Naam: T Düÿts’ Cannon
Adres: Singel 77
Bouwjaar: -; 1744; 1919
Opdracht: -; Anthony van Oostrom en Jan Leerhoff; Erven Van der Maaden
De Singel is in eerste aanleg (ca.1428) een vestinggracht waar vanaf 1481 de aarden wal werd vervangen door een stenen muur. Pas als de stad omstreeks 1585 buiten de vesting gaat bouwen
wordt de Singel een stadsgracht en bekend als Stedegracht (Singel, Kloveniersburgwal en Geldersekade). Met de afbraak van de muur in 1601 veranderde het Singel geleidelijk in een woongracht.
In de 17de eeuw werd het Singel officieel Koningsgracht, als eerbewijs aan koning Hendrik IV van Frankrijk maar deze naam beklijft niet bij de Amsterdammers. De naam Singel keert terug. Het
deel van het Singel vanaf de Ronde Lutherse Kerk tot aan de Lijnbaanssteeg waar de schepen op Londen, de 'Londenvaarders', hun ligplaats hadden, werd ook wel Londense Kaai en Engelse Kaai
genoemd.
Van het eerste huis op deze plaats weten we niet meer af dan dat het een houtskeletbouw was, licht in gewicht en kon dus op een beperkte fundering worden geplaatst. Het huisje is wel
aanwijsbaar op de kaarten van Cornelis Anthonisz en later.
In de aan de achterkant gelegen keuken was aan de zuidzijde een laaddeur. Een deur suggereert dat het huisje eerst vrij stond. De goten aan de noordkant zijn later duidelijk naar boven en
naar binnen gebracht. Het is niet duidelijk wanneer de omliggende panden de vrije ruimte hebben ingenomen.
In 1744 wordt een verbouwing uitgevoerd waarbij het huis een halsgevel krijgt en Lodewijk XIV stijlkenmerken. Het huis ziet er daarna uit zoals we het ook nu nog zien.
In het fronton is een kanonnier met kanon afgebeeld en het onderschrift ’t Düÿts’ Cannon. Van Lennep en Ter Gouw schrijven hier in 1868 over: 't Kanon zien wij nog aan vele gevels,
dikwijls met den kanonnier er bij, als tot "aanwijzing van 't gebruik" en het verwijst naar de wapenhandel. Betekent dit dat hier een wapenhandelaar heeft gewoond of was er slechts een
opslag van wapens?
Beiden niet. De gevelsteen wordt geplaatst als het huis eigendom wordt van de klokkenmaker Anthonij van Oostrom en zijn compagnon Jan Leerhoff. In het woonhuis van Van Oostrom aan de
Grote Kattenburgerstraat 32 is al sinds de bouw een gevelsteen met een kanon aanwezig. Vermoedelijk doordat dat huis gekocht werd door een Duitser heeft dit kanon de toevoeging Duits
gekregen en werd zo in de kwijtscheldingen genoteerd. Jan Leerhoff is eveneens Duits en winkelbediende. Misschien mogen we veronderstellen dat hij in het huis een klokkenwinkel had waar hij
de producten van Anthonij verkocht. En dan was de gevelsteen met ’t Düÿts’ Cannon op hun gemeenschappelijke pand een verwijzing naar het huis en werkplaats van Anthonij, een soort van logo.
In 1919 wordt de stoep hersteld en voorzien van een leuning aan beide zijden. Gelet op de strak vorm gegeven glas-in-lood bovenvensters is het aannemelijk dat in deze tijd meerdere
veranderingen aan het pand zijn uitgevoerd.
Van de bewoners en eigenaren van Singel 77 is voor 1583 weinig terug te vinden. Uit het onderzoek naar bewoners en eigenaren komt het beeld naar voren dat het pand meestal langere tijd in
handen is van een familie, maar doorgaans niet door hun wordt bewoond. Het pand wordt meestentijds verhuurd. De eigenaren blijken dan vaak meerdere panden te bezitten, waarvan niet per definitie
gesteld kan worden dat die beter, groter of op een aanzienlijker locatie zijn. Van de vele bedrijven die hier zijn geweest mogen we aannemen dat de meeste hun verkoop/werkruimte in het souterrain
hadden en de wat luxere de bel-etage hiervoor gebruikten. Na ongeveer 1850 is de kelder in gebruik als woning.
In juni 1583 vinden we als bewoners vermeld Andries Hansz, van beroep hennepklopper, getrouwd met Thuentgen Henricxdr.
Een notariële akte uit Harlingen meldt de verkoop van het huis en erf door Thuentgen Henricxdr. op 15 mei 1588 aan Claes Benningh en Anneke Claesdr. voor de som van 225 Carolus guldens. Bebouwing
aan de Oude Nieuwstraat lijkt nog niet aanwezig.
In 1642 is dit anders, uit de kwijtschelding van de verkoop van Oude Nieuwstraat 24 door Herman van Coeverden blijkt dit pand direct te grenzen aan Singel 77 waar dan Claes Theunisz (- voor 1647)
eigenaar is. Ook Claes is hennepklopper. Het huis is bij de verponding van 1647 nog (deels) eigendom van zijn weduwe. Tweederde deel lijkt te zijn verkocht aan Willem Jansz (Cuijper), kuiper
van beroep.
Mei 1648 verkoopt Willem Jansz zijn deel aan Pieter Halbos (Haelbosch) voor fl.2900,-. Het resterende deel gaat naar Jan Pietersz. (-1649).
Frans Jacobsz (van der Meij) (-voor 1709) is in mei 1659 eigenaar van het pand. Hij is witwerker van beroep en getrouwd met Jannetje Pietersd Camerrijk (-1709). Uit het huwelijk worden
minstens 3 of 4 kinderen geboren: Pieter, Pietertje (getrouwd met Jan Reijnierse) en Hendrikje Annetje . Deze 3 kinderen worden aangemerkt als “zijnde sij voortbrengsene”. Grten wordt wel opgevoerd
als ‘Fransd van der Meij’ maar zou een buitenechtelijk kind kunnen zijn. (kwijtschelding 83/112v,(23 october 1709)
Schuytvaerder Claes van Engelen wordt in 1709 de nieuwe eigenaar voor een bedrag van fl. 2900,-. Hij is vermoedelijk getrouwd met Temmetie Knoop. Zij behouden het huis tot 1717.
Jannetje Portois en Grietje Portois, zussen, worden in 1717 gezamenlijk de nieuwe eigenaren. Grietje is weduwe van Jacobus de Rijger. Zij betalen fl. 3600,- voor het huis. Jannetje heeft al haar
zussen tot erfgename benoemd.
Anna Portois (zus) weduwe van Jan Breedveld voor 1/3 erfgename Jannetje Portois (bezit 1/2 huis). Jan de Reijger koopt in 1738 dit 1/6 deel voor fl. 800,-. Tevens koopt zij 1/6 deel van een huis
aan de Beulingsloot uit de erfenis.
Maria Portois (zus) weduwe van Pieter la Domm. Voor 1/3 erfgename van Jannetje Portois (bezit 1/2 huis). Jan de Reijger koopt in 1738 dit 1/6 deel voor fl. 825,- van de kinderen van Maria en Pieter:
Albertus la Domm, Jasper la Domm en Sara la Domm.
Jan de Reyger, kleermaker, is de zoon van Grietje Portois en Jacobus de Rijger en gehuwd met Petronelle van Santbrink. Grietje Portois was eveneens voor 1/3 erfgename van Jannetje Portois. Grietje
heeft hiermee een ½ en 1/6 deel van het huis in bezit (4/6 of 2/3 deel) en geeft dat door aan Jan de Reyger. Er is een verkoopakte in 1738 waarbij hij het hele huis verkoopt aan Jan Vos, meester
timmerman, voor fl. 4500,-. Het ontbreken van de verkoopdatum doet veronderstellen dat de (ver)koop niet heeft plaats gevonden. Dit volgt ook uit de veiling van het huis en erf in 1743.
In mei 1738 heeft Anna Portois weduwe van Jan Breedveld 1/6 deel gekocht van een pand aan de Beulingstraat ZZ van de Erven Jannetje Portois.
Jan de Reyger biedt het pand op 11 november 1743 te koop aan op een publieke veiling. Uit de kwijtschelding blijkt dat het huis dan belast is met 2 leningen, een van fl.1600,- met een interest van
3,5% en een van fl.400,- met een interest van 4%, beiden aflosbaar in het opvolgend jaar mei en verleend aan Maria Overbeek.
In december vindt de verkoop en overdracht plaats aan Anthonij van Oostrom (ca.1709-1768) (horlogemaker), Jan Leerhoff (winkelknecht), Willem van Velden (timmerman) en Floris van Oostrom
(metselaar). Zij betalen gezamenlijk fl.2900,-. De aflossing van de leningen kost fl.2000,- waarmee Jan de Reyger slechts fl 900,- overhoud. Het huis wordt dan door een Meester Paruykemaeker
(pruikenmaker) gehuurd.
December 1743 koopt Maria Overbeek wed. Willem Beugel het huis aan de Beulingstraat ZZ van de Erven Jannetje Portois en Jan Breedveld.
Al in januari 1744 verkopen Willem van Velden en Floris van Oostrom hun delen voor fl.1000,- aan Anthonij van Oostrom en Jan Leerhoff.
Anthony van Oostrom koopt in 1763 de resterende helft van de weduwe van Jan Leerhoff voor fl.2150,- en is daarmee enige eigenaar van het huis.
Anthony van Oostrom (ca.1709-1768) trouwde in 1731 met Aaltje Velthuijsen (1697-1752). Aaltje wordt begraven in de Oosterkerk in graf nr.200. Zij wonen dan in de Grootestraat 20 op Oostenburg.
Anthony van Oostrom hertrouwde in 1753 met Cornelia van Vilsteren (1720-1780). Zij krijgen meerdere kinderen waarvan er één overlijdt in 1755. De tweede, Willem van Oostrom (1756-1808), trouwde in
1781 met Sophia Frauina van Velsen. Zij hebben een dochter Cornelia Sophia van Oostrom. Anthony wordt bijgezet in de Oosterkerk in het graf bij zijn eerste vrouw en een kind. Hij woonde bij zijn
overlijden 'op binneamstel tusschen joodekerkstraat & prinsegragt' (op de Amstel tussen Nieuwe Kerkstraat en Nieuwe Prinsengracht). Hij had dit huis in 1766 voor fl. 15.500,- gekocht van de Erven
van Barent Lohuijzen.
Anthony heeft ook nog een broer Floris van Oostrom die in 1739 hertrouwt met Trijntje van Rooijen.
Jan Leerhoff (ca.1701-1750) is een winkelknecht uit Geelkerken (Gelsenkirchen, Duitsland). Hij was in 1725 getrouwd met vrouw Aletta de Vos uit Lutkendorpmond (Luetgendortmund, Duitsland). Na haar
overlijden hertrouwde hij in 1734 met Catharina Willems, weduwe van Hendrik Kolderman (Kolmans).
Zij hebben twee kinderen: Johannes (1734-) en Pieter (1740-).
In 1774 wordt Singel 77 verkocht in opdracht van Cornelia van Vilsteren, weduwe van Anthonij van Oostrom. Koper is Jaspert Smelt die fl 5400,- voor het huis betaalt.
In januari 1798 koopt Jan Willem Hilker het huis van Jaspert Smelt. Het pand wordt dan verhuurd en bewoond door de weduwe Jan Merks Kok.
Jan Willem Hilker is gehuwd met Anna Schultz, zij hebben een dochter Anna Hilker (1792-?). Van Jan Willem wordt geen beroep gegeven, zeker is dat hij meerdere huizen bezit. In 1803 lijkt hij in
financiële moeilijkheden te komen want dan worden op één dag twee van zijn huizen bij executie verkocht, waaronder dit pand aan het Singel 77. Koper is Barend Kramer.
In 1832 wordt het huis bewoond door de kruier Hendrik Ides getrouwd met Cornelia Kunst. Zij krijgen twee dochters Cornelia (1827-?) en Eva (1829-1853) Ides. Cornelia is dienstbode en huwt in 1851
met schipper Benjamin Remmert Falkema de Jong (1820-1858) en in 1859 met venter Johannes Franciscus Bijenveld. Eva trouwt in 1851 met de kleermaker Willem Bras. Na haar overlijden hertrouwt Willem
in 1854 met de dienstbode Anna Sophia Egberts en daarna in 1870 met Bardina Dico.
In 1852 zijn de zwagers Benjamin Remmert Falkema de Jong en Willem Bras elk voor de helft eigenaar. In 1853 heeft Benjamin Remmert zich waarschijnlijk uitgekocht en zijn er andere niet met name
genoemde personen eigenaar geworden voor de helft. Compagnon(s)
Willem Bras verkoopt in 1854 het huis aan meester loodgieter Volguerus Anthonius van der Maaden (1807-1864). Hij is achtereenvolgend getrouwd met Anna Maria van Blarikum, Cornelia van den Hooren
(1807-?) en Geertruida Henrietta Johanna van der Maaden (?-1874).
Geertruida Henrietta Johanna van der Maaden erft het huis na het overlijden van Volguerus Anthonius en houdt het aan. Na haar overlijden in 1874 vererft het huis aan Henricus Anthonius van der Maaden
(1840-1892), een zoon van Volguerus Anthonius.
In 1881 worden vanuit dit pand briketten verkocht door W.Hasseldt, waarvoor een verklaring van het Brandwezen aanwezig is.
In 1883 krijgt hij een gemeentelijk aanschrijven dat de kelder niet langer als woning te gebruiken is en binnen vijf maanden moet worden ontruimd. Huurder van de kelder van het perceel Singel 77
is sinds 1879 P.C.Jacobs. Er wordt bezwaar aangetekend tegen de ontruiming. Hierop vragen B&W de GG&GD een hernieuwd advies, maar die zien geen reden de kelders geschikt voor bewoning te verklaren,
waarna ook B&W bij hun besluit blijven. Het gezin Jacobs plaatst daarna een advertentie waarin zij zich aanbieden als ‘Huisbewaarder’.
In juli 1890 verschijnen er advertenties dat er een ‘lief huisje’ te huur is en dat makelaar P.Boendermaker jr. van hier is verhuisd naar Haarlemmer Houttuinen 2. In eerdere beschrijvingen wordt
Boendermaker opgevoerd als Gebr. waarvan de een makelaar en de ander schilder is. Of de schilder ook meeverhuisd wordt niet aangegeven. De makelaar wordt opgevolgd door een depot van de Kamper
Melk-Inrichting (1894-1895).
In deze tijd zijn er nog veel meer huurders als Rosskopf, Van Eijk, Beukers (eierhandel), Duives (schilder), Christiaansse, Ossebaar (boekhandel) en Dijkstra (fouragehandelaar). De eierhandel van
Beukers huurt de kelder in 1897. In dat jaar hebben zij brand doordat het verpakkingsstro om de eieren vlam vat. De brandweer blust het vuur met één straal. De eieren zijn bedorven, de inboedel
verzekerd.
Door vererving wordt de weduwe van Henricus Anthonius van der Maaden, Alida Johanna van der Hulst (1825-1894), de nieuwe eigenaar. Het huis lijkt tot 1928 in bezit te blijven van de Erven Van der
Maaden.
Hendrik van der Waay (-1913), schoen- en laarzenmaker, is een volgende huurder. Hij heeft zijn werkplaats om de hoek op Lijnbaanssteeg 1.
Een krant van 19 februari 1914 geeft een wat onduidelijke inkijk in het gebruik van het huis: ’Overtreding Zedelijkheidswet.
Gistermiddag hebbel justitie en politie, vergezeld van den
scheikundige Van Ledden Hulsebosch, een inval gedaan in perceel Singel 77, waarin een “deskundige” (Hoogerheide) gevestigd is. Een aantal voorwerpen werd in beslag genomen. Een aanhouding had niet plaats.’
Dit bezoek heeft vast iets te maken met de adverteerder van 18 december 1914 waarin de Firma Hoogerheide meldt het oudste adres te zijn voor Hygiënische Artikelen. Ze zijn dagelijks geopend van 11-3
en 7-9 en zondags vanaf 2 uur.
Op 5 juli 1927 wordt het huis op de huizenveiling in Frascati geveild. Ene Tervoort wordt voor fl. 5100,- eigenaar, maar verkoopt het al weer snel.
De nieuwe eigenaren worden in 1928 Christina Helena Tebbens (1866-1951), dochter van Arnoldus Johannes Matheas Tebbens (1839-1868) en Elisabeth Maria Arents (1836-1912), in 1888 gehuwd met Gradus
Lambertus van Druten (1863-1940), schoenmaker vanaf 1888, zoon van Gradus van Druten en Hendrina van Egeren. Zij krijgen twee kinderen.
Zoon Gradus Lambertus Hendricus van Druten (ca.1893-?), is schoenmaker vanaf 1922, en in 1922 getrouwd met Regina Wilhelmina Lechner (ca.1899-?), dochter van Petrus Cornelis Lechner en Agnes Maria
Veldhuizen. Uit dit huwelijk worden negen kinderen geboren.
Dochter Elisabeth Maria Theodora van Druten (1896-?) trouwt in 1918 met Johannes Bernardus Kerstjens (1891-?) werkman en zoon van Michaël Henricus Bernardus Kerstjens en Anna Christina Brands.
Gradus Lambertus Hendricus en Elisabeth Maria Theodora zullen het huis tot 1956 aanhouden en er misschien een winkel hebben.
In de oorlogsjaren 1942-1943 staan er regelmatig advertenties van de bewoners van de 1ste en 2de etage, Van den Berg en Duyvenbode, waarin ze diverse artikelen tweedehands te koop aanbieden.
Henri Pieter Nico van Os, een koopman uit Blaricum koopt het huis in 1956 van de Erven Van Druten. Verkoopt hij het huis hetzelfde jaar nog aan Bouw- en Adminstratie Mij NV te Amsterdam handelend
onder de naam ‘Vierde Fochs’ of is deze Mij van hem en brengt hij het huis daar onder?
In elk geval blijft het huis tot 1968 onder beheer van ‘Vierde Fochs’. Dan volgt verkoop aan Hendrikus Bertus Dokter, een koffiehuishouder. Hij laat het huis in 1972 splitsen in appartementen. De
woningen zijn als volgt omschreven: a Souterrain, b Begane grond en c Eerste, tweede en zolderverdieping. Dokter blijft tot 2001 eigenaar.
Het pand is lange tijd in gebruik geweest als prostitutiepand. Uit een veiling van de ruimte blijkt dat er nog een vergunning is tot eind 2025 met de mogelijkheid tot verlenging.
(Huidige status moet gecontroleerd worden.)