Kalverstraat 183 / Rokin 140
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Sint Jorisgasthuis, Sint Jorishof
Adres: Kalverstraat 183, Rokin 140-158
Bouwtijd: circa.1410

Het is niet zeker wanneer het Sint Jorisgasthuis gesticht werd. De oudst bekende vermelding dateert uit 1410. Het Sint Jorisgasthuis was het eerste leprozenhuis van Amsterdam. In dit middeleeuws gebouw werden lepralijders gehuisvest. Het gasthuis lag aan de Kalverstraat, tegenover de Heiligeweg, tussen de Olieslagerssteeg en de toenmalige Sint Jorissteeg, een locatie die toen nog net buiten de stad was gelegen. Na de stadsuitbreiding van 1480 kwam het gasthuis binnen de stadsmuren te liggen. Zodoende werden de leprozen eind 15e eeuw verhuisd naar een gasthuis buiten de muren van de stad, het Leprozenhuis, gelegen aan de Leprozengracht nu Waterlooplein. Het Sint Jorisgasthuis werd hierna het Sint Jorishof genoemd en ging zich voornamelijk richten op de zorg voor armen en ‘onnozelen’ (geestelijk gehandicapten). Hierna was het Sint Jorishof voornamelijk in gebruik als proveniershuis. Een proveniershuis was een wooncomplex waar meestal mannen zich voor een eenmalig bedrag inkochten en vervolgens levenslang 'gratis' kost en inwoning genoten. De kost bestond meestal uit de meest noodzakelijke levensbehoeften.
Het bestuur van het Sint Jorishof bestond uit zeven regenten (vier mannen en drie vrouwen), die aangesteld werden door de burgemeesters van Amsterdam. Een van de regenten was ook lid van de vroedschap van de stad. De regenten waren prominente en rijke burgers van de stad die het zich konden veroorloven om het Sint Jorishof financieel te steunen, zoals admiraal Laurens Reael, medeoprichter van de VOC Jacob Cloeck en Dirck Tulp.
Na de Alteratie in 1578 nam de stad alle kloosters en kerken in beslag en werd het kloosterhof van het Sint-Paulusbroederklooster (Oude Hoogstraat) toegewezen aan het Sint Jorishof, dat zijn proveniers verhuisde van de Kalverstraat naar de huisjes rond het kloosterhof. Dit kloosterhof werd hierna Sint Jorishof genoemd. De regenten van het Sint Jorishof werden ook kerkmeesters van de Waalse Kerk, de voormalige kloosterkapel.

Naam: Kistenmakerspand
Adres: Kalverstraat 183, Rokin 140
Bouwtijd: 1624

In 1413 behoorden de Amsterdamse timmerlieden, kistenmakers (meubelmakers) en smeden allen tot het St.Eloysgilde. Naarmate het aantal beoefenaren van een beroep toenam, vonden afscheidingen plaats en werden nieuwe gilden opgericht. De hierboven, genoemde Amsterdamse timmerlieden en kistenmakers traden in 1468 uit het St.Eloysgilde om een eigen gilde, onder het patronaat van Sint Jozef gesteld, te organiseren. Verkoop van producten vond plaats in de eigen winkel, via tussenpersonen op jaarmarkten en in enkele gevallen in speciaal daarvoor ingerichte gemeenschappelijke ruimten. Zo hadden de Amsterdamse meubelmakers aan het begin van de zeventiende eeuw in de Kalverstraat een pand waar gildeleden hun meubelen konden verkopen.
Het was de voormalige kapel van het Sint Jorishof die na de Reformatie een wereldse bestemming kreeg als gildehuis. De kapel was in 1624 verbouwd en verhuurd aan de overlieden van het Sint Jozefgilde van timmerlieden, speciaal ten behoeve van het ambacht van de kistenmakers (meubelmakers) en schrijnwerkers. De kistenmakers mochten in dit pand hun geprijsde en gemerkte werk tentoonstellen, ieder één stuk tegelijk. De vrouwen van de gildeleden hadden bij toerbeurt dienst in deze toonzalen. Het pand is enige malen vergroot en werd ten slotte tot het Rokin doorgetrokken. De gevel aan de Kalverstraatzijde was buitengewoon mooi en vanuit de Heiligeweg goed te zien.
Vondel schreef in 1655 over het Kistenmakerspand:
‘Het Schrijnwercks pant bestelt ons tafel en kantoor
En glimt van sackerdaen en ebben, en yvoor’

Begin 19e eeuw, tijdens de Franse tijd in Nederland, besloot de overheid om het Sint Jorishof op te heffen en kreeg het verschillende andere bestemmingen. Het was een tijdje veilinggebouw en in de Franse tijd waren er troepen gelegerd en het douanekantoor. In 1808 werd de Latijnse school vanaf de Singel hier voor enkele jaren gevestigd. Daarna werd het meerdere malen verkocht en was het pand omstreeks 1880 in gebruik door de Grand Bazar.
In 1888 huurde een koopman, Joseph Cohen, het pand Kalverstraat 181 op de hoek van de Olieslagerssteeg voor een winkel die bekend werd als Maison de Bonneterie. In 1893 werd de winkel uitgebreid met Kalverstraat 179 en Olieslagerssteeg 6. In 1901 werd het Kistenmakerspand opgekocht en vervangen door nieuwbouw van Maison de Bonneterie waarna de panden op 179-181 werden afgestoten.

Naam: Maison de Bonneterie
Adres: Kalverstraat 183, Rokin 140
Architect: A.Jacot & W.Oldewelt architecten
Bouwtijd: 1909
Opdracht: Josef Cohen en Rosa Wittgenstein

Het pand is gebouwd in het traditionalisme met Lodewijk XVI kenmerken. Het pand is op de monumentenlijst geplaatst vanwege de gevels en de belangrijkste restanten van de interieurs: de koepel, de gaanderijen, de kristallen luchters. De enorme spiegels, de trapleuningen, de uitstalkasten en de vitrines zijn allen in gepolitoerd mahoniehout uitgevoerd. Dit soort 19de-eeuwse interieurs zijn nauwelijks meer te vinden.
Maison de Bonneterie werd opgericht door Josef Cohen en Rosa Wittgenstein. Josef, afkomstig uit Dinslaken (Duitsland), reisde in kousen, handschoenen en gebreid goed. Tijdens een van zijn reizen ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote Rosa, verkoopster bij Hirsch op het Leidseplein. Rosa kwam uit Warburg (Duitsland) waar haar ouders een meubelzaak hadden. Ze was een nicht van Sally Berg, een van de directeuren van Hirsch. Later kwamen ook Rosa’s zusters Emma en Selma bij Hirsch werken. Dat Josef en Rosa voor zichzelf wilden beginnen wekte bij de Hirsch-familie wel enige wrevel, want beide families hadden hetzelfde doel voor ogen: het oprichten van een groot modemagazijn naar Parijs voorbeeld.

Josef en Rosa huurden een winkel op de Kalverstraat 181, hoek Olieslagerssteeg. In februari 1888 traden ze in het huwelijk. Toen zij terugkwamen van huwelijksreis kwam er gelijk een verkoopster met hun mee. Het was Bertha Cohen, een dochter van Josef’s broer Leeser en zij zou nog jaren als eerste verkoopster blijven. Op 18 maart 1889 werd hun eerste winkel in manufacturen (geweven producten) en gebreide goederen genaamd Maison de Bonneterie geopend. Het breiwerk is waar het woord in de titel van de winkel vandaan komt: bonnetterie staat voor gebreid goed. Het personeel bestond uit Bertha, een leermeisje en een boekhouder. Al snel breidde het warenhuis de collectie flink uit met luxe damesconfectie en kinderkleding.
De meeste Grands Magasins stuurden catalogi naar hun Europese relaties, dames die op een modieuze garderobe gesteld en hun bestellingen in Parijs of Brussel plaatsten. De Bonneterie wilde, door zelf bij de buitenlandse ateliers te gaan inkopen, proberen deze klanten te winnen. Voor kinderen richtten zij zich op de Engelse mode, met vooral de legendarische matrozenpakjes, zoals die ook door kinderen van het Engelse koningshuis werden gedragen. De pakjes waren zo degelijk van kwaliteit, dat ze vaak tot verdriet van nakomende broertjes en zusjes nog jaren meegingen.
De zaken gingen goed en uitbreiding van winkelruimte was noodzakelijk. In 1893 kon Kalverstraat 179 erbij gehuurd worden.

In 1901 bood zich de gelegenheid aan om het pand op de andere hoek van de Olieslagerssteeg te kopen, Kalverstraat 183 en verwierf de firma het predikaat hofleverancier. In de volgende jaren werd Rokin 138 tot en met 148 aangekocht. Hierdoor ontstond de mogelijkheid de winkel van Kalverstraat naar Rokin door te trekken. Hiervoor werden in 1907 architectenbureau Jacot en Oldewelt aangetrokken met als opdracht het ontwerpen van een groot modemagazijn. Zij hadden in 1899 al ervaring opgedaan met hun ontwerp voor Nieuw Engeland op het Koningsplein. Deze opdrachtgevers waren behoudender van aard, ze zaten niet te wachten op eigentijdse bouwwerken, maar wilden massieve monumentale panden die voor alles moesten imponeren. Het uit omstreeks 1850 daterende pand Kalverstraat 183 bleef gehandhaafd. Het werd met de nieuwbouw verbonden door een middenstuk waarin een glas-in-lood lichtkoepel, drie gaanderijen, twee brede trappen en twee liften werden opgenomen. Dit sloot naadloos aan op de in zandsteen opgetrokken monumentale nieuwbouw aan de Rokinzijde. Het pand aan de Kalverstraat 183 had drie verdiepingen, het pand aan het Rokin kreeg er vijf, waarvan de twee bovenste bestemd waren voor kantoren en ateliers.

Op 15 maart 1909 werd de prachtig vernieuwde Maison de Bonneterie feestelijk heropend. Twintig etalages (een nieuwigheid) toonden de nieuwste Parijse couture. De winkel was ingericht in Louise XVI-stijl. Ontelbare spiegels weerkaatsten het beeld van de fraai uitgestalde kostbare artikelen en de kristallen luchters zorgden voor een feestelijke verlichting. Honderdvijftig verkoopsters, enkele liftboys en portiers stonden klaar om de clientèle te verwelkomen. Op de parterre waren verschillende kleine afdelingen samengebracht zoals kousen, handschoenen, sjaals, zakdoeken, jupons, reticules, boa's, tricotages, hoeden en Engelse jongeherenconfectie. De erboven gelegen etages waren ingericht voor mantels en japonnen. De afdelingen bont en avondtoiletten waren bijzonder groot. Op enkele vitrines na, waarin een avondjapon werd tentoongesteld, was op deze afdelingen geen kledingstuk te zien. Alles hing in kasten en de klant kon in een van de 32 passalons plaatsnemen om zich daar door de verkoopster enkele stukken te laten tonen. Elke afdeling had haar eigen veranderatelier. Deze ateliers waren van wezenlijk belang, want je mocht dan bij De Bonneterie dure kleren kopen, je kon er wel elk jaar mee terugkomen om ze te laten vermaken. De kwaliteit was onbetwist. Een mantel hier gekocht, die na tien jaar al tekenen van slijtage vertoonde, dat werd door de klant niet geaccepteerd. Voor WO1 richtte Maison de Bonneterie zich vooral op de mode uit Wenen, Berlijn en Parijs en vanaf het einde van de jaren ‘20 vooral ook op Amerika. Voor het eerst konden dames voor elk moment van de dag een passend kledingstuk kopen: ochtendjaponnen, visite-, diner- , souper-, en avondjaponnen, sport-, reis-, automobiel-, dag- en avondmantels. Geheel nieuw was ook dat men onder één dak de bijpassende accessoires kon uitzoeken. Maison de Bonneterie trachtte door het gehele land de zaak onder de aandacht te brengen. Vele duizenden folders werden verstuurd, in hotels in belangrijke provincieplaatsen werden shows gegeven en zichtzendingen werden door geheel Nederland franco bezorgd.
Het echtpaar Cohen liet in 1912 door architect Jacot een villa aan het Vondelpark bouwen.
In 1913 werd in Den Haag een filiaal geopend, eveneens naar ontwerp door Jacot en Oldewelt. In 1927 volgde in Amsterdam nog een uitbreiding met het bijtrekken van de panden Kalverstraat 185 en 187. Deze laatste twee zijn omstreeks 1970 weer verkocht.

Josef Cohen en Rosa Wittgenstein bleven kinderloos. Zodoende namen zij twee Duitse neven op in de zaak. In 1905 kwam Alfred Cohen, jongste broer van Bertha, later gevolgd door Max Cohen, zoon van Josef's broer Sally. In 1921 namen Alfred en Max de directie over nadat Josef en Rosa zich hadden teruggetrokken. In 1924 overleed Josef Cohen. Rosa bleef achter de schermen echter de stuwende kracht. Directie en cheffins kwamen bij haar thuis verslag uitbrengen van hun inkoopreizen. Omdat Max geen en Alfred wel kinderen had werd in 1933 de jurist Paul Herz in de zaak opgenomen. Herz was een zoon van Emma Wittgenstein en zijn ouders hadden een textielzaak in Aken. Van zijn oom Max kreeg hij een harde leerschool bij De Bonneterie. Al had je gestudeerd, je kon geen kapsones hebben vond oom Max. Om bij De Bonneterie te mogen werken was een hele eer. Leerlingen kwamen graag ook al verdienden zij niets. Ze kregen gratis een prima opleiding zo was de redenering. Aan de verkoopsters, gekleed in zwart of blauw, cheffins mochten daar grijs en bruin aan toevoegen, werden hoge eisen gesteld. De discipline onder het personeel was groot. Onnodig met elkaar praten, smijten met liftdeuren, touwtjes onnodig doorknippen, een slordige afdeling, dat kon allemaal leiden tot een boete. Kwam je te laat dan schreef de portier je naam in een boek dat hij dezelfde morgen nog naar de directie bracht. Dat was dan weer een kwartje boete. Naast een basissalaris ontvingen de verkoopsters provisie over alles wat zij hadden verkocht. Dit systeem bevorderde het krachtig met de ellebogen werken tussen de verkoopsters. De cheffins waren het hart van de zaak. Behalve de verkoop deden zij ook de inkoop voor hun eigen afdeling. In overleg met de directie bepaalden zij het assortiment en het was hun eer te na om niet van een inkoopreis terug te komen zonder iets exclusiefs.

De Bonneterie was niet een zaak waar je als voorbijganger zo maar eens naar binnen liep om wat rond te snuffelen. De Cohen's hadden bewust een hoge drempel opgebouwd om te voorkomen dat de vaste clientèle zou worden geconfronteerd met de lagere standen. Vanaf de gaanderij werd je komst door de cheffin geregistreerd, die vervolgens probeerde de klanten zo eerlijk mogelijk over de verkoopsters te verdelen. Sommige klanten wilden steeds dezelfde verkoopster, die moest dus altijd beschikbaar zijn, ook als ze net aan haar lunch bezig was. Het passen kon wel een of twee dagen in beslag in nemen en werd dan onderbroken met een lunch in het al even chique Formosa aan de overkant. In alle kleding zat het etiket van Maison de Bonneterie. De naam van de fabrikant was niet herleidbaar zo konden klant noch concurrent op een spoor worden gebracht. In 1939 had de winkel maar liefst 15.000 vaste klanten. Er werkten 750 employees waarvan 400 in de Amsterdamse vestiging.
Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan bood het personeel vier gebrandschilderde ramen aan, ontworpen door Jean Grégoire. De ramen kregen een plaats in het trappenhuis in Amsterdam. Twee ramen stellen de oude winkels in de Kalverstraat 181 en 183 voor met de mode van de jaren 1889 en 1901. Het derde raam beeldt de periode 1913 uit met de oprichting van het Haagse filiaal. Het vierde raam toont het gebouw aan de Rokinzijde met de mode van 1939. De ontwerper wilde hiermee geluk, jeugd, vreugde, harmonie en blijde toekomst (een bruidspaar) symboliseren.

Al snel na het begin van de oorlog werd ook voor deze winkel een Verwalter aangesteld. Na zijn komst werden de joodse personeelsleden ontslagen en de Duitsers roofden De Bonneterie leeg! Hele partijen textiel stuurden zij naar Duitsland met het opschrift: 'Liebesgaben vom Holländischen Volk'. Huismeester Beyen, wiens etage op het Rokin met een loopbrug was verbonden met de winkel, wist nog vele goederen veilig elders onder te brengen. Zo kwamen de kostbare bontmantels in de kelders van het Bunge Huis terecht.
In 1943 werd de winkel verplaatst naar een etage van De Bijenkorf. De Bonneterie werd opslagruimte voor textiel importbedrijf.
Rosa en Max en Alfred met zijn gezin kregen in januari 1942 van de Duitsers een vrijgeleide naar Portugal in ruil voor kostbare schilderijen van oude meesters als Jan Steen en Jan van Goyen uit de verzameling van Alfred Cohen. Vanuit Portugal reisden zij per boot naar Amerika. Alfred en Max bleven na de oorlog in Amerika wonen, maar woonden regelmatig in Amsterdam omdat zij nog wel directeur waren. Rosa keerde terug en overleed op 81-jarige leeftijd in Amsterdam. Alfred en Max overleden in 1950 en 1951. In het trappenhuis hangt een plaquette met de namen van 66 personeelsleden die zijn omgekomen in Duitse concentratiekampen.

Na de bevrijding begon Paul Herz met veel energie aan de wederopbouw van De Bonneterie. Hij trouwde met Ellen David, kleindochter van Sylvain Kahn en Julie Berg, medeoprichters van het modehuis Hirsch. Alfred werd opgevolgd door zijn zoon Leo voor de Amsterdamse vestiging. In 1948 werd iemand van buiten de familie benoemd als directiemedewerker. Dit was David van Dijk afkomstig van Nieuw Engeland. Inge Vecht, een nicht van Herz en kleindochter van Emma Wittgenstein werd cheffin van de hoedenafdeling, in die tijd nog met twaalf verkoopsters. Leo Colland (Cohen) werd de bontexpert en Herz nam de damesconfectie voor zijn rekening. Herz en Colland werden met hun gezinnen de nieuwe bewoners van de villa van Jacot aan het Vondelpark.

In 1964 werd het 75-jarig bestaan gevierd met onder meer het aanbieden door het personeel van een marmermozaïek dat zomer en winter voorstelt en is ontworpen door Nicolaas Wijnberg.
Midden jaren ’60 veranderde de mode dictatuur en ook de oudere klanten gingen af en toe iets kopen in één van de nieuwe boetieks. Dit was de nekslag voor de grote vooroorlogse modehuizen als Hirsch, Gerzon, Krause en Vogelzang, Lampe en later ook Maison de Vries en Nieuw Engeland. In hun kielzog verdween ook het bekende café-restaurant Formosa. Ook De Bonneterie kreeg het moeilijk met voor het gebouw een dure restauratie van de fundering en een ingrijpende reorganisatie voor de winkel. Witteveen van Krause en Vogelzang kwam de directie versterken en onrendabele ateliers en afdelingen werden opgedoekt. Honderd personeelseden werden ontslagen. De zogenaamde ‘Free Space’-etalages – ontworpen door Wim Crouwel van Total Design – zorgden voor een opener relatie tussen de straat en de winkel. Het interieur kreeg eveneens een opknapbeurt waarbij De Bonneterie als eerste in Nederland shop-in-shops opende. Maar een instituut dat decennia lang een en al deftigheid uitstraalde verander je niet zo gemakkelijk in een eigentijdse onderneming. Wat daarbij niet bijdroeg aan een modern aanzien was de verhuur van de derde etage aan meubelzaak Pander waar het aanbod grotendeels bestond uit bruine, statige meubels die door het hele pand stonden.
In 1982 vindt er nog een verjongende directiewisseling plaats.

In 2009 besloot De Bonneterie alleen nog maar met shop-in-shops te gaan werken met kleding uit het hogere segment. De monumentale gebouwen werden van binnen totaal op de schop genomen. Door de te lang aanhoudende recessie was het in 2014 niet meer verantwoord het warenhuis voort te zetten. In september 2014 sluit Maison de Bonneterie daarom na 125 jaar verkoop voorgoed haar deuren.
In 2015 besluit H&M (Hennes & Mauritz) hier hun flagship store te vestigen.


                             
                              Maison De Bonneterie door de jaren heen

Meer lezen:
Grégoire, Johannes Hubertus (Jan / Jean)
Jacot & Oldewelt
Lodewijk XVI-stijl
Wijnberg, Nicolaas

Voor het laatst bewerkt:16-mei-2020