Kalverstraat 4-8
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: De Graeff van Hollant, Kalverstraat 4,
was een logement en koffiehuis. Hier woonde in de 17e eeuw de kunstschilder-herbergier Aert van der Neer (1603-1677). Zijn schilderijen werden niet van enige waarde geschat en slecht verkocht. Zodoende runde hij het koffiehuis van 1659 tot het faillissement in 1662 als extra bron van inkomsten, wat ook geen succes was. Hij stierf in armoede.

Naam: Het Hof van Berlijn, Kalverstraat 6

Naam: Het Hof van Holland, Kalverstraat 8,
Hier vergaderde vanaf 1783 de Vaderlandsche Sociëteit. Bij de overgang naar Doctrina et Amicitia werd het pand op nummer 6 er bijgetrokken. Bij de fusie met de Groote Club werd ook het pand op nummer 4 opgenomen. Vandaar de tekst in de top van de gevel “1802 Doctrina et Amicitia 1931”. Op de begane grond was de zaak van S.van Embden gevestigd. Van Embden was een radio-grammofoonwinkel. Zij boden de grammofoonplaten op revolutionaire wijze aan. Zij waren in bakken gesorteerd naar zanger/onderwerp neergezet, op dat moment een geheel nieuwe presentatievorm. Er is keuze uit meer dan 3000 platen die in aparte kamertjes beluisterd kunnen worden.

Naam: Sociëteit Doctrina et Amicitia
Adres: Kalverstraat 4-8
Architect: -, Johannes Hendrik Willem Leliman, Dirk Frederik Slothouwer
Bouwtijd: 1802, 1910, 1928
Opdracht: Sociëteit Doctrina et Amicitia

Leliman tekende voor de omvangrijke verbouwing die de gehoorzaal, keuken en biljartzaal omvatte. De bouwsom bedroeg fl. 47.000,- en werd slechts gedeeltelijk aanbesteed.
Architect Slothouwer paste in 1928 de winkelpui aan. Hij ontwierp een bronzen winkelpui met een centraal gelegen etalageeiland.

Vaderlandsche Sociëteit
Gezelligheid (dat wil zeggen: sociabiliteit) werd door de 18de-eeuwse burger gerekend tot de hoogste deugden van de redelijke, beschaafde mens. Hieruit ontstond de behoefte om zich te verenigen in besloten genootschappen.
Het weekblad Algemeene Spectator schreef in zijn nummer van 17 december 1742, dat ‘er mogelyk nooit geen tyd is geweest waar in men meer als nu van afgezonderde vergaderingen en byeenkomsten gehoord heeft, om malkanderen in het onderzoeken van Waarheden op te scherpen.’ Het weekblad De Philanthrope publiceerde 10 december 1760 een brief van ene Jan P. uit naam van enkele Herenknechts die ook een gezelschap geformeerd hadden, met de opmerking aan de redactie ‘je weet, dat al wat leeft, hier in Amsterdam 's avonds een Collegie hebben moet.
Alle leesgezelschappen hebben de drang dat de vermeerdering van kennis en inzicht gericht blijft op het algemeen welzijn. Er wordt in deze kringen naar gestreefd om door collectieve lectuur zich tot betere wereldburgers om te vormen. Hiermee maken de leesgezelschappen een belangrijk deel uit van de algemene Volksverlichting waarvan de 18de eeuw zoveel verwachtte. En er zijn vele raakpunten met de politieke sociëteiten. Dit laatste is een bewust gezochte onduidelijkheid. Politieke sociëteiten hebben in perioden van onderdrukking de gewoonte om hun ware karakter te maskeren achter de façade van een leesgezelschap.
De ontwikkeling van deze politieke clubs loopt in Nederland parallel aan de strijd tussen voorstanders van de oude constitutie (de stadhouderlijke partij of orangisten) en de patriotten (voorstanders van burgerlijke vrijheid), een strijd die tijdens de vierde Engelse Oorlog (1780-1784) oplaait.

Zowel de orangisten als de patriotten richtten in de jaren tachtig sociëteiten op die fungeerden als pressiegroep. Zo ook Rutger Jan graaf Schimmelpenninck (1761-1825) die als advocaat in Amsterdam werkte. Hij trouwde met Catherina Nahuys. Catherina kwam uit het rijke geslacht Nahuys en verschafte haar man een groot vermogen en de nodige connecties in de hoofdstad. Met jurist-journalist Willem Irhoven van Dam, de arts Hendrik Stolte en de boekhandelaar Willem Holtrop richtte Schimmelpenninck in 1783 de patriottische Vaderlandsche Sociëteit op. Onder andere burgemeester Hendrik Hooft Dzn. en de bekende medicus Cornelis Rudolph Theodorus Krayenhoff sloten zich hierbij aan. Na september 1787 was er natuurlijk alleen nog maar plaats voor de oranjesociëteiten, maar geen nood! Toen de Amsterdamse stadsregering in 1788 een groot aantal patriottische clubs verbood, zetten sommige daarvan hun activiteiten in gewijzigde vorm voort. Zo herrees de opgeheven Vaderlandsche Sociëteit in Amsterdam onder de naam ‘Doctrina et Amicitia’. De leesgezelschappen, of wat zich als zodanig aandient, krijgen steeds meer het karakter van organen voor politieke indoctrinatie. In het bijzonder zijn het de vooruitstrevende patriotten die dit middel gebruikten om de gewenste staatkundige en maatschappelijke hervormingen te realiseren. Maar ook hun Oranjegezinde tegenstanders probeerden langs deze weg de publieke opinie te beïnvloeden.
In de lente van 1787 is in de Kalverstraat een tweetal panden aangekocht met het doel een eigen clubhuis te bouwen voor de Vaderlandsche Sociëteit. Er werd een fraai bouwplan ontworpen. Een tekening in drie bladen toont een groot complex, bestaande uit een door een binnenplaats gescheiden voorhuis en achterhuis, met een elegante gevel aan de straat. De tekening is anoniem, en de maker zodoende omstreden. Als mogelijke ontwerpers worden genoemd Leendert Viervant de Jongere (1752-1801), Jacob Otten Husly (1738-1796) en Pierre Esaie Duyvené (1760-1801). Op 25 juni 1787 ging de eerste schop in de grond, en op 27 juli 1787 werd de eerste steen gelegd. Erg ver is men echter niet gekomen; gezien de latere verwikkelingen kwam in de zomermaanden hooguit een deel van het achterhuis gereed, en is het oude voorhuis blijven staan. In september volgde een dramatische wending door de Pruisische interventie ten gunste van stadhouder Willem V en aansluitend een verbod op alle patriottische clubs. In opdracht van de Staten van Holland moeten de beide half afgebouwde panden onmiddellijk middels openbare veiling worden verkocht.

Doctrina et Amicitia
De verkoop vindt plaats aan vier makelaars die toevallig het plan hadden opgevat een leessociëteit te beginnen en hiervoor een clubhuis zochten. En natuurlijk wordt het pand doorverkocht aan Doctrina et Amicitia.
Van het op 28 oktober 1788 te Amsterdam opgerichte kunstlievend genootschap Doctrina et Amicitia waren de leden patriotten, veelal afkomstig uit de Amsterdamse kooplieden-, rechters-, notarissen- en ambtenarenwereld. Daar concentreerden zich de opinievormende krachten. Als politiek gezelschap mochten zij geen bijeenkomsten houden maar als leesgezelschap kwamen zij regelmatig bijeen. Het eerste jaar op de Keizersgracht 382 omdat het pand aan de Kalverstraat nog niet was afgebouwd. In juni 1789 week men voor de ochtendbijeenkomsten uit naar het befaamde koffiehuis De Karsseboom in de Kalverstraat en nog later naar een pand aan het Rokin tegenover de Nieuwezijds Kapel. In 1790 is een en ander gereed en wordt aan architect Duyvené een aanzienlijk bedrag betaald voor niet gespecificeerde diensten. In 1802 zijn de niet verbouwde voorhuizen kennelijk zo bouwvallig dat deze vervangen moeten worden door het nu nog bestaande pand. Doctrina bezat nu een eigen sociëteitsgebouw met een welvoorziene bibliotheek (8000 titels waarvan een groot deel bewaard is gebleven) annex leestafel. De ruim 300 leden behoorden allen tot het vooruitstrevend deel der gegoede burgerij, zodat men zich hier met goed fatsoen met politieke kwesties kon bezig houden. Dat gebeurde overigens niet openlijk. Naar buiten toe gold Doctrina als een culturele sociëteit, maar was in werkelijkheid de rechtstreekse voortzetting van de in 1787 verboden Vaderlandsche Sociëteit. Dit was onder meer te zien aan de lidnummers. De leden met een lidnummer tot en met 371 waren lid geworden van de Vaderlandsche Sociëteit tussen 1783 en 1787. Leden met een lidnummer 372 of hoger werden lid van Doctrina et Amicitia.

Op de algemene vergadering van 5 januari 1791 werd officieel een reeks van wetten en reglementen vastgesteld waarin nogmaals nadrukkelijk bepaald wordt dat het eenieder geheel vrij staat om het onderwerp van zijn lezing te kiezen mits niet politiek, en mits zijn voordracht niet ‘'s Lands of Stads wettige Regeering hoonen, eenige andere Genoodschappen ofte bysondere Persoonen beschimpen ofte benadeelen, of door hatelyke uitdrukkingen schertsende en bijtende beledigingen, iemands eer of goeden naam bezwalken’ zal. De ware achtergrond manifesteerde zich in de onderwerpen waarover voordrachten gehouden werden. Titels hiervan: ‘over de Zwitsersche vrijheid’, ‘over de noodzakelijkheid der omwentelingen’, ‘over de vrijheid en gelijkheid’ en ‘het karakter van een aristocraat’. Het bleef echter niet bij theoretische bespiegelingen. Vanuit Doctrina werd ook contact gezocht met politieke geestverwanten in Frankrijk. Er vormde zich in 1792 te Amsterdam een Revolutionair Comitee, dat voor een groot deel uit leden van Doctrina et Amicitia bestond. Een aantal leden van het genootschap speelde een belangrijke rol bij de tot standkoming van de Bataafse Republiek. Drie voorbeelden hiervan zijn Rutger Jan graaf Schimmelpenninck, Alexander Gogel en Samuel Iperusz. Wiselius.
Het Comitee probeerde door het oprichten van leesgezelschappen de mensen hier rijp te maken voor de revolutie onder de noemer van ‘den gemeenen man kundig en beschaafd te maken’. Alleen al in Amsterdam waren er in korte tijd 36 van zulke leesgezelschappen voor de eenvoudige stand met circa 3000 leden. Op 17 oktober 1794 werden door de Staten van Holland alle verdachte sociëteiten en colleges verboden, hieronder uiteraard Doctrina et Amicitia. De overheidscensuur was te laat, al in januari 1795 trokken de zegevierende Fransen met in hun kielzog de uitgeweken patriotten Nederland binnen. Politieke aspiraties konden zich nu weer onverhuld manifesteren, zonder dat daarvoor de dekmantel van het leesgezelschap nodig was.

Opvallend is de houding van Doctrina et Amicitia dat zich direct na de omwenteling terugtrok uit het politieke leven. Volgens Jacob van Lennep een wijs en verstandig besluit. Zo kon een boven alle partijen staand Doctrina weer ‘een wijkplaats worden voor allen die vermoeid waren van de woelingen des tijds’. Hiermee vielen de (lees)gezelschappen terug op hun a-politieke status van gezelligheidsvereniging met een cultureel tintje. Het werden bolwerken van burgerlijk conservatisme. Deze ontwikkeling werd in de 19de eeuw verder in de hand gewerkt door de oprichting van deftige leesmusea in de grote steden.
Aan het begin van de 20ste eeuw begon het ledental van Doctrina et Amicitia af te nemen en in 1922 fuseerde ze met de Groote Club, waarna de naam Sociëteit De Groote Club Doctrina et Amicitia gebruikt werd. De bijeenkomsten verplaatsten naar het pand van de Groote Club aan de Kalverstraat 2 hoek Dam.

Meer lezen:
De Groote Club
De Industrieele Club
Leliman, Johannes Hendrik Willem
Slothouwer, Dirk Frederik

Voor het laatst bewerkt:23-jan-2018