Kalverstraat 10
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Bibliopolium
Adres: Kalverstraat 10
Architect: -, Anthonij Geeusen de Zeeuw en Bernardus de Reus, J.W.Meijer
Bouwtijd: -, 1728, 1884, 1971
Opdracht: -, Rudolf Wetstein, -, -

1662
Al in 1662 is in dit pand de uitgeverij van Clement de Jonghe (1624-1677) gevestigd. Hij is bekend vanwege zijn nauwe banden met Rembrandt. Clement komt voor het eerst voor in de Amsterdamse archieven in zijn akte van ondertrouw van 23 februari 1647. Bruid was Jacomijntje Jacobs, hij was 22 jaar en ‘caertafsetter’ (prenten inkleurder, een grafisch beroep) afkomstig uit het Noord-Duitse Brünsbuttel. Zijn huwelijk is van fundamenteel belang voor Clements werk. Om als immigrant een bedrijf uit te kunnen oefenen in Amsterdam diende men poorter te zijn. Het poorterschap kon hij kopen dankzij zijn huwelijk met een Amsterdamse burgeres. Als poorter kon hij lid worden van een gilde en een eigen bedrijf uitoefenen. Deze regel geeft aan hoe de stad en de Republiek aankeken tegen immigratie: iedereen was welkom, maar werd geacht te integreren en een bijdrage te leveren aan de economie. Daarbij moet worden opgemerkt, dat het kopen van het poorterschap niet voor iedereen was weggelegd. Het te betalen bedrag, vijftig gulden, was voor de meesten niet op te brengen. Van de mannen die deze som konden opbrengen, werden velen middenstander, wat een impuls voor de Nederlandse economie betekende. In het gezin werden 12 kinderen geboren waarvan tenminste drie kinderen kunsthandelaar werden of trouwden met een kunsthandelaar.
Zijn winkel heette de ‘De gekroonde konstkaert’ en voerde een fraai uithangbord om de zichtbaarheid in de Kalverstraat te vergroten. Hoewel Clement slechts huurder was, hij huurde het pand van mr.Jacob Sammer (-1668), liet hij het nodige aan het pand verbouwen. In 1668 kreeg hij het gebouw voor fl. 10.080,- in eigendom. In de koopakte werd opgenomen dat het uithangbord, de kasten in de winkel, de kachel in het voorhuis, de tafel en drukpers op zolder en de duiventil op de vliering door hem waren aangebracht. Een beroerte in 1677 was het begin van het einde voor Clement die nog in hetzelfde jaar overleed. In 1679 blijkt dat van de koopsom slechts 4000 gulden is voldaan.

Zijn erfgenamen verhuurden de winkel van 1680 tot 1687 als koffiehuis en kunsthandel onder de naam ‘Kronincks Koffiehuis’, welke werd gedreven door Hendrik Visjager, schilder, tekenaar en etser.
1687
In dat jaar besloten de erfgenamen, na de meerderjarig verklaring van het jongste kind, het pand te verkopen aan Gerard Valck, die er fl. 10.000,- voor betaalde. Ook Valck was een belangrijke uitgever, die met name bekend is vanwege zijn globes die aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw door heel Europa werden verkocht. Valck verhuisde zijn winkel in 1692 naar de Dam, en verkocht het pand in de Kalverstraat aan de in Bazel geboren uitgever Johan Hendrik Wetstein (1649-1726). Deze gaf veel in het Latijn gestelde boeken uit.

1726
Rudolf Wetstein was in de achttiende eeuw een gerenommeerde uitgever van religieuze boeken als Bijbels (ook in het Maleis), catechismussen en scheepspsalmboekjes, deze laatste in opdracht van de VOC. Bij zijn overlijden in 1742 lagen hiervan nog 12.700 exemplaren op de plank.
Jacob en Rudolf (1679-1742) Wetstein hadden grote plannen: een kunst- en boekenpaleis met een zeer luxe uitstraling moest er komen. Dat paste niet in het bestaande huis, reden om het oude gebouw aan de Kalverstraat geheel of grotendeels te laten slopen. Meestertimmerman Anthonij Geeusen de Zeeuw en meestermetselaar Bernardus de Reus bouwden in 1727 een kapitaal nieuw pand met een zeer monumentale uitstraling en een totale diepte van 35 meter. Het pand werd niet alleen zorgvuldig gebouwd, maar ook rijk afgewerkt: de zijkamer, de eetkamer en de zaal kregen behangsels, vaste schoorsteenspiegels en schoorsteenstukken, beschilderde plafonds, damspiegels en een buffetnis in de eetkamer. Van deze inrichting is helaas niets bewaard gebleven. Boven de voordeur werd tegen de gevel een steen geplaatst met het uitgeversmerk van hun vader Hendrik Wetstein: een wet- of slijpsteen, waarop een vijl wordt geslepen. Daarboven werd over de volle breedte van het pand het volgende chronogram (tijdvers) aangebracht: DVM terItVr Cos, LIteratIs VsVI et LIterIs prosIt bonIs (Terwijl de slijpsteen verslijt, moge hij tevens tot nut strekken voor de geleerden en de schone letteren). In 1742 is de gevelsteen verplaatst naar het bijbehorende pand aan de Jonge Roelensteeg, waar Wetstein zijn lettergieterij had. De gevelsteen is, door toedoen van mr.S.J.Hingst, sinds 1883 in het bezit van het KOG, het tijdvers is verdwenen.

1742
In 1742 werd het gebouw voor fl. 28.000,- verkocht aan Isaac Tirion (1705-1765)), een boekhandelaar en uitgever, die voordien op de Nieuwendijk bij de Dam woonde. Bij de verkoop waren de toonbank in het voorhuis en de stellingen op zolder inbegrepen. Tirion geniet nog steeds bekendheid vanwege zijn kaarten en als uitgever, onder meer van Jan Wagenaars 'Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden'. Op het gevelbord, boven de ingang van zijn zaak, die ‘In Hugo de Groot’ heette, prijkte in een cartouche de beeltenis van deze zeventiende-eeuwse rechtsgeleerde, met in zijn linkerhand een boek.

1769
Tirions weduwe Joanna Coster verkocht het pand in 1769 voor fl. 38.000,- aan Gerrit de Groot, die bekend staat als zeekaartenverkoper en overman van het boekverkopersgilde. Na zijn dood in 1771 werden de twee kinderen, Jan en Grietje de Groot, bij testament van de weduwe van Gerrit de Groot, mede-eigenaar. In 1780 scheidden zij de onroerende goederen van hun moeder en werd Jan de Groot (1733-1801) eigenaar van het huis aan de Kalverstraat en de twee panden in de Jonge Roelensteeg. Van het jaar vóór deze verdeling dateert het schilderij van Isaak Ouwater (1748-1793). Boven de voordeur hing een bord met de woorden: ’Hier wordt gecollecteerd voor Generaliteitsloterij' (d.w.z. men kon er loten kopen). Het schilderij is gemaakt in opdracht van Jan de Groot die niet alleen boekhandelaar maar ook een belangrijk verzamelaar van schilderijen, tekeningen en prenten was. Zelf werd hij met zijn dochtertje en een huisgenote in 1777 geportretteerd door Hendrik Pothoven (1726-1807).
In het dagboek dat Jacque Ernest baron van Knuth bijhield tijdens een reis door Holland in oktober 1780, schrijft Van Knuth dat hij de boekhandelaar Jan de Groot bezocht om zijn verzameling schilderijen te bekijken. ‘Daaronder bevonden zich vooral vele stukken van Ouwater, een Amsterdamschen landschapschilder, die de plaatselijke omgeving voortreffelijk weet af te malen.’. Het schilderij van het pand aan de Kalverstraat is tot ca.1920 in het bezit gebleven van de familie. In 1876 maakte het doek deel uit van de kunstverzameling van J.G.de Groot Jamin jr. (1842-1920). Het schilderij kwam in het bezit van kunsthandel J.S.Spijer & Zonen die toen gevestigd was in het pand Kalverstraat 10. Later werd het doek verworven door W.J.R.Dreesmann. Na zijn dood kon het in 1960 worden aangekocht door het Rijksmuseum.
1790
Het gebouw werd door Jan de Groot voor fl. 35.000,- verkocht aan de zeekaartenverkoper Pieter den Hengst die verder handelde in gereformeerde en lutherse bijbels en psalmboeken, getuige een door hem uitgegeven prijslijst.

1833
In 1832 werd de zaak aan de Kalverstraat gekocht door Johannes Müller. Hij had zich in 1811 geassocieerd met een kleinzoon van Isaac Tirion die dezelfde voornaam had als zijn grootvader. Isaac jr. en Johannes M&uum;ller namen samen de voorraad over van F.A.Brockhaus die naar Leipzig terugkeerde. De naam van de firma luidde J.Müller & Comp. De zaak legde zich vooral toe op Duitse literatuur. In 1837 trad zijn compagnon Tirion uit zodat Müller de zaak nu zelf moest drijven. Deze boekhandel was een toevluchtsoord voor politieke vluchtelingen zoals de dichter Ferdinand Freiligrath. Frederik Muller begon zijn loopbaan als boekhandelaar bij zijn oom Johannes. Hij werkte hier van 1834 tot 1840. Toen Johannes Müller in 1853 overleed nam diens zoon, Christiaan (1824-1883), het bedrijf over. Christiaan Müller zette de zaak geheel in de traditie van zijn vader voort. Hij overleed in 1883 kinderloos en daarmee kwam een einde aan het Bibliopolium, het veilinghuis en boekwinkel in de Kalverstraat.
1884
In 1884 werd het pand aangepast aan de nieuwe tijd en voorzien van een neorenaissance pui met groot venster, ontworpen door de architect J.W.Meijer. Nog juist op tijd heeft mr.S.J.Hingst het gevelbord van Isaac Tirion en de gevelsteen van de familie Wetstein laten weghalen en in 1884/1885 geschonken aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Mr.Hingst was een neef van de vermaarde boekhandelaar Frederik Muller (1817-1881) en dus ook van diens oom Johannes Müller (1786-1853).
In 1884 werd op verzoek van mr.Hingst door J.D.Ebersbach (1822-1900) een tekening van het in- en het exterieur van het Bibliopolium gemaakt. De portretten in de medaillons zijn die van Johannes en Christiaan Müller, de toenmalige winkelchef G.R.D. van Doesburgh, de procuratiehouder J.M.Roos van den Berg en de winkelbedienden Hetteling, Menke en Kembeek. De interieurs aan weerskanten van de façade zijn rechts het oude kantoor aan de voorzijde van het pand en links het latere kantoor in de achterwinkel.

1971
Het gebouw wordt ingrijpend verbouwd. Juwelier Kraemer neemt hier zijn intrek en wilde inbraak voorkomen. De begane grond werd verhoogd door de houten balklaag te verwijderen en een nieuwe betonvloer op een hoger niveau te leggen. De zijgevels van de begane grond werden voorzien van gepantserde staalplaten, terwijl de verdieping hierboven een betonvloer met balken kreeg. De pui aan de Kalverstraat werd gemoderniseerd en verstrakt, boven de pui zijn echter nog de restanten van de vensters van de eerste verdieping zichtbaar. Boven de nietszeggende onderpui verheft zich nog steeds een hoge gevel, voorzien van een kroonlijst met twee borstbeelden. Deze bustes van Minerva en Mercurius vormen als het ware de hemelse uithangborden van de verdwenen uitgeverijen. Minerva verwijst als godin van de wijsheid naar de boeken die hier te koop waren, terwijl Mercurius als god van handel en reizigers aan alle landkaarten refereert die in de winkel werden verkocht. Het pand is één van de zeldzame getuigenissen van de grote bloei, die de Amsterdamse boekhandel in de zeventiende en achttiende eeuw heeft gekend, en om die reden van grote cultuurhistorische waarde.

Meer lezen:
Geeusen de Zeeuw, Anthonij
Mercurius
Meijer, J.W.
Minerva
Reus, de, Bernardus

Voor het laatst bewerkt:20-apr-2020