoen één of twee wollen dekens. De bedden werden eenmaal per maand verschoond, in de winter om de 6 weken. De kleinere kinderen gaan om half zeven naar bed en de groote werkjongens en meissies doorgaans 's avonds ten tien ure". Opstaan gebeurde om half zeven.
De kleinere kinderen kregen enige speeluren overdag op de binnenplaats. De grotere kinderen hadden het recht om in vrijheid uit te gaan op zon- of feestdagen en in het besteden van hun vrije uren tot hun eigen voordeel.
Volgens een dokter Nieuwenhuis was er een groot tekort aan lichamelijke beweging in de buitenlucht, zeker gezien de zware spijzen die meer vulden dan voedden.

Kleding
De jongens kregen elke twee jaar een nieuwe rok van bruin inlands laken met zwarte omslagen, voorzien van tinnen knopen. Ze droegen die rok twee jaar op zondag en later twee jaar op werkdagen. Ze kregen elk jaar een nieuwe broek van bruin karsaai (grof geweven laken zonder voering), ook voorzien van tinnen knopen. Verder een platte pet met vooruitstekende klep.
De weesmeisjes waren aanvankelijk gestoken in dun geweven zwarte lakense tabbaarden (lange bovenkleden) met korte mouwen, witte boezelaars (schorten) en lange zeemleren handschoenen en op het haar, dat met een vettige substantie tegen het hoofd geplakt zat, een zwart kapje dat met veel spelden versierd was. In de zomer werd om de hals een brede liggende witte gesteven boord gedragen met een zwart strikje aan de voorkant. In de winter droegen ze op straat een bruine omslagdoek.
Later in de tijd werd er voor minder strenge kleding gekozen. Elk kind had op zijn of haar kleding een nummer, waaronder ze ook stonden ingeschreven, het zogenaamde huisnummer.

Wat schaftte de pot?
Op zondag werd er in de zomermaanden, als de groente goedkoop was, ‘sop met groente' gegeten en als dat te duur was soep van gepelde rijst of gerst met 's avonds rijstebrij met een boterham met boter.
Op maandag bestond het middageten uit grauwe erwten met vet en een boterham met kaas, 's avond was er karnemelkse pap met gort en een boterham toe.
Dinsdag stond er gort met stroop op het menu en een boterham toe.
Op woensdag verse groenten, zoals rapen, peulen of tuinbonen met daarbij rookspek en een boterham toe.
Donderdag kwamen er witte bonen met zure saus en een boterham toe op tafel.
Vrijdag was er gort met boter en een boterham toe.
Op zaterdag aten de kinderen groene erwten en 's avonds karnemelkse pap met meel en een boterham met jonge kaas toe.
Op feestdagen was er iets extra, zoals op 1e Paasdag dan aten de kinderen 's middags paasbrood en kregen naar gelang hun leeftijd 2 tot 9 eieren.
Met Pinksteren was er gebraden vlees en grauwe erwten.
Op Eerste Kerstdag aten ze witte broodpap van duivekaters en voor ieder kind een snee duivekater met jonge kaas toe.
Overigens aten de 'vaders en moeders' en de suppoosten van het weeshuis niet samen met de kinderen. Dit zou hun prestige en gezag ondermijnen, vond men. Ze pretendeerden hetzelfde menu te nuttigen als de kinderen.
De werkelijkheid was anders! Voor hen was er alle dagen vlees, spek of worst en op woensdag vis en een dubbele portie groente. Ze namen het er dus goed van... op rekening van de diaconie! Dit misbruik liep uiteindelijk in de gaten. De heren diakenen dachten dat de kinderen 'zoo dertel en lecker' in de watten gelegd werden. De kosten per kind liepen met ruim 56 gulden hoger op dan begroot was!
Uiteindelijk moesten de regentessen door de knieën en voortaan werd er flink bezuinigd op vlees en spek.

Meer lezen:
Hoeneker, Coenraat: Hoeneker, Coenraat; Lauriergracht 116
Kromhuizen, Johanna Maria
Lauriergracht 116, Luthers Weeshuis
Weeskinderen

Voor het laatst bewerkt:10-apr-2018