Naamherkomst: De Grote Kattenburgerstraat heeft bestaan van 1662 tot 1968 en liep evenals de Kleine Kattenburgerstraat over de volle diepte van het eiland Kattenburg. De oude bebouwing aan de beide Kattenburgerstraten is in de jaren zestig geheel gesloopt. In de jaren zeventig is er nieuwbouw gekomen, waaronder enkele studentenflats aan het begin van de straat. De Kleine Kattenburgerstraat verdween definitief, de Grote Kattenburgerstraat werd herdoopt tot Kattenburgerstraat en aanzienlijk breder.
Naam: Duyts Canon
Adres: Grote Kattenburgerstraat 32
Bouwjaar: 1661; 1917
Opdracht: Alexander Coster; -
Uit de kwijtscheldingsakte van 1660 lezen we dat voor de schepenen Gerard Hoffelaer en Roetert Ernst verscheen Alexander Coster (-<1669), statsbusschieter, die een erf op de
tekening gemerkt als nr.3 koopt voor fl. 917,-. Het is gelegen aan de Groote Cattenburghstraet aan de zuidzijde in park A. Alexander Coster koopt op 9 maart 1661 het naastgelegen erf nr.2 en
exact een jaar later het achterliggende erf nr.30 van de oorspronkelijke eigenaren. Hij heeft dus een blok van 3 huizen tezamen.
Uit archieven blijkt dat Alexander Coster in 1661 met Louis en Hendrick Trip in Zweden is voor het testen van geschut. De proef loopt niet helemaal als verwacht: er zijn vier gewonden en schade.
Hij heeft de gevelsteen van een kanon in de gevel laten plaatsen. Was dit zijn favoriete instrument of deed hij ook aan wapenhandel, wat op basis van zijn bezoek aan Zweden met twee wapenhandelaren
een goede mogelijkheid is, mede gezien de ligging van zijn huis op Kattenburg, het belangrijkste eiland voor de bouw van schepen voor de Admiraliteit. In ieder geval is de gevelsteen alleen
voorzien van een jaartal en de afbeelding van een kanon zonder verklarende tekst. Kennelijk leek de afbeelding op een Frans kartouw.
In 1669 na het overlijden van Alexander Coster volgt de verkoop van de huizen door zijn weduwe Maristje (Marie) Coster. Koper is Claes Mijndertsz Boer die fl.5800,- betaalt en deze zal voldoen
in termijnen. In de kwijtschelding wordt als adres aangegeven ‘daert franse kartouw in de gevel staet’ (een 'Frans Kartou' is een kort kanon en kan zo'n 36 pond ijzer per keer schieten. Ze werden veel op
schepen gebruikt en voor verdedigingsbatterijen.). Voorts lezen we daar dat alle muren en goten met de buurhuizen gemeenschappelijk zijn, dat wil zeggen dat alle muren enkelsteens zijn.
Jans Bontridder, eerder weduwe van Claes Mijndertsz de Boer, verkoopt het huis in januari 1711 voor fl. 4000,- aan Pieter Mansveld. Pieter Mansveld is afkomstig uit Lübeck en als scheepsschutter
bij de VOC in 1705 vertrokken naar Batavia. Daar laat hij in 1706 een testament maken voor notaris Pieter Uldrix waarin hij zijn zuster Magdalena Mansveld tot zijn enige erfgenaam benoemd. Pieter
keert in 1707 terug uit Batavia. Hij treedt dan uit dienst bij de VOC. Na de koop van het huis blijft het enkele decennia in de familie. In 1734 wordt het huis verkocht door Magdalena. Dan verkoopt
zij het huis voor fl. 5000,- aan Aart van der Sand (-1754?). Opvallend is dat in alle kwijtscheldingen na 1711 gesproken wordt van het Duyts Canon wat lijkt te refereren aan de Duitse herkomst
van Mansveld.
Aart van der Sand, is Proefmeester van 't Geschut, en koopt het huis en erf gelegen aan de Grote Kattenburgerstraat, waar 't Duyts Canon in de gevel staat. Aart blijft tot 1736 eigenaar. Dan
verkoopt hij het pand aan Anthonij van Oosterum voor de prijs van fl. 6000,-.
Anthonij van Oostrom gaat het huis ook bewonen zoals blijkt uit de 'persoonlijke quotisatie' (aanslag) van 350 gulden op een inkomen van 1000 gulden, in het jaar 1742. Van Oostrom (1702-1768)
is de zoon van Willem Theunisse van Oostrom (?-1719) en Lysbet Floris de Jongh (?-1721). hij trouwt in 1731 met Aaltje Velthuijsen (ca.1697-voor 1752) uit de Lange Leidsedwarsstraat en in 1753 hertrouwt met Cornelia van Vilsteren (1720-1780). Hij heeft met Aeltje samen een zoon Willem van
Oostrom (1738-1738?). Met Cornelia heeft hij een zoom Willem van Oostrom (1756-1809) die trouwt met Sophia Frauina van Velsen (1756-1808). Zij hebben een dochter Cornelia Sophia van Oostrom (1790-1854)
die huwt met Johannes Meijes (1776-1856).
Anthonij heeft het pand langere tijd bewoond, maar moet voor 1752 verhuisd zijn naar de Grote Oostenburgerstraat (nr.20?). Uit de overlijdensakte van Aaltje blijkt dat ze in de Oosterkerk is begraven
vanuit de Oostenburgerstraat. Pas vlak voor zijn dood gaat hij op de Binnen Amstel nabij de Magere Brug wonen.
Anthonij van Oostrom was een beroemde klokkenmaker in een tijd dat deze beroepsgroep een kwalitatief hoog product maakte dat in de wandeling ‘Amsterdammertje’ is gaan heten. Deze wandklokken
worden gekenmerkt door wijzerplaten en kappen die sterk overeenkomen met de Amsterdamse staande horloges. Ze zijn uitgerust met een 30-uurs werk. Het is een goed verdienend beroep, waar ook de
fl. 5000,- per jaar werd aangetikt.
Kort voor zijn overlijden draagt hij zijn zaak en winkel over aan Jan Breukelaar, waarbij het huis aan hem wordt verhuurd. Tussen 1778 en 1782 bedraagt de huur fl. 300,- per jaar. Kennelijk is in de huurovereenkomst ook de afspraak opgenomen dat het pand door Breukelaar bewoond moet worden. Hierover ontstaat kort na 1781 onenigheid.
In 1780 komt Willem van Oostrom als Erven Cornelia van Vilsteren weduwe van Anthonij van Oostrom bij de schepenen om Grote Kattenburgerstraat 32 te verkopen. Hij zal het pand in 1781 voor fl. 8150,- verkopen aan Carel Cleene. Carel Cleene (1731-1796) is getrouwd met Jannetje van Campen (-1795) en woont al sinds 1767 in de Kleine Kattenburgerstraat.
In 1782 stapt Carel Cleene naar notaris Pieter Mastenbroek om een insinuatie te laten opmaken. Hij beschuldigt zijn huurder (Jan Breukelaar) ervan het huis niet te bewonen en te gebruiken als publiek veilinghuis. Volgens Carel raakt het huis hier extra door beschadigd en ziet eruit als een stal. Dit zou de oorzaak kunnen zijn van de verhuizing naar de Oudezijds Achterburgwal.
De familie van Jan Breukelaar (1738-1797) kwam van oorsprong uit de achterhoek en verhuisde in de 17e eeuw naar Amsterdam. Zijn vader en broers werkten in op Kattenburg als scheepstimmerman.
Jan werd klokkenmaker en trouwde in 1767 met Hendrikje Vos. Ze kregen 14 kinderen waarvan er verschillende op jeugdige leeftijd overleden. Twee zonen, Jan en Nicolaas, werden ook klokkenmakers.
Nicolaas Breukelaar werd in 1795 lid van het voorlopig bestuur van Amsterdam. In 1761 verwerft hij het poorterschap van Amsterdam. Volgens sommige bronnen was zijn eerste werkplaats op de Grote
Kattenburgerstraat. Of hiermee bedoeld wordt de werkplaats en winkel van Anthonij van Oostrum is niet duidelijk. In elk geval is hij vanaf 1768 huurder van dit pand. Zijn werk bestaat uit
schoorsteenpendule, horloges, staande klokken. Hij is op een later moment verhuist naar de Oudezijds Achterburgwal.
Pieter Embricqs (-1801) wordt in 1797 voor fl. 2500,-de volgende eigenaar van het huis met 't Duits Canon in de gevel. Pieter is in 1765 gehuwd met Femmetje de Graaf. Hij had in 1794 ook 1/24 deel
gekocht van een glas- of bottelblazerij achter de Oosterkerk (de kwijtschelding geeft aan dat dit op Wittenburg was).
Het wordt nu geruime tijd erg rustig qua informatie over het pand. Dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt, want een pand van met afmetingen van 6,30m bij 17,40m diep vraagt wel zorg. Alleen deze
is niet terug te vinden en niet afdoende.
In mei 1917 heef het huis nog altijd de gevelsteen met een kanon en het jaartal 1661. Het werd op de tweede verdieping bewoond door twee gezinnen. Aan de straatzijde een gezin met zeven kinderen, aan de achterzijde een gezin met
drie kinderen. Over de eerste verdieping en benedenverdieping wordt niets vermeld.
Een krantenverslag vertelt: Het is maandag 28 mei als het mis gaat. Een groot deel van de voorgevel valt van het huis en in puin. Beide families waren thuis toen de voorgevel van daknok tot
entresol met donderend geraas voorover op straat viel. De geschrokken bewoner van het voorhuis bracht zijn kinderen in veiligheid bij de buurman achter. De gewaarschuwde brandweer kwam direct en
trok de nog gevaarlijk bungelende brokstukken, de hijsbalk, dakpannen en wat dakbalken naar beneden.
Het is een wonder dat er geen ongelukken gebeurden. De schildwacht van de Marinekazerne stond bijna recht tegenover het pand op wacht en waarschuwde steeds voorbijgangers en spelende kinderen voor
de labiele gevel, die al enkele dagen aan het wijken was en waar al kleinere brokstukken vanaf gevallen waren. Een van de bewoonsters was juist naar de politie gehold om te waarschuwen dat het niet
goed ging met die gevel. Toen ze met de politie terugkwam lag de gevel al op straat.
Dagen daarvoor was al iemand komen kijken of er ingegrepen moest worden, maar Bouw en Woningtoezicht was nog steeds niet ingelicht. Net die maandag zou een timmerman komen om wat voorzieningen te
treffen, maar dat was niet meer nodig.
De gevelsteen van ‘t (Duyts) kanon 1661 heeft het niet overleefd zodat we het verder met de tekening van Van Lennep en Ter Gouw moeten doen en de kort voor de instorting gemaakte foto. Het pand kreeg wel in 1918 een nieuwe voorgevel, maar dit kon niet voorkomen dat het huis in 1956 onder de slopershamer ging net als de rest van het eiland.