Kunstenaars
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

                        

Ama, Gais (1980) begon zijn artistieke carrière in 1995 in de straten van Rio de Janeiro (Brazilië). Hij was een van de eerste graffitikunstenaars in Rio de Janeiro en effende de weg voor de velen die na hem kwamen door het houden van workshops en het stimuleren van talent rond hem. Gais begon al snel met het integreren van graffitikunst en abstracte modernistische invloeden in zijn werk in de stedelijke ruimte. Tegenwoordig is de kunst van Gais herkenbaar als een combinatie van geometrische en organische kleurvormen en vlakken van lijnen.
Referenties: Abcouderpad

Andriessen, Jurriaen (Amsterdam 1742-1819) was een Nederlandse behangschilder en tekenaar.
Andriessen werd geboren op Uilenburg in de Batavierstraat. Zijn vader kwam uit Brandenburg en zijn moeder uit Holstein. Hij werd op 12-jarige leeftijd een leerling van Anthony Elliger en vier jaar later bij Jan Maurits Quinkhard. Hij bezocht in 1760 de Teeken-Akademie te Amsterdam en in 1766 won hij de eerste prijs. In datzelfde jaar werd Andriessen lid van het Sint-Lucasgilde. Hij kreeg vervolgens van David van Lennep de belangrijke opdracht voor het leveren van behang voor het Huis te Manpad in Heemstede.
Hij werkte samen met Johannes van Dreght, eigenaar van een behangselfabriek, en trok op met Reinier Vinkeles. Andriessen trouwde in 1770 met Aletta Noordsieck. Het echtpaar woonde aanvankelijk aan de Bloemgracht 97, waar vier kinderen worden geboren, in 1771 Johannes Christoffel, in 1772 Johanna, Christiaan in 1775 en Dorothea in 1776. Kort na de geboorte van de jongste sterft de oudste, Johannes, en op 27 december wordt hij uit het sterfhuis op de Bloemgracht ten grave gedragen op het Karthuizer Kerkhof. Ze verhuizen naar het Roeterseiland waar de kinderen opgroeien en wonen in 1796 op de Binnen-Amstel, waarschijnlijk op 95. In 1805 bedraagt de huur daar fl. 700,- per jaar. In 1812 woont de familie op de Keizersgracht 751 met de schilder De Lelie als buurman op 749. De huur bedaagt daar fl. 400,- per jaar. In 1816 verhuist het gezin nogmaals, nu naar Amstel 298, waar de huur fl. 350,- per jaar is. Daar sterft Jurriaan op 31 juli 1819. Als hij op Roeterseiland woont richt hij met Isaac Schmidt een werkplaats op voor geschilderde behangsels, waaraan ook zijn broer Anthony, de rijtuigschilder, zijn hulp verleent. Zijn geschilderde behangsels vertonen gewoonlijk arcadische (utopische) landschappen. Andriessen schilderde ook decors voor de schouwburg op de Keizersgracht (1774) en samen met Hermanus Numan schilderde hij Italiaanse straattaferelen. In 1799 kreeg hij een attaque en raakte steeds meer verlamd.
Er zijn meer dan 200 door Andriessen getekende behangselontwerpen bekend. Een groot aantal van zijn voorontwerpen en tekeningen, wordt in het Rijksprentenkabinet bewaard. Jurriaen had tientallen leerlingen en stichtte samen met zijn zoon Christiaan een tekenacademie. Eén van zijn bekendste leerlingen werd Daniël Dupré. Vrij uniek is een getekend dagboek dat zich uitstrekt over twintig jaar.
Andriessen werd een gevierd behangselschilder en heeft minstens 76 opdrachten gehad voor huizen binnen Amsterdam en enkele daarbuiten. Helaas zijn er slechts enkele interieurs met ensembles van Andriessen over gebleven. In Museum Van Loon worden doeken tentoongesteld die oorspronkelijk uit Kasteel Drakensteyn komen. In de tuinkamer van Het Grachtenhuis (Herengracht 386, Amsterdam) is een ensemble te zien dat Andriessen in 1776 vervaardigde in opdracht van Gillis Alewijn. Sinds 2013 is de Beuningkamer te zien in het Rijksmuseum. De kamer komt van de Keizersgracht 187, een in 1896 voor de aanleg van de Raadhuisstraat afgebroken huis. Het pand werd in 1744 geërfd door de koopman Mathijs Beuning, die een nieuw achterhuis liet bouwen met daarin een grote ontvangstkamer. De kamer kreeg een rococo-interieur: een virtuoos gesneden mahoniehouten kamerbetimmering, rijk geornamenteerd stucplafond en een marmeren schouw met een schoorsteenstuk van Jacob de Wit uit 1748.
In 1781 kwam er een nieuwe bewoner, uitgever, boekhandelaar en loterijhouder, Jan de Groot, die Jurriaan Andriessen opdracht gaf om de kamer volgens de laatste mode te decoreren. De kamer onderging een gedaanteverwisseling: van rococo naar neoclassicisme. Naast de illusionistische grisailles met de vrouwenfiguren Vrede en Bacchante, vulde hij de vakken tussen de houten lambrisering en het stucplafond met landschapsbehangsels. Bij de afbraak van het huis was er alleen een door Andriessen vervaardigd bovendeurstuk over als getuige van deze laat-18de-eeuwse toevoeging aan de inrichting. Het lukt zelden om de 18de-eeuwse decoratieve schilderijen uit de Amsterdamse grachtenpanden weer terug te vinden. Door hun onhandige grote formaat en de veranderende mode in woninginrichting zijn de meeste al vroeg verloren gegaan. In 2013 verwierf het Rijksmuseum echter twee levensgrote grisailles van vrouwenfiguren, waarvan één doek is gesigneerd en in 1786 gedateerd door Jurriaan Andriessen. Ze kwamen uit een privécollectie in Milaan. De stukken kwamen daar terecht na omzwervingen via het Franse Montpellier en Pordenone in Noord-Italië. De eigenaar benaderde het museum zelf, hij ging verhuizen en de hoge grisailles pasten niet meer in zijn nieuwe huis.
Van de volgende adressen zijn ontwerpen bekend: Herengracht 255 (tekening behangsel); Herengracht 386 (foto's behangsel); Herengracht 507-509 (tekeningen behangsels); Herengracht 520 (tekeningen behangsels); Herengracht 524 (tekeningen behangsels); Herengracht 535 (tekeningen behangsels); Herengracht 572 (tekeningen behangsels); Herengracht 593 (tekeningen behangsels); Herengracht 603 (tekeningen behangsels); Keizersgracht 187 (tekeningen behangsels); Keizersgracht 704 (foto's behangsels); Keizersgracht 751 (zijn woning); Rijksmuseum.
Referenties: Herengracht 40; Keizersgracht 672

                                       

Bol, Ferdinand Ferdinand Bol (Dordrecht 1616–Amsterdam 1680) was een Nederlands kunstschilder, etser en tekenaar. Hij vervaardigde portretten, historische voorstellingen en Bijbelse taferelen. Het werk van Bol hangt vaak in openbare gebouwen. Zijn portretten bleven veelal familiebezit.
Bol was mogelijk in de leer bij Jacob Gerritsz. Cuyp in Dordrecht en Abraham Bloemaert in Utrecht. In december 1635 wordt hij in Dordrecht vermeld als 'Ferdinandus bol, schilder'. Na 1635 is hij als leerling werkzaam in het atelier van Rembrandt te Amsterdam. De vroegst bekende aanwijzing hiervoor is een aantekening op de achterzijde van een tekening van Rembrandt van omstreeks 1636 met zijn voornaam 'ferdijnandus'.
Op 30 augustus 1640 trad Bol op als getuige in een notariële akte van Rembrandt. Hij volgde zijn leermeester zo goed na, dat veel van Bols werken lange tijd werden toegeschreven aan Rembrandt zelf. Rembrandt verkocht ook werken die door Bol waren geschilderd. Rembrandt schilderde zijn vader Balthasar Bol, toen deze in Amsterdam bij zijn zoon op bezoek kwam. Na de dood van zijn vader in 1641 vestigde Ferdinand Bol zich als zelfstandig schilder.
In 1652 liet Bol zich inschrijven als poorter van Amsterdam. In 1653 huwde hij de koopmansdochter Elisabeth Dell en woonde op de Oudezijds Voorburgwal, naast de Stadsbank van Lening. In 1655 werd hij hoofdman van het schildersgilde. Ferdinand Bol leverde stukken aan de Admiraliteit van Amsterdam en het Amsterdamse stadhuis. In 1660 stierf zijn vrouw. In 1669 trouwde hij opnieuw, dit keer met Anna van Erckel. Het paar verhuisde naar Keizersgracht 672, in een pand ontworpen door Adriaan Dortsman. Zijn vrouw was zo vermogend dat hij nauwelijks meer heeft geschilderd. Bol hield zich bezig met een bestuursfunctie in het Leprozen- en Huiszittenhuis en is in 1675 samen met Isaac Commelin geschilderd door Pieter van Anraedt. Aan het einde van zijn leven woonde Bol bij zijn zoon Elbert, een advocaat op de Herengracht. Hij ligt begraven in de Zuiderkerk, waar ook een schilderij van hem hing.
De werken van Ferdinand Bol behoren tot de barok en hij is één van de Oude Hollandse Meesters. Het vroegste door Bol gesigneerde werk dateert uit 1642. In Amsterdam wordt hij na 1650 een zeer succesvol portretschilder. Hij maakte onder andere portretten van Michiel en Engel de Ruyter, Jacob van Campen en David de Wildt. Zijn beste werk kwam tot stand tussen 1650 en 1669. Er zijn veel (zelf)portretten van Bol bekend.
In de burgemeester- en Schepenzaal van het Paleis op de Dam (voormalige stadhuis) hangen schoorsteenstukken van hem. De schilderijen in het Zeemagazijn zijn bij de brand in 1791 verloren gegaan.
Referenties: Keizersgracht 672; Kloveniersburgwal 29; Oudezijds Voorburgwal 136

                                       

Brom, Jan Eloy Joannes Gerardus Josephus Eligius Brom (1891-1954) volgde opleidingen aan de Polytechnic School of Arts in Londen, de Königliche preussische Zeichenakademie in Hanau en de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. In 1928 werd hij conservator van het Aartsbisschoppelijk Museum (het huidige Museum Catharijneconvent).
Jan Eloy Brom kreeg na de dood van zijn vader Jan Hendrik Brom samen met zijn broer, de edelsmid Leo Brom, de leiding over de door zijn grootvader Gerard Bartel Brom in 1856 gestichte werkplaatsen voor edelsmeedkunst. Samen met hun zuster Joanna Brom en Jan Eloy's echtgenote Hildegard Brom-Fischer hebben ze de weg van hun vader voortgezet en het atelier laten uitgroeien tot een toonaangevende werkplaats voor modern kerkelijk kunst. De gebroeders Brom moderniseerden het bedrijf, breidden het uit en maakten er een moderne onderneming van. Ze produceerden zelfs voor Latijns Amerika en de Verenigde Staten en handelen onder de naam Edelsmidse Brom.
Edelsmidse Brom was een in Utrecht gevestigde Nederlandse onderneming (1856-1961), gespecialiseerd in het maken van edel- en siersmeedkunst voor de Rooms-Katholieke Kerk. Gerard Bartel Brom (1831-1882) werkte als koperslager bij Van Kempen in Utrecht. In 1856 begon hij voor zichzelf. In 1882 overleed Gerard Bartel Brom en nam zijn zoon Jan Hendrik de zaak over. Rond 1900 stapte Jan Hendrik af van de neogotiek en koos voor modernere ontwerpen. Hij overleed in 1915, waarna de leiding over de edelsmederij werd overgenomen door zijn zoons Jan Eloy en Leo. Ook hun zus Joanna Brom en de vrouw van Jan Hendrik, Hildegard, waren werkzaam in het familiebedrijf. Naast religieuze kunstvoorwerpen produceerde zij ook andere kunststukken.
Bij gebrek aan een opvolger is de edelsmederij in september 1961 gesloten, rond de tijd dat de vraag naar kerkelijk zilver drastisch verminderde.
Referenties: Ambonplein 79

                                       

Brom, Leo Leo Hendrik Maria Brom (1896-1965) was na Jan Eloy de tweede zoon uit het huwelijk van Jan Hendrik Brom en Agatha de Charro. Als telg uit een katholiek gezin waar al twee generaties vakkundig en zeer hoogwaardig smeedwerk werd geproduceerd volgde hij verschillende opleidingen die in het verlengde lagen van het bedrijf van zijn opa en vader. Eerst ging hij naar de kunstnijverheidsschool te Utrecht. Vervolgens ging hij naar Brussel waar hij de Sint Lucasschool volgde. (Onderwijskundig stonden de Sint-Lucasscholen onder invloed van het gedachtegoed van Jean-Baptist Bethune. Vanuit esthetisch oogpunt waren het centra van Neogotiek.) Na zijn opleiding in Brussel vertrok Leo Brom naar Amsterdam, waar hij studeerde aan de Rijks-Academie van Beeldende kunsten, waar hij les had van onder andere Bart van Hove en Carel Dake. (Deze academie is in 1870 opgericht door Koning Willem III en is de opvolger van de Koninklijke Academie (19de eeuw), de Stads Teekenacademie (18de eeuw) en de Konstkamer (17de eeuw).) Naast deze opleiding deed hij veel praktische kennis en vaardigheden op in het atelier van zijn vader en in verschillende ateliers in Brussel en München. Zodoende verwierf hij zich een grondige kennis van het edel- en goudsmid ambacht.
Toen Leo 19 jaar oud was overleed zijn vader en nam hij samen met zijn broer Jan Eloy de leiding over de door zijn opa Gerard Bartel Brom gestichte werkplaatsen voor edelsmeedkunst, Edelsmidse Brom.
Edelsmidse Brom was een in Utrecht gevestigde Nederlandse onderneming (1856-1961), gespecialiseerd in het maken van edel- en siersmeedkunst voor de Rooms-Katholieke Kerk. Gerard Bartel Brom (1831-1882) werkte als koperslager bij Van Kempen in Utrecht. In 1856 begon hij voor zichzelf. In 1882 overleed Gerard Bartel Brom en nam zijn zoon Jan Hendrik de zaak over. Rond 1900 stapte Jan Hendrik af van de neogotiek en koos voor modernere ontwerpen. Hij overleed in 1915, waarna de leiding over de edelsmederij werd overgenomen door zijn zoons Jan Eloy en Leo. Ook hun zus Joanna Brom en de vrouw van Jan Hendrik, Hildegard, waren werkzaam in het familiebedrijf. Naast religieuze kunstvoorwerpen produceerde zij ook andere kunststukken.
Bij gebrek aan een opvolger is de edelsmederij in september 1961 gesloten, rond de tijd dat de vraag naar kerkelijk zilver drastisch verminderde.
Referenties: Ambonplein 79

                                       

Abo Bakr, Ammar werd geboren op 14 februari 1980. Hij bezocht het Luxor Instituut voor Schone Kunsten van 1996 tot 2001 waar hij schilderkunst studeerde. Vanaf 2004 begon Abo Bakr met onderzoek naar het Egyptische volk, op zoek naar inspiratie voor zijn kunstwerken. Naast het maken van zijn eigen graffitistukken, was hij professor aan het Luxor Institute of Fine Arts waar hij eerder naar school ging. Hij woont nog altijd in Luxor.
Ammar Abo Bakr is een bekend muralist en graffitikunstenaar in Egypte. Ammar's werk toont de geschiedenis van Egypte, de islamitische cultuur en de Egyptische revolutie van 2011. Enkele van zijn bekendste muurschilderingen waren op Mohamed Mahmoud Street, vlak bij het Tahrir-plein, waar de revolutie van 25 januari plaats vond. Zijn werk is geïnspireerd door wat er op dat moment in het land gaande is en door wat de maatschappij wil. Omdat zijn werk vaak tegen de mening van de regering indruist, kan het gevaarlijk zijn om deze werken of muurschilderingen te maken. Tijdens en kort na de Egyptische revolutie van 2011 plaatste Ammar graffiti op alles wat hij maar kon vinden. Ook andere kunstenaars en activisten schreven op openbare plaatsen, zo stuurden ze niet alleen berichten naar de overheid, maar hielden ze ook een dialoog met elkaar en reageerden ze op graffitiwerk van andere kunstenaars. Zijn werk aan Mohamed Mahmoud Street was vooral belangrijk omdat deze straat het Tahrir-plein en het ministerie van Binnenlandse Zaken met elkaar verbindt. De graffiti in deze straat diende als een ‘krant’ van wat er gebeurde tijdens de revolutie. Abbas Bakr schreef over zijn werk: ‘Wat we de afgelopen jaren in Egypte hebben gedaan, ging niet over het presenteren van kunst, althans dat was het niet voor mij: we gebruikten de muren als een krant. Ik verliet de kunstacademie om verslag te doen van de revolutie via de stadsmuren.'
In 2012 startte Ammar samen met andere artiesten de 'No Walls'-campagne. Deze campagne was bedoeld om alle betonnen barricades die door de regering waren opgezet te bedekken met graffiti. De overheid plaatste barricades in buurten, wat niet alleen een visueel teken van onderdrukking was, maar die de bewoners ook hinderden omdat ze door de barricades moesten navigeren. De barricades worden er niet makkelijker van maar wel aanvaardbaarder.
Zijn werk is ook te zien in Caïro, Alexandrië, Beiroet, Brussel, Frankfurt, Berlijn, Keulen en Amsterdam.
Referenties: Hakfort

                                       

Carrilho, Nelson (1953). Het werk van Nelson Carrilho zijn hekeldichten in brons, vol humor of bijtende spot, vragen en antwoorden die vaak een sterke ontroering oproepen. Het zijn kenmerkende elementen in de beeldenreeks. zijn werk is niet alleen een aanklacht, het gaat ook over bevrijding en de ontroering die zij in mensen op kan roepen. Carrilho's maatschappelijke betrokkenheid is ook terug te vinden in werk dat in Nederland en op Curaçao een plek heeft gevonden in de openbare ruimte. In het Vondelpark staat een groot beeld dat hij maakte na de moord op de jonge Kerwin Duinmeijer. Een anti-racisme monument: Mama Baranka (Moeder Rots). Dit beeld is een eerbetoon aan alle moeders en is inmiddels een icoon van de stad Amsterdam. In het Westerpark staat het beeld Dragers van Verre als symbool voor het multiculturele Amsterdam. Het heeft als thema de constante verplaatsing van mensen van continent naar continent.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Carve is een ontwerp- en ingenieursbureau voor de openbare ruimte, gespecialiseerd in voorzieningen voor kinderen en jongeren als skatebanen.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Dalata
Referenties: Heesterveld 75

                                       

DeMakersVan is een samenwerking gebaseerd op vriendschap. De drie ontwerpers (waarvan 2 tweelingbroers) kennen elkaar van de Design Academy in Eindhoven en raakten bevriend. De vriendschap was zo intens, dat de drie afzonderlijke afstudeerprojecten bijna één geheel vormden. Het lag voor de hand om met z’n drieën verder te gaan na hun afstuderen in 2004. DeMakersVan vertrokken richting de Rotterdamse Havens, betrokken een werkruimte, en gingen de wereld veroveren. Hun succes is volgens de broers Verhoeven te danken aan hun naïviteit en het communiceren van het verhaal van een ontwerp naar de wereld.
In een interview legt Judith de Graauw, een van de ontwerpers van DeMakersVan, uit hoe er wordt samengewerkt: “Doordat we met zijn drieën zijn, zijn we niet erg stijlvast. We hebben een enorme klik met elkaar, maar onze meningen kunnen erg verschillen, waardoor we soms eindeloos moeten discussiëren. Dat maakt het leuk. Jeroen houdt van opvallend, ik ben meer ingetogen en Joep heeft een beetje van allebei. Het ene moment gaat hij mee met mijn ingetogenheid en het andere moment kan hij lekker schreeuwen met Jeroen. Als we het niet eens worden, is het 'meeste stemmen gelden'”.
De ontwerpers combineren kunst met functionaliteit. Ze willen graag weten hoe constructies in elkaar steken. Uitgangspunten zijn humor, glamour, sprookjes om het onmogelijke mogelijk te maken. Hun bekendste ontwerp is de Lace Fence (een industrieel hekwerk met kantklostechniek). Om deze te kunnen produceren zijn DeMakersVan in India een fabriek gestart met 25 medewerkers. Daarnaast hebben ze een buitenlamp ontworpen, de 'Light Wind' gebaseerd op de windmolens en schemerlampen. Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Derlon (1985), is geboren in Recife (Brazilië). Hij heeft een eigen stijl ontwikkeld die een combinatie is van de Braziliaanse populaire cultuur, iconografie en popart. Hij is illustrator voor tijdschriften, reclamebureaus en de mode-industrie en heeft recentelijk decors ontworpen voor verschillende instituten. Hij heeft verschillende tentoonstellingen in heel Brazilië gerealiseerd.
De sporen van Derlons werk herinneren ons aan de traditionele houtsnede, gebruikelijk in het noordoosten van Brazilië, en de lokale verhalenstrips genaamd 'Cordel'. Zelfs wanneer met een verfspuit of borstel wordt geschilderd, ziet het resultaat eruit alsof hij de guts in hout heeft gebruikt. Met zijn simplistische zwart-witte personages onderzoekt Derlon de dimensies van architectuur en openbare ruimte, waarbij goed geïntegreerde muurschilderingen worden gecreëerd die in harmonie zijn met de omgeving.
Referenties: Haag en Veld 91-136

                                       

Dijkman, Annelies (1958) is opgeleid aan de Gerrit Rietveld Academie en de Rijksacademie, beide te Amsterdam. Zij woont en werkt in Leiden. Annelies Dijkman is gespecialiseerd in projecten in de openbare ruimte. Zij werkt met fonteinen en bomen, creëert tuinen en ontwerpt bruggetjes. Haar uitgewerkte projecten moeten uiteindelijk samenvallen met de omgeving, in de synergie opgaan. Beweging speelt een belangrijke rol, de voortgang van de toeschouwer in samenhang met de dynamiek van het werk zelf. De ruimte met al haar mogelijkheden en beperkingen is het podium voor mijn kunstwerken. Veelal de openbare ruimte, met een groot scala aan soorten locaties. Van een park, een schoolplein tot de zee. De diversiteit van deze plekken is inspirerend. Elke plek heeft zijn eigen geschiedenis, context, stedelijke of landschappelijke kenmerken. Mijn kunstwerken verhouden zich tot de ruimte, dragen bij aan de identiteit, maar hebben tegelijkertijd ook hun eigen betekenis. Zo ontstaat een wisselwerking tussen beeld en plek.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Elden, van, Barten (Amsterdam 1955 -). Barten van Elden maakt ook gebruik van de namen Bart van Elden en Willem Barten van Elden. Hij is beeldhouwer en collagist. Zijn werk is abstract.
Referenties: Abcouderpad

                                       

Elliger, Antonie (Anthony) (Amsterdam 1701-Ede 1781). Hij is getrouwd met Christina Houbraken, een dochter van Arnold Houbraken. Zij kregen een dochter Christina Maria Elliger. Behalve aan zijn dochter gaf hij ook les aan Jan Gerard Waldorp, Jurriaen Andriessen, Izaäk Schmidt en Johannes Cornelis Mertens. Antonie Elliger kwam zelf uit de school van de Franse classicist Gerard de Lairesse. Hij schilderde in hoofdzaak portretten, deurstukken en grauwtjes veelal met historische, mythologische of zinnebeeldige onderwerpen.
Referenties: Keizersgracht 269, Singel 116

                                       

Fitger, Arthur Heinrich Wilhelm (1840-1909) was een Duitse decoratieschilder uit Bremen. Fitger ging in 1858 naar de Akademie zu München, waar hij les kreeg van Moritz von Schwind, Peter von Cornelius en Bonaventura Genelli. Aansluitend ging hij in 1861 naar Antwerpen en vervolgens naar Parijs. Van 1863 tot 1865 verbleef hij in Rome, ondersteund door een beurs van Oldenburg's groothertog. De volgende jaren bracht hij afwisselend in Wenen en Berlijn door voordat hij in 1869 naar Bremen ging.
Fitger werd bekend om zijn grote decoratieve werken, hoofdzakelijk uitgevoerd in Bremen. Hij versierde de Rembertikirche met twee schilderingen: 'De verloren zoon' en 'De barmhartige Samaritaan'. Hij schhilderde een fries met maritieme allegorieën voor de beurs. Zijn werken verschenen ook in het Haus Seefahrt en het Reichspostgebäude. Beïnvloed door de Franco-Pruisische Oorlog in 1870 produceerde hij het draagbare kunstwerk 'Awakening Barbarossa', die zijn reputatie verder verspreidde. In 1875 kreeg hij de opdracht om de Ratskeller te beschilderen met muurschilderingen. In 1883 en 1884 schilderde hij grote muurschilderingen in de Kunsthalle Hamburg. Daarna keerde hij terug naar Bremen, waar hij muurschilderingen van nimfen en centauren in de keizerlijke zaal van het nieuwe postkantoor schilderde.
Naast zijn decoratieschilderingen schreef Fitger ook enkele drama’s en poëzie.
Fitger werd omstreeks 1900 als een belangrijke kunstcriticus in Bremen beschouwd. Zijn kritiek, gepubliceerd in de pers, had een blijvende invloed op de Hanzese smaak in de kunst. Hij was voorzitter van de Kunstverein en hield een conservatieve kijk op kunst. Hij schreef stevige kritieken op kunstenaars die een modernistische stijl volgden waaronder de Künstlerkolonie Worpswede en de hedendaagse Franse schilders. Het meest opvallende voorbeeld van zijn kritiek was een commentaar op een tentoonstelling van Marie Bock en Paula Becker in 1899 in de Kunsthalle Bremen. Het verscheen in het Weser-Zeitung: “Für die Arbeiten der beiden genannten Damen reicht der Wörterschatz einer reinlichen Sprache nicht aus, und beiner unreinlichen wollen wir keine Anleihe machen.” hetgeen betekent: “Om het werk van de twee dames te beschrijven, volstaat de woordenschat van een schone taal niet en we willen niet lenen van een onreine.” Zijn kritiek was echter niet in staat een doorbraak van de Künstlerkolonie Worpswede te voorkomen.
Referenties: Herengracht 500

                                       

Guimarães, Rimon is in 1988 geboren in Curitiba (Brazilië). Tekeningen uit zijn kindertijd vormen de basis voor zijn huidige werk dat ook gekoppeld is aan inheemse en naïeve kunst. Zijn stijl verandert mee met de ontwikkeling van nieuwe technieken en kleuren die de aandacht trekken.
Referenties: Heesterveld; Hogevecht

                                       

Hall, van, Frederik Jan (Frits) (1899-1945). Van Hall is geboren op het eiland Java in voormalig Nederlands-Indië. Het gezin Van Hall kwam in 1905 terug naar Nederland. Hier studeerde hij van 1918 tot 1923 beeldhouwkunst bij Jan Bronner aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam. In 1923 won hij, kort na zijn afstuderen, de gouden medaille van de Prix de Rome en hij verbleef in 1924 in Rome. Aansluitend woonde hij met zijn echtgenote, de schilderes Jeanne Brandsma, onder andere in Cagnes-sur-Mer in Frankrijk. In 1929 kwamen zij terug in Nederland en tot 1943 woonden zij in Sloterdijk. Met Jan Havermans had hij zijn atelier in de voormalige pastorie aan de Spaarndammerdijk, waar tussen 1933 en 1936 de Russisch-Joodse beeldhouwer Moissey Kogan, die in die periode in Amsterdam woonde, veelvuldig werkte. Kogan had een grote invloed op de stijl van het werk van Van Hall.
Van Hall was lid van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers en nam in 1941 deel aan de herdenkingstentoonstelling voor de in 1939 overleden beeldhouwer Joseph Mendes da Costa. Vele leden zegden begin 1942 hun lidmaatschap van de Kring op en weigerden, na de instelling van de Nederlandsche Kultuurkamer in november 1941, de Ariërverklaring te ondertekenen. Van Hall speelde een actieve rol in het kunstenaarsverzet als koerier voor het illegale financiële steunfonds voor Kultuurkamerweigeraars, organiseerde verboden tentoonstellingen en vervalste persoonsbewijzen. Frits werd in 1943 gearresteerd en opgesloten in Kamp Vught. Op 24 mei 1944 werd hij naar het concentratiekamp Dachau gedeporteerd en later naar Auschwitz. Hij werd op 18 januari 1945, na de ontruiming van Auschwitz, tijdens de dodenmars langs de weg gefusilleerd in Gliwice in Polen.
Frits van Hall was de biologische vader van de musicus, regisseur en toneelschrijver Lodewijk de Boer (1937 - 2004), geboren uit een relatie met Agnes A.M. Lichtveld, een jongere zus van schrijver Albert Helman. Hij was verder een neef van de latere Amsterdamse burgemeester Gijs van Hall en een broer van danseres Suzy van Hall, in de Tweede Wereldoorlog de gezellin van Gerrit van der Veen.
Frits maakte in concentratiekamp Vught, samen met andere gevangen kunstenaars, kunstwerken voor de kampleiding. Het lukte ook om in het atelier eigen kunst te vervaardigen. Frits sneed in gips figuurtjes in negatief, waarna hij de zo ontstane mallen gebruikte voor afdrukken in klei. Deze afdrukken bakte hij provisorisch af op een kacheltje.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Hassoldt, Christiaan Joseph (Chris) (1877-1956), Chris Hassoldt volgde zijn opleiding tot beeldhouwer en schilder aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam bij Jan Bronner. Voorts volgde hij lessen bij zijn vader en in Parijs. Hij had grote voorkeur voor brons en zandsteen en koos zijn onderwerpen in het abstracte vlak of figuratief. Hij was lid van Kunstenaarsvereniging De Onafhankelijken en de Nederlandse Kring van Beeldhouwers NKVB.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Heemsbergen, Cornelis Albertus (Kor) (1936-2005), beeldhouwer en schilder. De tegenstellingen in materialen en het symboliseren van natuurkrachten zijn terugkerende elementen in het werk van Heemsbergen.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Hilgemann, Ewerdt beeldhouwer. De in 1938 in Witten (Duitsland) geboren kunstenaar woont sinds 1970 in Nederland. Hilgemann werkte aanvankelijk heel systematisch en ontwikkelde kunstwerken die als basis een geometrische verdeling en wiskundige ordening hadden. Het streven naar een relatie met de exacte wetenschappen en zijn voorkeur voor het onpersoonlijke en objectieve waren daarin de uitgangspunten. Hij is internationaal bekend geworden met zijn experimenten die de nadruk leggen op natuurwetenschappelijk, onpersoonlijk, abstract denken. Sinds 1980 raakte Hilgemann meer gefascineerd door natuurlijke en romantische aspecten en speelt het onvoorspelbare een grote rol in zijn werk. Zo liet hij ooit een zorgvuldig gepolijste marmeren kubus van een helling afrollen en gooide hij een stalen kubus van een flatgebouw. Door zo de resultaten van zijn eigen inspanning te vernietigen ontstond er iets nieuws: een 'creatieve destructie'.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Hirs, Raymond beeldhouwer.
Referenties: Abcouderpad

                                       

Kaas, Jaap Jaap Kaas (1898-1972) kwam uit een vrijzinnig joods milieu. Hij werd geboren in de Amsterdamse Jodenbuurt, waar zijn familie groot was geworden in de handel in oud ijzer. In 1900 verhuisde hij met zijn ouders, broer en zuster naar Antwerpen. Hier zou de Zoo de grote passie van zijn jeugd worden. In deze dierentuin raakte Jaap spelenderwijs vertrouwd met de uiterlijke verschijningsvorm en gedragingen van de dieren. Hij werd er geïnspireerd door de Antwerpse dierkunstenaars en ging nog voor zijn tiende jaar boetseren en tekenen in de Zoo. Van 1910 tot 1914 werkte Jaap Kaas op de Koninklijke Academie van Schoone Kunsten, waar hij zich ontpopte als een zeer ijverige en begaafde leerling. Tijdens het beleg van Antwerpen, in de late zomer van 1914, ontvluchtte de familie Kaas de stad om zich voorgoed in Amsterdam te vestigen. Daar studeerde Jaap van 1914 tot 1920 aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten als een van de eerste leerlingen van J.Bronner, hoogleraar in de beeldhouwkunst.
Na zijn academietijd leidde Kaas, tot eind 1924, een zwervend bestaan. In dienst van Monumentenzorg werkte hij mee aan restauratieprojecten in het gehele land. Ook voerde hij opdrachten uit ter versiering van de gevels van de vele nieuwe gebouwen die na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam verrezen, zoals het Tuschinski Theater in 1920 en het Koloniaal Instituut in 1922. Van 1925 tot 1936 behoorde Kaas tot het groepje beeldhouwers dat in samenwerking met de architecten van de Amsterdamse School, en betaald uit het gemeentelijk steunkrediet, de stad voorzag van anoniem bouwbeeldhouwwerk. Daarnaast was hij als toegepast kunstenaar actief, onder andere met het ontwerpen van gebruiksgrafiek en speelgoed. Om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien, gaf Kaas in deze periode tevens teken- en boetseerlessen aan verschillende scholen in de hoofdstad. Niettemin waren het jaren van armoede en tegenslag, die hem tot een stille, teruggetrokken man maakten. Ten slotte ging ook zijn huwelijk te gronde aan de huiselijke zorgen en spanningen. Dat het vrije werk van Kaas ontstond in Artis was dan ook geen toeval. Hier vond deze eenzame kamerbewoner de dieren die hem inspireerden en raakte hij bevriend met oppassers en leden van de staf. Op den duur gold hij zelfs als 'de beeldhouwer van Artis'.
In 1936 kreeg Jaap Kaas eindelijk een vaste aanstelling als leraar in het beeldhouwen, boetseren en gips bewerken aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Ook in zijn privéleven ging het hem beter: in hetzelfde jaar hertrouwde hij. Dit relatieve geluk kon slechts duren tot de Tweede Wereldoorlog. Enkele maanden na de Duitse inval werd hij namelijk op grond van zijn joodse afkomst uit zijn leraarsfunctie ontheven. Kaas toonde zich allerminst een weerloos slachtoffer van de Duitse bezetter. Aan de vooravond van de Februaristaking van 1941 leverde hij strijd met een nationaal-socialistische knokploeg voor de deuren van de ijssalon 'Koco' in de Rijnstraat en raakte daarbij ernstig gewond. In december 1941 nam hij de leiding op zich van een speciaal opgerichte joodse kunstnijverheidsschool, waaraan ook andere bekende lotgenoot-kunstenaars hun krachten gaven. De Middelbare Joodsche Kunstnijverheidsschool 'W.A.van Leer' bestond slechts anderhalf jaar, maar vormt een goed voorbeeld van de wijze waarop van joodse zijde gepoogd werd het moreel hoog te houden. In de zomer van 1943 werd de school gesloten, waarop, na veel omzwervingen, voor de rusteloze Kaas en zijn vrouw een moeilijke onderduikperiode in Rotterdam volgde.
Na de bevrijding wijdde Jaap Kaas zich opnieuw met overgave aan het kunstonderwijs. Van 1946 tot 1963 was hij docent tekenen en beeldhouwkunst aan de Rotterdamse Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen, ofschoon hij woonachtig bleef te Amsterdam. Verder was Kaas bijzonder actief in het verenigingsleven. In het conflict tussen de abstracten en figuratieven binnen de Nederlandse Kring van Beeldhouwers speelde hij, als secretaris van de ballotagecommissie, een hoofdrol aan de zijde van de behoudende stroming. Teleurgesteld over de afbrokkeling van eensgezindheid en collegialiteit trok Kaas zich op den duur overal uit terug. Als een solitair leefde hij de laatste tien jaar van zijn leven, bouwend en schavend aan de beelden die niemand te zien kreeg. Toen hij op 74-jarige leeftijd overleed, was hij, als mens en als kunstenaar, in de vergetelheid geraakt.
Werken in de Amsterdamse openbare ruimte: Michelangelo (1928), Michelangelostraat; Rubens (1928), Rubensstraat; Meisje met hond en kat, Muzenplein; Moeder met kind (1932), Vierwindstrekenbrug over de Admiralengracht; Tijger met prooi en Leeuw met prooi (1938/39), Staande mandril (1958), Hangbuikzwijn (1960), Lopende bruine beer en Lopende ijsbeer (ca. 1960), Parende tijgers (1972), Artis.
Referenties:

                                       

Keus, Niels (1939) beeldhouwer, deed zijn opleiding aan de Kunstnijverheidschool te Amsterdam afdeling Keramiek (1955-1961). Hij verwierf een studiebeurs aan de Worcester Ceramics England (1960). Niels trad als ontwerper keramiek in dienst bij Plateel bakkerij Zenith te Gouda (1962-1970). De stalen beelden van Keus zijn vrij strak en geometrisch van karakter, maar dat wil niet zeggen dat in zijn werk wiskundige wetmatigheden een rol spelen. Juist op associatieve wijze worden driehoekige en rechthoekige vormen en cirkelsegmenten aan elkaar gevoegd. Dat heeft als resultaat dat de beelden vanuit elk gezichtpunt weer anders van vorm zijn zodat ze uitnodigen er omheen te lopen.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Koning, Paul Philip (1916-1998), was een Nederlands beeldhouwer, graficus, tekenaar en lithograaf. Paul kreeg zijn opleiding aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam en kreeg les van Jan Bronner. Tot zijn leerlingen hoorden Djeff Panhuyzen en Fioen Blaisse. Hij was lid van de vereniging Nederlandse Kring van Beeldhouwers NKVB. Onderwerpen van zijn werk waren figuur- en diervoorstellingen. Voor zijn werk gebruikte hij materialen als hardsteen, klei, brons, gewapend beton en gips. Hij werkte in ateliers op meerdere plaatsen zoals aan het Rapenburg in Amsterdam en het atelierschip ‘Grisbi’ in Eemnes.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Koren, Shlomo (1932) ontvluchtte in 1936 Duitsland en vestigde zich met zijn ouders in het voormalige Palestina. Na zijn studie aan de kunstacademie Belzalel vertrok hij samen met zijn vrouw Shulla voor een vakantie naar Europa. De vakantie werd een verhuizing, ze vestigden zich in Nederland. Huizen en fundamenten vormen een weerkerend thema in zijn werk. In een interview zegt Koren hierover: "Mijn werk is een metafoor voor de onthechting. De laatste jaren gebruik ik in mijn werk de vormen huis, dakhelling, trechter, brug en brancard. Dingen die dragen, steunen en selecteren. Dingen die sterk zijn. Gesteente dat hoop en uitdaging tegen onlusten moet zijn." Over zijn materiaalkeuze zegt Koren: "Ik heb een voorkeur voor dolomiet, een kalkzandsteen. Metalen aderen en fossiele sedimenten geven het grijsgroene materiaal een zachte en veelkleurige uitstraling."
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Korver, Peter Het werk van Peter Korver zet de traditie van de behangselschilderkunst voort in een eigentijdse context. Als bioloog schildert Korver met grote nauwkeurigheid en betrouwbaarheid planten- en diersoorten. Vaak staan deze tegen een framework van gestileerde achttiende eeuwse motieven en zijn er historische voorwerpen aan toegevoegd. Zijn werk laat zich makkelijk invoegen in zeventiende en achttiende eeuwse grachtenpanden en buitenverblijven.
Peter Korver heeft een academische achtergrond in biologie, geschiedenis en kunst die hij combineert met ruime ervaring in interieurontwerp.
Referenties: Herengracht 40; Keizersgracht 269

                                       

Krop, Hildebrand Lucien (Hildo) (1884-1970) verwierf grote bekendheid als beeldhouwer en sierkunstenaar en vooral als stadsbeeldhouwer van Amsterdam. Krop was een zoon van de Steenwijkse bakker Hein Krop en Johanna Louisa Cordes. Van moederskant kwam hij uit een kunstzinnige familie; zijn grootvader was fotograaf en tekenleraar en twee ooms schilderden en fotografeerden. Hij werd echter opgeleid tot banketbakker en werkte in België, Frankrijk en Italië. Zijn eerste figuren boetseerde Hildo Krop (1884-1970) van marsepein voor de taarten die werden verkocht in de bakkerij van zijn vader. De jonge Krop was voorbestemd het bakkersbedrijf over te nemen. Maar het lot besliste anders. Via allerlei omzwervingen kwam hij in 1906 in Engeland terecht. Hij werkte als kok voor een welgesteld, kunstminnend echtpaar. Voor het eerst kwam Krop in aanraking met kunstenaars en intellectuelen. Hier werd zijn talent als tekenaar ontdekt en op aanraden van schilder Gerald Spender Pryce volgde hij een zomercursus beeldende kunst in Londen. Daarna volgde hij lessen aan de Académie Julian in Parijs, beeldhouwlessen bij Bart van Hove aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en waar hij van de beeldhouwer John Rädecker leerde steenhouwen. In 1912 volgde Krop beeldhouwlessen aan de Kunstgewerbeschule in Berlijn. Eind 1912 keerde hij terug naar Amsterdam, waar hij aan het werk ging in de meubelfabriek van W.Gieben en zich bekwaamde in het houtsnijden.
Beslissend voor zijn levensloop werd de opdracht mee te werken in het atelier van Hendrik van den Eijnde aan het decoratieprogramma van het Scheepvaarthuis in 1913. Dit prestigieuze kantoorpand aan de Prins Hendrikkade geldt als een van de eerste gebouwen in Amsterdamse School-stijl. Na afloop van dit bouwwerk, dat in Amsterdam het begin inluidde van een periode met vele belangrijke steenbeeldhouwprojecten, werd Krop benoemd tot de stadsbeeldhouwer en kwam hij in 1916 voor halve dagen in dienst bij Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Een dergelijke aanstelling was uniek in die dagen. Ze verschafte de kunstenaar bestaanszekerheid en een gestage stroom aan werk. Krop werkte veel samen met stadsarchitect A.R. Hulshoff. Vooral in Amsterdam-Zuid zijn er veel bruggen met sculpturen van Krop te vinden. Naast zijn beeldhouwwerken heeft Krop ontwerpen gemaakt voor meubilair, keramiek (ESKAF), glas (Leerdam) en smeedwerk. Rond 1925 volgde hij lessen aan Quellinus, waar hij van Bert Nienhuis leerde glazuren. Hij maakte vervolgens meerdere kleine plastieken, die hij in eerste instantie zelf bakte, later werden ze bij de Plateelbakkerij Zuid-Holland in serie gebakken.
Typerend in de jaren 1915-1930 was de opvatting van architectuur als gemeenschapskunst. Ze moest bijdragen aan de verheffing van het volk. Sociaal democratische en socialistische idealen speelden een grote rol. Krop was zelf lid van de Sociaal Democratisch Arbeiderspartij. In 1918 bedankte hij voor het lidmaatschap. De rest van zijn leven was hij overtuigd communist, zonder ooit partijlid te worden. Hildo en zijn vrouw Mien Sleef stonden positief tegenover de Sovjet-Unie. Bij het tienjarig bestaan van de Sovjet-Unie vervaardigde hij een legpenning. In 1931 maakte hij een portretbuste van Lenin, die levenslang in zijn atelier stond. In 1937 volgde een buste van Stalin, die in november in het Concertgebouw door de Communistische Partij Holland werd onthuld. In 1932 maakte Krop een reis van drie maanden naar de Sovjet-Unie en verbleef daar drie maanden. Krop werd nooit lid van de CPH, omdat hij zijn positie als stadsbeeldhouwer niet in gevaar wilde brengen. In het door Igor Cornelissen geschreven boek ‘De GPOe op de Overtoom’ noemt hij het echtpaar Krop waarschijnlijk spionnen voor de USSR. Zeker is dat het echtpaar voor de oorlog regelmatig inlichtingenagenten van de Sovjet-Unie huisvestte. In de Tweede Wereldoorlog was Krop actief in het verzet.
Hij stierf in 1970 aan een hartaanval terwijl hij aan het werk was in zijn atelier aan de Plantage Muidergracht. Een bekend beeld van Krop is het Berlage-standbeeld op het Victorieplein, dat werd onthuld in 1966 door burgemeester Van Hall.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Kruseman, Jan Adam (1804-1862) was een Nederlandse kunstschilder beroemd door zijn portretschilderingen.
Jan Adam werd geboren in Haarlem als zoon van Jan Alexander Kruseman (1774-1829) en Dorothea Steenkamp (1769-1844). Vanaf 1819 woonde hij in Amsterdam, met een korte onderbreking tussen 1822 en 1824, die hij doorbracht in Brussel en in Parijs. Op 11 mei 1826 trouwde hij met Alida de Vries (1799-1862). Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren: Alexander (1827), Hendrik (1828), Suzanna (1830), Hendrik Lambertus (Bertus) (1831) Jan Theodoor (1835), Johan Diederik (1839), Alida Dorothea Johanna (1841), en nog twee kinderen die binnen het eerste levensjaar overleden.
In 1836 werd het gezin nog uitgebreid door de komst van Petrus Augustus de Génestet, die de meest beminde dichter van zijn generatie zou worden. In dat jaar overleed namelijk zijn moeder, Maria Suzanna de Génestet-de Vries, een zuster van Alida de Vries. Aangezien zijn ouders al in 1833 waren gescheiden bleef de kleine de Génestet alleen achter. Jan Adam Kruseman nam zijn neefje van zeven bij zich in huis en voedde hem op als zijn zoon.
Jan Adam Kruseman kreeg zijn eerste tekenlessen in zijn geboorteplaats, maar al in 1819 vertrok hij als 15-jarige naar Amsterdam, waar hij zich inschreef als lid van de Tekenacademie en les kreeg van zijn zeven jaar oudere achterneef, de bekende kunstschilder Cornelis Kruseman (1797-1857).
Tussen 1822 en 1824 bekwaamde hij zich in Brussel verder onder leiding van François-Joseph Navez (1787-1869) en Jacques Louis David (1748-1825).
Jan Adam Kruseman was een veelzijdig schilder van zowel historische als religieuze stukken, maar hij is vooral beroemd geworden door zijn portretten. Onder de in totaal 588 werken van zijn hand zijn ongeveer 500 portretten, voornamelijk van de adel en de gegoede burgerij, waaronder het portret van Alida Christina Assink (1833). Hij heeft ook een aantal portretten van de koninklijke familie gemaakt. Zijn contact met het koningshuis kwam in 1833 tot stand doordat hij in opdracht van Adriaan van der Hoop (1778-1854) een (postuum) portret schilderde van de in 1825 overleden tsaar Alexander I van Rusland. Het schilderij was bestemd voor Anna Paulowna, vrouw van de toenmalige kroonprins Willem II en zuster van Alexander I. Dit leidde ertoe dat hij in 1837 zowel Koning Willem I als zijn zoon kon schilderen. Toen Willem II in 1840, na de troonsafstand van zijn vader, koning werd kreeg Kruseman meteen opdracht voor een staatsieportret. Er zouden nog minstens zes verdere portretten volgen.
Wat vooral opvalt in de portretten is hoe duidelijk de voldaanheid en zelfingenomenheid van de personen tot uitdrukking is gebracht en hoe de kleding tot in het kleinste detail is weergegeven.
Jan Adam Kruseman werd op 19 november 1830, hij was toen nog maar 26 jaar, benoemd tot directeur van de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. In 1839 behoorde hij tot de medeoprichters van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, samen met A.B.B.Taurel en M.G.Tetar van Elven. Bovendien was hij lid van een groot aantal verenigingen en genootschappen.
Minstens 44 leerlingen zijn tussen 1826 en 1848 bij hem in opleiding geweest, waaronder Jozef Israëls.
Referenties: Nieuwe Keizersgracht 46

                                       

Martineau, Antoon Peter Johan (Anton) (1926-2017) was een Nederlands beeldend kunstenaar en dichter. Hij werkte als kunstschilder, tekenaar, graficus en beeldhouwer in de stijl van het figuratieve expressionisme. Anton Martineau groeide op in de omgeving van de Wallen in Amsterdam en leerde in zijn jeugd van zijn vader, die huisschilder was, simpele decoraties te vervaardigen zoals plant- en diervormen voor versiering en reclame. Als kunstschilder is hij naar eigen zeggen autodidact. Wel bezocht hij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag waar hij op de afdeling reclame en fotografie studeerde bij onder anderen Paul Schuitema en in 1946 de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. In Den Haag werkte Martineau tussen 1950 en 1955 als ontwerper en schilder voor reclamebureau Enhabé. Later woonde en werkte hij in Amsterdam, waar hij huisde in een ruim atelier met een oppervlakte van honderdtien vierkante meter en een hoogte van vijf meter in Loods 6 van de voormalige KNSM op het KNSM-eiland. Hij woonde en werkte meer dan veertig jaar in het Oostelijk Havengebied.
In 2006 ontwierp Martineau een bronzen urnmonument ter nagedachtenis aan de historicus Richter Roegholt op begraafplaats De Nieuwe Ooster. In 1986 beschilderde hij de 'Plantagetram' in opdracht van het Gemeente Vervoer Bedrijf Amsterdam.
Referenties: Groeneveen

                                       

Martins, Ramon is geboren in 1981 in São Paulo (Brazilië) waar hij nu nog woont en werkt (2018). Ramon Martins kan worden beschouwd als een van de meest innovatieve en eclectische Braziliaanse artiesten van zijn generatie. Zijn explosieve kleurrijke scala aan culturele texturen toont een begaafde gevoeligheid en bekwame expressiviteit van vrij toegepaste verbeeldingskracht. Ramon's caleidoscopische universum weerspiegelt een diepe en overvloedige essentie, op rebelse wijze vormgegeven door een repertoire van straatcultuur en gecombineerd met academische reflecties. Veranderingen in zijn persoonlijke omgeving, van het hectische stadsleven van São Paulo tot een rustige kleine boerderij in het binnenland, hebben zeker invloed op zijn recente werk, dat een nieuw, subtiel kleurengamma bevat en een verscheidenheid aan elementen van de natuur toont afgewisseld met vrouwelijke figuren in hun meest elegante verschijning.
Ramon heeft een groot aantal solo- en groepstentoonstellingen in Brazilië gedaan en zijn werk is permanent geëxposeerd in verschillende Braziliaanse musea. Hij nam deel aan R.U.A. 2009 in Rotterdam en tentoonstellingen in Parijs, New York en Brighton.
Referenties: Haag en Veld 146-191

                                       

Molin, Willem (1895-1959) was kunstschilder en mozaïekwerker. Hij studeerde aan de kunstacademie onder prof. R.N. Roland Holst. Van zowel overheid als bedrijfsleven ontving hij talrijke opdrachten en naast dit practische werk was hij ook schrijver van vele theoretische beschouwingen op kunstgebied en streed voor de verbetering van de sociale positie van de kunstenaar.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Olsthoorn, Bernard Nederlands beeldhouwer, in 1949 in Den Haag geboren. Hij deed zijn opleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (Den Haag). Bernard Olsthoorn woont en werkte in Den Haag en was tot 26 september 2014 docent Vormstudie aan de Faculteit Bouwkunde TU Delft.
Referenties: Abcouderpad

                                       

Onio is een Braziliaanse graffitikunstenaar die nog steeds de traditie volgt om zijn naam op de muren te schrijven. Als pionier in Brasilia ontwikkelde Onio zijn handelsmerk in de vorm van abstracte maar toch figuratieve kleurrijke of zwart-witte mozaïekachtige schilderijen en tekeningen, die de chaos van de samenleving vertegenwoordigen. Zijn kunst bevat een eindeloze hoeveelheid verhalen verteld in gedetailleerde lijnen en vormen, figuren en karakters, die van een afstand lijken op abstracte kleurpatronen. Onio noemt zichzelf "frenético". Dit zou zoiets als hectisch betekenen - zijn hyperenergetische productiviteit resulteert in eindeloze muurschilderingen, schilderijen, afdrukken, zines, stickers enzovoort.
Referenties: Haag en Veld 193-194; Heesterveld

                                       

Oosterman, Jan Jan Henricus Antonij Joseph Oosterman (1876-1963) was een Nederlands glazenier, schilder en tekenaar. Hij was een zoon van de Amsterdamse koopman Antonij Johannes Oosterman en Anna Gesina Margaretha Lomans. Hij trouwde in 1904 met Maria Johanna Hermina Lina, uit dit huwelijk werd de keramist Johannes Joseph (Jan) Oosterman (1911-1996) geboren. Oosterman werd opgeleid aan de School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten in Haarlem, was een studiegenoot van Huib Luns aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijs in Amsterdam en kreeg lessen van de schilder Jan Dunselman. Oosterman woonde van 1910 tot enkele jaren voor zijn dood in Blaricum. Hij werd bekend als kerkschilder (wand- en plafondschilderingen), maar ontwierp ook tegeltableaus en glas-in-loodramen. Hij werkte vooral voor Brabantse kerken. Zijn contacten met de architect Jan Stuyt leverde hem diverse opdrachten op. Oostermans ramen werden onder zijn toezicht uitgevoerd op de ateliers van Ed Löhrer en Cornelius van Straaten. Zijn stijl sloot aan bij de Beuroner kunstschool, die haar inspiratie haalde uit de Oud-Egyptische, vroeg-Griekse en Byzantijnse kunst. Jan Oosterman was een aantal jaren lid van de katholieke kunstkring De Violier.
Referenties: Ambonplein 79

                                       

Pinkhof, Leonard Jehoeda (1898-1943) werd geboren in Amsterdam op 19 juni als zoon van de joodse huisarts Herman Pinkhof en de pianolerares Adèle de Beer. Na een opleiding aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid werd hij in 1922 benoemd aan de Helderse Ambachtsschool. In 1927 was hij getrouwd met de uit Den Haag afkomstige Betsy Koekoek, die hem twee dochters, Nedivo (1928) en Jiska (1931) en twee zonen, de tweeling Menachemja en Pinkas (1934) schonk. Pinkhof, die de joodse tradities uit zijn jeugd voortzette en strikt volgens de joodse wetten leefde, werd een vooraanstaand lid van de Helderse joodse gemeente. Hij verving zonodig de voorzanger in de synagoge en blies de ramshoorn bij het joodse Nieuwjaarsfeest. Maar ook in het culturele leven van de marinestad speelde hij in de jaren twintig en dertig een belangrijke rol. Zo was hij in 1925 onder meer één van de oprichters en 13 jaar voorzitter van de plaatselijke kunstenaarsvereniging 'De Noorder Kunstkring'.
Naast zijn werk als docent aan de Ambachtsschool verdiende de artiest bij als grafisch kunstenaar. Hij maakte werken in opdracht, zoals schilderijen, boekomslagen en de in die tijd populaire boekleggers en Ex Libris, prentjes die aangeven aan wie een boek toebehoort. Ook maakte hij illustraties voor de zaterdagbijlage van de Helderse Courant.
Toen de oorlog uitbrak raakte Pinkhof zijn baan kwijt. In 1940 verhuisde het gezin naar Oudesluis waar Pinkhof les gaf in het Joods Werkkamp in de Wieringermeer. Omdat Pinkhof in het bezit was van 'Palestina papieren' waarvan werd gezegd dat ze de kans gaven op emigratie naar Palestina via krijgsgevangenruil met geallieerden, heeft het nog tot juni 1943 geduurd eer het gezin naar Westerbork werd gestuurd. Een maand daarna kwam het einde; op 20 juli 1943 werd het gezin Pinkhof 'op transport gesteld'. Drie dagen later werd Leo Pinkhof met zijn gezin in Sobibor om het leven gebracht.
Referenties: Linnaeusstraat 119

                                       

Plas, van der, Adriaan (1899-1974). Adriaan bezocht van 1919-1923 de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Hij specialiseert zich in religieuze kunst en opdrachten op het gebied van vormgeving, portretten en kunst in de openbare ruimte.
Referenties: Ambonplein 79

                                       

Roore, de, Jacques Ignatius (1686-1747) was een Vlaamse schilder, kopiist, kunsthandelaar en kunstverzamelaar. De Roore is in 1686 in Antwerpen geboren als zoon van Erik de Roore, een handelaar in schilderijen en antiek, en Anna Maria van der Haegen, dochter van een schilder. Hij begon zijn opleiding als schilder bij Jan Sebastiaen Loybos in 1699 en is door zijn oom, Karel van der Haegen, als goudsmid opgeleid. Hij was van 1701 tot 1703 bij de Brusselse tapijtontwerper Lodewijk van Schoor, die zich in 1696 in Antwerpen had gevestigd, in de leer.
Hij werkte aanvankelijk als kopiist van de werken van toonaangevende grote Vlaamse meesters zoals Rubens, Van Dyck en David Teniers. Zijn eerste werk was een religieuze werk dat hij in 1709 voor de St. James Kerk in Antwerpen schilderde. Hij had het moeilijk om regelmatig werk te krijgen en wilde voor verdere studie in 1710 naar Italië vertrekken. Dit werd door zijn voogd verhinderd. Hij trouwde op 14 februari 1712 met Joanna Catharina van der Cammen.
De Roore heeft rond 1715 schilderijen en decoraties voor het stadhuis van Antwerpen gemaakt. Dit werk leverde hem een goede reputatie op en opdrachten in de Noordelijke Nederlanden, waar hij in 1720 in Amsterdam gewerkt heeft. Hij keerde korte tijd terug naar Antwerpen en heeft daarna meer opdrachten in Amsterdam aangenomen. Na de dood van zijn vrouw in Antwerpen op 15 maart 1722 verkocht de Roore al zijn eigendom in Antwerpen en vestigde zich in Amsterdam. Vervolgens verhuisde hij naar Rotterdam en uiteindelijk naar Den Haag waar hij lid werd van het Lucas gilde.
De Roore restaureerde en maakte toevoegingen aan schilderijen van oude meesters. Het is bekend dat hij bij minstens vijf werken van Melchior de Hondecoeter toevoegingen heeft aangebracht.
In 1740 ontving hij een grote opdracht om alle wanden van een kamer in het huis van Gerard Aarnout Hasselaer op de Keizersgracht te versieren. Voor deze opdracht produceerde de Roore een serie schilderijen op basis van het verhaal van Pandora. Helaas is al het decoratieve werk van de Roore, dat hij in Nederland heeft geproduceerd, verdwenen.
Bij zijn overlijden op 17 juli 1747 in Den Haag liet hij een aanzienlijke kunstcollectie na die later is geveild. Schilderijen van de Roore bevinden zich in de collecties van het Louvre in Parijs, het Rijksmuseum in Amsterdam en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen.
Referenties: Keizersgracht 452

                                       

Schole, Harald heeft van 1972 tot 1977 de richting Sculptuur gevolgd aan de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam. De kunstenaar, die onder andere sculpturen, tekeningen en foto’s heeft gemaakt, woont en werkt in Amsterdam.
De sculpturen van Schole kenmerken zich door het gebruik van organische vormelementen. Deze componenten kunnen geassocieerd worden met natuurlijk gegroeide vormen, zoals fruit, schelpen en hoornen. Voor het vormen van de sculpturen wordt cement, marmer, hout of aluminium gebruikt. Kenmerkend voor veel van zijn beelden is het historisch besef dat naar voren komt. Schole kijkt met verwondering naar het verleden en observeert hoe verbindingen met de toekomst worden gesmeed. Zo is bijvoorbeeld zijn beeld ‘Verloren stad’ in het Westerpark te Amsterdam een terugblik op de vergane architectuur, die wegzakt in het polderlandschap waar water en riet terrein terugwinnen. Een ander belangrijk thema in het werk van Schole, is de behoefte van de mens om middels de natuur de grenzen van het 'mens zijn' te ervaren. Dit reflecteert zich in beelden waar elementen als deur- of raamvormen worden geïntroduceerd. Dit thema staat in de romantische schilderkunst symbool voor de mens die vanuit de bebouwde en onbepaalde ruimte blikt op de ongestructureerde natuur. Als toeschouwer kijk je via de beeldelementen mee zijn 'natuurlijke ruimten' in.
Veel werk van Schole kan vrij toegankelijk, meestal buiten, bewonderd worden. Zo staat er een kunstwerk, op het grenspunt tussen natuur en civilisatie, tussen de bebouwing van Velserbroek en de Biezenlanden. Een ander voorbeeld is het object ‘Stille groei’ op een klein plantsoen in Westwijk te Amstelveen. Dit sculptuur bestaat uit drie brevierende oude monniken met een Aziatisch uiterlijk. Alhoewel er in de wijk veel gebouwd is en er geen organische verbindingen meer zijn, maken de drie monniken een onverstoorbare, tijdloze indruk. Naast beeldend kunstenaar is Schole sinds 1990 ook adviseur beeldende kunst bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst.
Referenties: Onderwijzerhof

                                       

Sjollema, Johan Sybo (Joop) (1900-1990) is geboren in Groningen. Het gezin verhuist in 1907 naar Utrecht. Sjollema geeft aan een gelukkige maar saaie jeugd te hebben gehad. Het verlangen om het kind in hem tot leven te laten komen, blijkt cruciaal voor zijn levensopvatting. Op het gymnasium in Utrecht raakt Joop Sjollema bevriend met Fik Abbing (1901-1955). Na zijn eindexamen wil hij graag net als zijn vriend naar de Rijksakademie gaan om zich artistiek te scholen. Zijn ouders delen deze wens niet en adviseren hem rechten te gaan studeren. Na het afronden van zijn in 1923 besluit alsnog beeldend kunstenaar te worden en schrijft zich in aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam bij Hendrik Jan Wolter. Richard Roland Holst die daar monumentale schilderkunst doceert, wordt een belangrijke inspiratiebron. Sjollema’s voorliefde voor dit soort kunst komt voort uit zijn ambitie ‘maatschappelijk gericht en voor ieder verstaanbaar werk te maken’. In 1928 trouwt hij met de Spaanse danseres Maria Petrelli. Zij krijgen twee kinderen: Jan (1928-1982) en Peter (1931). Het huwelijk is in 1934 ontbonden, de kinderen worden door de vader opgevoed.
In de jaren dertig ontwerpt Sjollema veel affiches, postzegels, boekomslagen en ex-librissen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt hij een veel gevraagd monumentaal kunstenaar en portrettist. Tijdens de wederopbouw maakte hij omvangrijke monumentale kunstwerken voor grote nieuwbouwprojecten. Sjollema leefde voor zijn werk en was ervaren als illustrator, aquarellist, monumentaal kunstenaar, wandschilder, kunstschilder, glazenier, tekenaar, keramist en boekbandontwerper. Vrijwel tot aan zijn dood bleef hij vrij werk maken.
In 1949 volgt hij Kees Verwey op als voorzitter van de Nederlandse Aquarelistenkring. In de jaren zestig zette hij zich in voor de uit de gratie geraakte klassiek moderne schilder- en beeldhouwkunst. In de humaniste Henriette Polak vond hij in deze strijd een metgezel. Met financiële steun van haar kon Sjollema een stichting oprichten die tot doel had een museum voor deze Nederlandse kunst op te richten. Dit resulteerde in 1975 tot de opening van Museum Henriette Polak in Zutphen. In zijn testament gaf hij het museum de eerste keus uit zijn nalatenschap. Dit museum bezit dan ook een aanzienlijk aantal schilderijen van Sjollema.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Slits, Ton (1955 Valkenburg aan de Geul) is kunstenaar en schilder en woont en werkt in Cadier en Keer (Limburg). Ton volgde van 1972 tot 1977 een opleiding tot tekenleraar aan de Academie te Tilburg. Van 1977 tot 1979 volgde hij een opleiding aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Sedert 1986 is hij als stafdocent verbonden aan de Academie Beeldende Kunsten te Maastricht.
Ton Slits daagt met hedendaagse beeldentaal, afkomstig van computerspelletjes en pictogrammen, de toeschouwer uit tot zorgvuldig kijken. Hij streeft in zijn werken naar houvast, maar ook naar dwaalsporen. Zijn afgebeelde symbolen kunnen voor een ieder iets anders betekenen. De beeldtaal grijpt deels terug op oude symbolen als de zandloper en de schedel maar ook op Christelijke iconografie als kelken en kruizen. De basis voor met name het tweedimensionale werk is veelal een structuur van lijnen die doet denken aan de schematische lijnen van een metroplattegrond of de structuren op een computerchip. De kunstenaar bedient zich van een grijzig kleurpalet, de enige uitzondering hierop zijn de kleuren geel en oranje, die voor hem warmte en licht symboliseren.
Referenties: Kikkenstein

                                       

Speto is één van de vroegste pioniers in de graffitikunst in São Paulo. Geboren in 1971 in de voorstad Santana, maakte hij op jonge leeftijd kennis met graffiti en begon hij halverwege de jaren tachtig in de openbare ruimte te schilderen. In de loop van de tijd ontwikkelde hij zijn eigen, unieke stijl, gekenmerkt door traditionele folkloristische Braziliaanse kunst. Speto's werk kan worden herkend aan eenvoudige figuren in zwart en wit met een paar basiskleuren. Tijdens zijn lange carrière als kunstenaar heeft Speto deelgenomen aan vele tentoonstellingen en kunstbeurzen, onder andere aan R.U.A. 2009 in Rotterdam. Zijn werk wordt wereldwijd in vele publicaties genoemd.
Referenties: Hofgeest

                                       

Starreveld, Pieter (1911-1989). Starreveld studeerde aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam en vervolgde zijn opleiding aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam (1929-1932), waar hij een leerling was van Jan Bronner. Ook volgde hij lessen bij de invloedrijke beeldhouwer Gijs Jacobs van den Hof in Arnhem van wie hij bronsgieten volgens de ‘à cire perdue’ methode leerde. Naast zijn beeldhouwwerk was Starreveld actief als medailleur, graficus, kunstschilder, tekenaar, reclameontwerper, emailleur en glaskunstenaar. In figuratieve stijl verbeeldde Starreveld hoofdzakelijk portretten, vrouwen en dierfiguren. Ook de Griekse mythologie was voor hem een bron van inspiratie. Hij was lid van Nederlandse Kring van Beeldhouwers.
In de oorlog werkte hij mee aan illegale verzetsuitgaven van Albert Helman. Na de oorlog maakte hij diverse herdenkingsmonumenten. In de jaren vijftig verhuisde hij van Amsterdam naar Amersfoort en had hij zijn atelier in de voormalige Oranjerie van Park Randenbroek, een buitenplaats die ooit door Jacob van Campen werd bewoond.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Strobos, Evert (1943) schilder en beeldhouwer. Strobos ontving zijn opleiding aan de Academie voor Kunst en Industrie in Enschede en de Staatliche Kunstakademie van Düsseldorf. Hij voert zijn werken vaak uit in serie. Zijn meest gebruikte materiaal is cortenstaal. Zijn 'Project in Cor-Ten steel' uit 1971 bestaat uit 24 gelijkvormige en 8 meter lange elementen van cortenstaal, die aan de bovenzijde vlak en aan de onderzijde dubbelgevouwen zijn. Dit kunstproject werd voor het eerste getoond in het Stedelijk Museum (Amsterdam) gevolgd door Groningen, Enschede en Dordrecht. Het project werd in 1973 opnieuw opgebouwd en vond een definitieve plaats in het beeldenpark van het Kröller-Müller Museum in Otterlo en kreeg een nieuwe naam: palissade. Deze palissade werd in 1991 door een duurzamer versie vervangen van 4 cm dikke staaldelen.
Referenties: Nelson Mandelapark

                                       

Taratiel, Anna (Terrassa, 1982) is een Spaans Catalaanse kunstenares die haar carrière in de wereld van straatkunst en graffiti begon met de bijnaam Ovni. Zij studeerde grafische vormgeving aan de gemeentelijke school voor kunst van Terrassa en muurschilderingen aan de Llotja de Barcelona. Haar werk bestaat grotendeels uit samenvoegingen van geometrische figuren in contrasterende kleuren. In 2014 woont zij in Amsterdam. Referenties: Heesterveld; Hoptille

                                       

Terpstra, Rein Jelle woont en werkt in Amsterdam. Hij deed zijn opleiding aan de AKI, Academie voor Beeldende Kunsten te Enschede (1982-1987) en de Rijksakademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (1988-1991).
Referenties: Groeneveen

                                       

Uppink, Willem Willem Uppink werd in 1767 geboren in Amsterdam, waar hij zijn leven lang bleef wonen. Hij is er in 1849 overleden.
Zijn leermeester is onbekend, maar mogelijk heeft hij het vak geleerd in een behangselatelier. In de 17e eeuw werd het voor welgestelden mode om de vertrekken van hun (grachten)huizen te decoreren met behangselschilderingen op doek, met mythologische voorstellingen of landschappen in Italiaanse of antieke stijl. Er ontstonden ateliers, 'fabrieken', waar complete kamerbehangsels seriematig door een team van schilders en assistenten werden gemaakt. Vermoedelijk heeft Uppink zelfstandig gewerkt, met wellicht alleen een knecht.
In 1788 werd Uppink lid van het Amsterdamse St.Lucas- of Schildersgilde. In 1800 trouwde Uppink en ging in datzelfde jaar wonen aan de Egelantiersgracht. Voor 1800 woonde hij aan de Nieuwe Leliestraat.
Behalve behangsels maakte hij ook landschappen, tekeningen en enkele portretten. In 1805 nam zijn carrière een verrassende wending toen hij meewerkte aan een van de allereerste panorama's in Nederland, een gezicht op Amsterdam. Mogelijk kwam die opdracht min of meer toevallig, want de oorspronkelijke schilder liet het kort na aanvang van het werk afweten en samen met een collega-schilder maakte Uppink het doek voor de opdrachtgever af. Het panorama was te zien in een ronde tent op het Leidseplein. Een voorstudie van de hand van de oorspronkelijke maker, Andries Vermeulen, bevindt zich in het Stadsarchief. Anders dan het Panorama Mesdag bestaat het gezicht op Amsterdam niet meer en is het dus niet meer voor te stellen hoe Uppink het Amsterdam van toen schilderde.
In Amsterdam bevinden zich in een pand aan één van de grachten drie kamers met in totaal dertig door Uppink geschilderde behangsels, die zich nog op de originele locatie bevinden. Ze werden gemaakt in 1812, 1813 en 1820.
Ook in de Zaanstreek was belangstelling voor Uppinks behangsels. De schilderingen in het Honig Breethuis werden daar in 1830 aangebracht in opdracht van papierfabrikeur en toenmalig huiseigenaar Jacob Breet.
Referenties: Keizersgracht 269

                                       

Veen, van der, Gerrit-Jan (1902-1944) was beeldhouwer en een leider van het Nederlands verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gerrit was een van de vier kinderen van de slager Gerrit Jan van der Veen en Dorothea Lorenz. Zijn oudere broer Gob van der Veen (1901-1972) werd eveneens beeldend kunstenaar. Van der Veen trouwde in 1931 met Louise Adriana van der Chijs (1909-1997). Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren; kunstenares Louise van der Veen (1933) en fotografe Gerda van der Veen (1935-2006), die gehuwd is geweest met de fotograaf en cineast Ed van der Elsken. Uit een buitenechtelijke relatie werd een zoon Gerrit Jan geboren, die de naam Wolffensperger van zijn stiefvader draagt.
Van der Veen studeerde aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam en kreeg les van onder anderen Johannes Hendricus Jurres en Jan Bronner. In 1925 boetseerde Hildo Krop voor zijn zoontje een olifant en bakte het daarna in de potkachel. Hij vond dat zo leuk dat hij, om de techniek beter te kunnen beheersen, een jaar lang lessen ging volgen in de Quelliniusschool in Amsterdam. De techniek ging hij regelmatig toepassen bij opdrachten van de gemeente aan verschillende gebouwen. In 1932 won hij de zilveren medaille in de Prix de Rome en studeerde vervolgens verder in Parijs. Hij was lid van Arti et Amicitiae en de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Van zijn hand is onder meer het monument voor Wilhelmina Drucker (Churchill-laan/Waalstraat).
In de oorlog weigerde Van der Veen als beeldhouwer lid te worden van door de Duitsers ingestelde Kultuurkamer. Hij werd zelfs leider van een actiegroep tegen deze kamer, met als gevolg dat hij al snel gearresteerd werd. Na zijn vrijlating dook Van der Veen onder. De rest van de oorlog zwierf hij door Amsterdam, van het ene onderduikadres naar het andere. Hij was zeer actief in het verzet en was leider van een uitgebreid verzetsnetwerk.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat, Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Vial, Peter (1957). Het werk van Peter Vial staat voor 'vrij zijn in wat je bent en doet. Kijken met je buik, luisteren naar je ziel.' Sinds 2007 is Peter aan het werk als beeldend kunstenaar. Hij is als autodidact begonnen met schilderen, maar heeft zijn artistieke werkterrein inmiddels uitgebreid met sculpturen en mozaïek. In zijn werk blijft hij innoveren en experimenten met nieuwe combinaties van materialen en technieken. Zijn werk is zeer expressief en vol leven.
Referenties: Huntum 53

                                       

Vlottes, Guido (1964) woont en werkt in Amsterdam, waar hij studeerde aan de Rijkskademie van Beeldende Kunsten. Over zijn werk wordt geschreven: 'Met enkele penseelstreken wordt een motief neergezet, de schilder speelt een spel waarbij achtergrond en onderwerp met elkaar versmelten of zich juist extra scherp tegen elkaar aftekenen'. Werk van de kunstenaar is onder mer te vinden bij de Nederlandsche Bank, de ABN AMRO kunststichting, de Akzo Nobel Art Foundation en de Collectie Crouwel (Amsterdam). Verder in kunstcollecties in Den Haag, Wassenaar, Schiphol, Rotterdam, Xiamen, Beijing, Leiden, Tilburg en Utrecht.
Referenties: Hoogoord

                                       

Waay, van der, Nicolaas (1855-1936) was een Nederlandse (decoratie-)schilder, aquarellist, tekenaar en lithograaf. Hij was werkzaam tussen 1870 en 1936. Hij ontwierp beeldenaars (portretten) voor munten en postzegels, waaronder die van de nog jonge vorstin Wilhelmina. Ook het ontwerp van het eerste, officiële bankbiljet van 10 gulden (1904-1920) was van zijn hand. Van der Waay is vooral bekend om de allegorische voorstellingen die hij maakte voor de Gouden Koets.
Zijn eerste tekenonderricht kreeg hij van L.J.H.Koopman, wiens dochter hij later zou huwen. Zijn oeuvre beslaat genreschilderkunst, landschappen, portretten, historievoorstellingen en stadsgezichten. Van der Waay studeerde aan de Amsterdamse Rijksacademie van beeldende kunsten. Na zijn opleiding deelde hij enige tijd een atelier met zijn jaargenoot Jan Hillebrand Wijsmuller. In 1880 won hij de Willink van Collenprijs voor zijn schilderij Onder vrienden. Begin jaren tachtig betrokken hij en zijn jeugdvriend Ernst Witkamp, die eveneens een leerling van Koopman was, een werkplaats aan het Koningsplein. Later bezat Van der Waay een atelier aan de Rozengracht.
Van der Waay dong als enige mee naar de Prix de Rome in 1883, maar vanwege het gebrek aan competitie werd hem deze prijs niet toegekend. August Allebé bezorgde hem echter een ministeriële subsidie van duizend gulden voor een studiereis door Italië. Hij was ruim 30 jaar als docent aan de Rijksacademie verbonden en nam er samen met Allebé de schilderklas voor zijn rekening. Sinds 1891 bekleedde hij een professoraat aan genoemde Rijksacademie, als opvolger van Prof.Barend Wijnveld. Deze functie vervulde hij tot zijn pensionering in 1927.
Eén van zijn bekendste werken is Kerkgang van Burgerweesmeisjes, geschilderd rond het begin van de 20ste eeuw, dat bewaard wordt in het Amsterdams Historisch Museum. Hij maakte een reeks tekeningen en schilderijen naar bestaande modellen, gekleed in hun typische rood-zwarte kleding.
Van der Waay hoorde, net zoals Witkamp en Wijsmuller, bij het geheime kunstenaarsgenootschap M.A.B.; een afkorting die stond voor de initialen van de door hen bewonderde schilder Michel Angelo Buonarotti. Ook was hij erelid van de Maatschappij "Rembrandt", Maatschappij voor Kunst en Kunstverlangenden, opgericht door Jan de Boer (1877-1946) op 28 oktober 1922 te Amsterdam. Naast De Boer waren nog negen andere kunstenaars lid van dit verband. De Maatschappij had zich onder andere tot doel gesteld kunst onder de gewone man te brengen voor betaalbare prijzen.
Van der Waay’s belangrijkste leerlingen waren: Lizzy Ansingh, Tjeerd Bottema, Piet Mondriaan, Paul Rink, Jan Sluijters en vele andere.
Referenties: Herengracht 500

                                       

Wezelaar, Henri Matthieu (Han) (1901-1984) was beeldhouwer. Hij wordt gezien als een belangrijke vertegenwoordiger van het modernisme. Van 1918 tot 1922 doorliep Han Wezelaar de Rijksschool voor Kunstnijverheid, aangemoedigd door de schilder Herman Kruyder. Hij kreeg daar les van Willem Reteraen later nog privéles van Johan Polet. Eenmaal getrouwd met klasgenote Margaretha Wilhelmina Visser op 27 juli 1923, vertrokken zij naar het Franse Collioure waar hij zich liet inspireren door het mediterrane licht. Na ongeveer een jaar vertrok het stel naar Parijs waar Han Wezelaar in 1925 gedurende drie maanden werkte in het atelier aan de Rue Rousselet 35 van Ossip Zadkine, hij was zijn eerste leerling. Wezelaar introduceerde Zadkine's werk in Nederland.
In 1929 kwam er een omslag in het artistiek denken van Wezelaar. Hij ontmoette Aristide Maillol, Charles Despiau en Adam Fischer. Allen waren zij meer gericht op de classicistische beeldhouwkunst en Wezelaar stopte abrupt met zijn expressionistische Zadkine-stijl. In 1933 beviel Margaretha van een dochter en het jaar daarop trok het gezin uit financi&eum;le overwegingen terug naar Amsterdam. Met een expositie enkele jaren daarvoor in het Stedelijk Museum had hij zijn kwaliteiten al voor zich uit gestuurd en een expositie in 1935 beklonk het succes. Zijn Franse stijl schudde de gevestigde beeldhouwers wakker: zij waren nog bezig in de stijl van de Amsterdamse school vol van Socialistische symboliek. Wezelaar werd de voorman van de beweging die het beeld weer wilde losweken van de verheven symboliek en bouwbeeldhouwkunst. Het aantal opdrachten nam toe en hij werd geselecteerd voor de wereldtentoonstellingen in Brussel en Parijs, voor de Biënnale van Venetië in 1936 en 1938 en voor de Golden Gate International Exposition in San Francisco in 1939. Daarnaast was hij, eveneens in 1939, mede-organisator van de eerste Rodin-expositie in Nederland. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak weigerde Wezelaar toe te treden tot de Nederlandsche Kultuurkamer en droogden zijn inkomsten op. Zijn huwelijk strandde in diezelfde periode en Wezelaar vertrok naar Laren. Na de oorlog trok het werk weer aan. Hij verhuisde terug naar Amsterdam en trouwde met Liesbeth Dobbelmann. Han Wezelaar was in 1935 lid geworden van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers. Na de oorlog werd hij eerst bestuurslid en later voorzitter. De opdrachten voor herdenkingsmonumenten stroomden binnen en Wezelaar was door het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aangesteld om de inzendingen te beoordelen. Uiteraard was hij zelf ook maker van enkele monumenten, waarbij zijn vooroorlogse classicistische uitgangspunten nog duidelijk tot uitdrukking kwamen. Rond 1955 kwam de abstractie als nieuwe stroming in de beeldhouwkunst op. Wezelaars positie als vernieuwer veranderde toen radicaal: hij en zijn collega's van het classicisme kregen het predicaat ‘poppenmakers’ opgespeld. In 1984 overleed hij aan kanker.
Referenties: Gerrit van der Veenstraat 99

                                       

Wit, de, Jacob (Amsterdam, 1695–1754) was een van de belangrijkste 18de-eeuwse Nederlandse kunstschilders. De Wit is vooral bekend om zijn religieuze werk en de vele deur-, schoorsteen- en plafondstukken die hij maakte voor de huizen van de rijke handelaren in Amsterdam, maar ook voor de buitenplaatsen van de betreffende eigenaars.
De zwaar katholieke kunstenaar Jacob de Wit, geboren in de Jordaan en gedoopt in schuilkerk de Duif, was samen met Cornelis Troost een van de meest productieve en best betaalde schilders in Nederland in de achttiende eeuw. Zijn clientèle bestond uit de rijke Amsterdamse burgerij. In een barokke stijl à la Rubens en Van Dijck schilderde hij honderden doeken, zo'n tachtig plafondstukken en schoorsteenversieringen en maakte hij duizenden tekeningen. Jacob De Wit werd, naast de vele Rococo plafond-, deur- en schoorsteenstukken die hij vervaardigde in de huizen aan de Heren- en Keizersgracht, ook beroemd door zijn bedrieglijk echte beeldhouwwerken in olieverf in plaats van steen, zijn grisailles, die in de volksmond Witjes zijn gaan heten.
Zijn eerste schilderonderricht kreeg hij van Albert van Spiers, die bekendheid verwierf met het schilderen van decoratieschilderingen, plafond- deur- en schoorsteenstukken. Wellicht ontwikkelde De Wit dankzij hem zijn voorliefde voor deze tak van schilderkunst. Toen De Wit 13 jaar was, vertrok hij naar Antwerpen waar hij lessen volgde aan de Schilder-Akademie. Hier werd hij een groot bewonderaar van de Vlaamse schilders Peter Paul Rubens en Anthonie van Dijck.
Jacob de Wit keerde in 1715 terug in Amsterdam, waar hij al spoedig zijn eerste (portret)opdrachten kreeg. Om zijn talent te tonen legde hij zich steeds meer toe op historieschilderkunst; het schilderen van mythologische taferelen stond in hoger aanzien. In het werk van Jacob de Wit zijn duidelijk invloeden van Rubens en Van Dijck te zien, maar ook van Gerard de Lairesse, zijn directe voorloper.
De Wit vond in Amsterdam een mecenas in de persoon van Jacob Cromhout, een zeer vermogend koopman en kunstliefhebber. Voor Cromhout schilderde hij in 1717 zijn eerste plafond voor diens buitenhuis in de Beemster, dat hem al vrij snel beroemd maakte. Het bezorgde hem veel opdrachten. Als katholiek kreeg hij verschillende opdrachten om kerken te decoreren en altaarstukken te schilderen, onder andere de Mozes en Aaron Kerk te Amsterdam. Daarnaast decoreerde hij vele patriciërshuizen in Amsterdam, Den Haag, Haarlem en Rotterdam.
Het belangrijkste stuk uit zijn carrière is in de Vroedschapskamer van het Koninklijk Paleis van Amsterdam op de Dam bewaard gebleven. Het is een in 1737 gemaakt schilderij van 5 bij 12 meter waarin hij het bijbelse verhaal van Mozes en de 70 oudsten centraal stelde. Hij was heimelijk zo trots op de opdracht dat hij in het geniep twee zelfportretten tussen de menigte in het schilderij schilderde.
De schilder werd in 1741 eigenaar van Keizersgracht 383 en 385. Tot zijn overlijden in 1754 woonde en werkte hij in 385. In het achterhuis was zijn atelier.
De Wit was de grootste illusionist van Amsterdam. Zijn bedrog oefende hij uit in de vele plafondstukken die hij in Amsterdamse grachtenpanden schilderde, op zijn reis in Italië had hij afgekeken hoe het plafond met verf kon worden 'opengebroken' en zo lijken de geschilderde figuren in de hemel te hangen. Zo groot werd zijn roem dat de geschilderde marmerstukjes 'witjes' werden genoemd, naar de kleur, maar ook naar de kunstenaar.
Van Jacob de Wit zijn diverse plafondstukken bewaard gebleven, in veel gevallen zelfs op de originele plaats. In het Rijksmuseum is een plafondstuk van Jacob de Wit te zien: Apollo tronend op de wolken met Minerva en de negen muzen, afkomstig van Keizersgracht 401 uit ca.1730. In het Amsterdam Museum hangt het enige naakt dat van Jacob de Wit bekend is. Het paneel is afkomstig van Nieuwe Herengracht 99 en in opdracht gemaakt voor de bibliotheek van Isaäc de Pinto.
Referenties: Nieuwe Keizersgracht 58

                                       

Wijnberg, Nicolaas (1918-2006) heeft zijn opleiding gedaan aan de Grafische School te Amsterdam, waar hij tekenles kreeg van Jos Rovers, en aan de Rijksakademie van beeldende kunsten. Als kunstschilder was hij een autodidact. Wijnberg was een erg actieve man, die zich met tal van kunstzinnige en aanverwante zaken heeft beziggehouden. In 1942 werd zijn kunstschilderwerk voor het eerst tentoongesteld. Nadat hij in de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog ondergedoken had gezeten, richtte hij in 1945, samen met Hans Snoek en Hans van Norden de eerste jeugdballetgroep ter wereld op, het bekende Scapino Ballet. Met Van Norden en Theo Kurpershoek begon hij eind jaren veertig ook de kunstschildersvereniging De Realisten, een modern-figuratieve groepering die zich afzette tegen de abstracte kunst van Cobra en Vrije Beelden. Zijn kunstzinnige uitingen werden zowel in eigen land als daarbuiten geëxposeerd.
Voor de boeken van W.F.Hermans ontwierp hij omslagen, enkele onder het pseudoniem Montevino. Ook gaf Wijnberg de Literaire Reeks De Witte Olifant van uitgeverij G.A.van Oorschot een gezicht.
Referenties: Herengracht 615-617

                                       

Witkamp, Ernst (1854-1897). Ernest Sigismund Witkamp was een Nederlandse schilder. HIj studeerde aan de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam als leerling van onder anderen August Allebé, Barend Wijnveld en Jacob Olie. Hij maakte studiereizen naar België, Frankrijk en Duitsland. In 1882 won hij de Willink van Collenprijs, een prijs voor jonge schilders.
Witkamp was bevriend met Nicolaas van der Waay met wie hij enige tijd een atelier deelde aan het Koningsplein. Witkamp, Van der Waay, Jan Hillebrand Wijsmuller, Carel Dake en een aantal anderen vormden samen het Gezelschap M.A.B. (genoemd naar Michelangelo Buonarroti). Hij was daarnaast (bestuurs)lid van Arti et Amicitiae in Amsterdam. Van 1894 tot aan zijn overlijden was Witkamp conservator van het Museum Fodor.
Referenties: Herengracht 500

                                       

Zegveld, Peter is beeldend kunstenaar en theatermaker, geboren in 1951 in Den Haag en afgestudeerd aan de Koninklijke Academie Beeldende Kunsten te Den Haag. Al meer dan twintig jaar is zijn werkwijze uniek in het theater. Zijn voorstellingen zijn beeldend, zintuiglijk en filmisch. Zegveld maakt gebruik van natuurkundige principes; de werking van licht, lucht, geluid en zwaartekracht. Zowel in zijn theatervoorstellingen als zijn installaties. Door zijn enorme vrijheid en onconventionele houding wandelt Zegveld kriskras door diverse disciplines en laat hij de toeschouwer absurditeiten beleven en ontdekken. Naast zijn eigen voorstellingen voor theaters, talloze festivals en autonome beeldende kunst maakte hij onder andere voorstellingen voor Orkater en televisieseries voor de VPRO.
Referenties: Lastageweg 50

                                       

Zijlstra, Ger (1943-) Hij volgde zijn opleiding bij de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (Den Haag) en van 1965 t0t 1968 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten (Amsterdam). Hij was van 1973 tot 1996 docent beeldhouwkunde aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam. De kunstenaar liet zich aan het begin van zijn carrière inspireren door de beeldhouwkunst van Henry Moore, maar in de loop der jaren is zijn werk steeds gestileerder geworden, met combinaties van steen en staal. Later is voor hem archeologie een inspiratiebron geworden. Zijn beelden lijken op opgegraven prehistorische gereedschappen, zoals bijlen. Gerrit Zijlstra is amateur-archeoloog.
Referenties: Hoogoord