Beroepen
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

                           

Advocaat-fiscaal Een advocaat-fiscaal, vroeger ook raad-fiscaal, was in Nederland de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie bij de bijzondere gerechtshoven en de Bijzondere Raad van Cassatie. Zijn rol in het rechtssysteem was het beste te vergelijken met die van de openbaar aanklager.
Ook kwam de advocaat-fiscaal vanaf 1620 voor als aanklager en eiser in zaken die VOC-dienaren betrof. Alleen in gemengde zaken kon hij burgers en vrije luijden aanklagen. Zijn zaken werden berecht bij de Raad van Justitie.
Vermeldingen: Keizersgracht 444

                                       

Bewindhebber VOC is een bestuurlijke titel en verwijst in de Nederlandse geschiedenis naar de bestuurders (directeuren) van een kamer (stedelijk hoofdkantoor) in de handelssteden waar de VOC (1602-1795) een vestiging had. Elke kamer had een vast aantal bewindhebbers, die werden verkozen door de stadsraad, met uitzondering van de VOC in Zeeland (Middelburg) waar ze door de gewestelijke staten werden verkozen uit een vastgestelde lijst met kandidaten die was samengesteld door de zittende bestuurders en meestal bestond uit aandeelhouders met het meeste kapitaal. De taken en verplichtingen van en procedures rond de bewindhebbers was vastgelegd in statuten. Zo mocht een bewindhebber van de VOC niet ook bewindhebber van de WIC zijn en andersom. De taken en verantwoordelijkheden kwamen grotendeels overeen bij beide compagnieën.
De VOC telde bij oprichting 77 bewindhebbers die volgens octrooi teruggebracht werden tot 60; 20 in Amsterdam, 12 in Zeeland en 7 voor elk van de andere 4 kamers in Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen.
Bewindhebbers kozen en vaardigden 2 tot 3 maal per jaar afgevaardigden (hoofdparticipanten) af naar Amsterdam (dat de helft van de activiteiten van de VOC voor haar rekening nam) en Zeeland (een kwart van de activiteiten) om deel te nemen aan vergaderingen van de Heren Zeventien over het centrale beleid. Deze vergadering bevatte 8 bewindhebbers uit Amsterdam, 4 uit Zeeland, 1 uit elk van de andere vier kamers en 1 die werd gerouleerd tussen Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en Hoorn. Op deze manier kon Amsterdam niet per definitie een doorslaggevende meerderheid bereiken, iets waar de kamer van Zeeland terecht bang voor was want in de praktijk kwam het hier toch vaak op neer. De afgevaardigden bestonden bij de kamers van Amsterdam en Zeeland uit bewindhebbers die minimaal 6.000 gulden hadden ingelegd en bij de andere 4 kamers uit bewindhebbers die minimaal 3.000 gulden inlegden.
De 76 bewindhebbers die in 1602 aan het hoofd van de voorcompagnieën stonden, kregen na oprichting van de VOC de leiding over de nieuwe onderneming. Het octrooi met het monopolie en de, zij het voorlopig tot 21 jaar beperkte, duur van de onderneming gaf de bewindhebbers een andere positie dan voorheen. Zij vormden nu een werkelijke directie met een eigen, van de participanten onderscheiden doelstelling. Weliswaar waren zijzelf ook belangrijke investeerders en als zodanig verschilden hun positie en belangen niet van die van de andere aandeelhouders. Maar als directie streefden zij naar groei van de omzet, en naar continuïteit en consolidatie, meer dan naar een winst op korte termijn die de kapitaalverschaffers snel rendement op hun investering zou kunnen bieden. De bewindhebbers genoten daarbij de bescherming van het octrooi. Zij hoefden pas na tien jaar, dus na afloop van de eerste tienjarige kapitaalrekening, de boeken te openen en aan de participanten verantwoording af te leggen.
De inkomsten van de bewindhebbers waren gesteld op een bepaald percentage van de omzet: op één procent van de uitgaven voor de uitrustingen of equipages en op één procent van de opbrengsten van de verkopen van de retourgoederen. Het bewindhebberschap gold voor het leven. Bij benoeming van nieuwe bewindhebbers hadden participanten geen enkele invloed. Bewindhebbers waren gehouden voor een bepaald minimumbedrag in de VOC deel te nemen. Dit bedrag werd opgevat als borg; bij wanbeheer of fraude kon een bewindhebber worden aangesproken. Overigens werd in het octrooi vastgelegd dat bewindhebbers voor schulden die door de Compagnie waren aangegaan, niet persoonlijk aansprakelijk waren. Aan bepalingen in het octrooi ten gunste van de participanten, de spoedige dividenduitkering uit de opbrengsten van de retouren en de liquidatie van het kapitaal na tien jaar, werd zoals gezegd door de bewindhebbers niet de hand gehouden. Kortom, tegenover het recht dat het octrooi aan de bewindhebbers gaf om de VOC te besturen stonden maar weinig verplichtingen, en daar werd dan nog de hand mee gelicht.
Het octrooi stelde het aantal bewindhebbers op zestig: twintig in de kamer Amsterdam, twaalf in Zeeland en zeven in elk van de kleine kamers. Aangezien bij de oprichting van de VOC in alle kamers behalve die van Hoorn, meer bewindhebbers waren, zou voorlopig bij het openvallen van een plaats geen nieuwe aanstelling volgen. De benoemingsprocedure die in 1602 was voorgeschreven, gaf aan de Staten van Holland, en voor de kamer Zeeland aan de Staten van Zeeland, het recht een kandidaat te kiezen uit een nominatie van drie personen, opgesteld door de nog zittende bewindhebbers van de desbetreffende kamer. Dit voorschrift was op aandringen van de Zeeuwen in het octrooi opgenomen. In Holland is het echter nooit toegepast. Enkele dagen voordat het octrooi werd uitgevaardigd, namen de Staten van Holland op voorstel van de stad Amsterdam een resolutie aan waarin de keuze uit de nominatie van drie aan de burgemeesters van de betrokken steden werd overgelaten. Immers, de burgemeesters hadden, zo argumenteerden de Amsterdammers, 'vaste kennisse' van de kwaliteiten van de kandidaten.
Het gevolg was dat er een nauwe relatie ontstond tussen de stedelijke regenten en de bewindhebbers. Partijstrijd, politieke tegenstellingen en ruzies konden zo gemakkelijk de bewindhebberscolleges binnendringen. Uit de nauwe band tussen stedelijke regenten en VOC-bewindhebbers mag overigens niet geconcludeerd worden dat kooplieden gaandeweg plaats moesten maken voor bestuurders; zeker in Amsterdam werd erop gelet dat handelskennis in het college behouden bleef.
In 1623 werd het bewindhebberschap aan een termijn van drie jaar gebonden, maar die maatregel werd al snel onder tafel gewerkt: ook later bleven bewindhebbers in de meeste gevallen tot hun overlijden hun plaats behouden.
De Dordtse extraordinaris bewindhebber Elias Trip verhuisde gedurende zijn ambtsperiode naar Amsterdam en werd vervolgens tot de gewone Amsterdamse bewindhebbers gerekend.
De Kamers hadden ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Ze konden zelf handelen, zolang ze binnen de door de VOC gestelde normen bleven.
De totale inleg voor de oprichting van de VOC (bedragen per 31 augustus 1602 zoals definitief vastgesteld door de Heren XVII), uitgesplitst naar kamer, bedroegen in gulden: Voor Amsterdam 3.679.915; Zeeland 1.300.405; Enkhuizen 540.000; Delft 469.400; Hoorn 266.868; Rotterdam 173.000 wat een totaal maakte van 6.424.588 gulden.
De eerste bewindhebbers van de Kamer Amsterdam waren: Gerrit Bicker, Reynier Pauw, Pieter Dircksz. Hasselaer, Jacques de Velaar, Jan Jansz. Carel, Bernard Berewyns, Johan Poppe, Hans Hunger, Hendrik Buik, Louis de la Becque, Dirck van Os, François van Hove, Ellert Lucasz, Isaac le Maire, Syvert Pietersz. Sem, Gerard Reynst, Marcus Vogelaar, Jan Harmensz, Geurt Dirksz, Huibregt Wagtmans, Leonard Ray, Albert Simonsz Jonckhein en Arent ten Grootenhuize. Dit aantal van 23 personen moest van de Staten-Generaal via natuurlijk verloop worden teruggebracht tot twintig.
Vermeldingen: Familie van Loon; Herengracht 619; Keizersgracht 444; Kloveniersburgwal 29; Lange Niezel; Nieuwe Keizersgracht 58; Ridderstraat

                                       

Bewindhebber WIC is een bestuurlijke titel en verwijst in de Nederlandse geschiedenis naar de bestuurders (directeuren) van een kamer (stedelijk hoofdkantoor) in de handelssteden waar de WIC (1621-1792) een vestiging had. Elke kamer had een vast aantal bewindhebbers, die werden verkozen door de stadsraad uit een vastgestelde lijst met kandidaten die was samengesteld door de zittende bestuurders en meestal bestond uit aandeelhouders met het meeste kapitaal. De taken en verplichtingen van en procedures rond de bewindhebbers was vastgelegd in statuten. Zo mocht een bewindhebber van de WIC niet ook bewindhebber van de VOC zijn en andersom. De taken en verantwoordelijkheden kwamen grotendeels overeen bij beide compagnieën.
De WIC telde aanvankelijk meer bewindhebbbers dan de VOC (volgens een bron zelfs 205 bewindhebbers in de eerste 15 jaar) en bij de oprichting van de tweede WIC in 1674 werd ook aangegeven dat er minder bestuurders en meer ervaren kooplieden in het bestuur moesten komen, wat er mogelijk op wijst dat er veel bestuurders in zaten en dat deze minder capabel werden bevonden. Bij de instelling van de tweede afgeslankte WIC waren er in de praktijk ongeveer 50 bestuurders; 10 voor Amsterdam, 11 voor Zeeland, 7 voor Maze en maximaal 12 voor het Noorderkwartier en Stad en Lande elk; voor de laatsten was vastgelegd dat ze het aantal onderling mochten beslissen. Dit aantal werd met de vermindering van de handel steeds verder naar beneden bijgesteld. In het begin van de WIC was vastgelegd dat bewindhebbers werden aangesteld voor 6 jaar. Bij de tweede WIC verviel deze regel en werden bestuurders in principe voor het leven benoemd. Amsterdammer Pieter van Wickevoort bleef zodoende zelfs 47 jaar aan het bewind, waar het gemiddelde van de Amsterdamse kamer op 13 à 14 jaar lag.
De WIC had aanvankelijk een bestuursraad van 19 personen (Heren Negentien), waarvan 8 uit Amsterdam, 4 uit Zeeland, 2 uit elk van de andere kamers en 1 die door de Staten-Generaal werd afgevaardigd. In 1674 werd dit aantal teruggebracht tot 10; 4 uit Amsterdam, 2 uit Zeeland, 1 uit de 3 andere kamers en 1 door de Staten-Generaal.
Bewindhebber van de WIC bij de Kamer Amsterdam waren onder meer Samuel Blommaert, dr. Albert Coenraedsz. Burgh, Simon van der Does, Jacob Hamel, Dirck van Helsdingen, Rombout Jacobsz., Charles Looten, Michiel Pauw, Kiliaen van Renselaer, Gomer Spranger.
Vermeldingen: Herengracht 40; Herengracht 493; Herengracht 502

                                       

Bierbeschoyer Een bierbeschooier (bierbeschoyer of biersteker) is een Oudhollands woord voor een verkoper van (ingevoerd) bier aan de horeca, bierhandelaren, groothandels en andere bierleveranciers. Vroeger werd bier van de brouwerij opgekocht door de biersteker en doorverkocht aan de kastelein. Naast directe verkopen werden ook wel flessen afgevuld en verkocht.
Biersteker kan echter meer betekenissen hebben: Iemand die verschillende bieren mengt om er een nieuw product van te maken, wordt ook wel een biersteker genoemd en een biersteker is een steekwagen, waarmee vroeger biervaten werden getransporteerd.
Vermeldingen: Oudezijds Voorburgwal 136

                                       

Blauwlakenverver De lakenverver was de eigenaar van één of meerdere lakenververijen.
Laken is een geweven wollen stof van een grauwe kleur. Vraag naar andere kleuren doen lakenververijen ontstaan. Lakenververijen bestaan al sinds de Middeleeuwen en waren bij voorkeur gelegen bij stromend water. Tijdens en na het verven moesten de stoffen uitgebreid worden gespoeld en bovendien moesten de gebruikte verfkuipen worden gereinigd, wat een behoorlijke milieuverontreiniging opleverde.
Door de handel op Oost-Indië en Zuid-Amerika vanwaar de grondstoffen indigo, cochenille en campêchehout werden ingevoerd, veranderden de verftechnieken en de verfkleuren. Gangbare kleuren waren “baster grau” (een soort grijs), “smet” (lichtblauw), “terneijt” (of taneet was bruinrood), “staelswart” (zwart) en “root” (rood). Voor zwart moest een al blauw geverfd laken met rood worden overgeverfd. Hiervoor was een uitgebreidere ververij nodig want deze moesten beschikken over zowel een blauwkuip als een roodkuip. Vooral de blauwkuip, waarin de duurste kleurstof werd aangemaakt en die het meest arbeidsintensief was, kon door onderbreking of uitstel van het chemische verbindingsproces bederven, wat neerkwam op een vroegtijdige oxydatie, waardoor de verf aan de kuip zou worden gefixeerd in plaats van aan het textiel.
De geverfde stoffen werden op ramen te drogen gehangen. Deze ramen waren in Amsterdam direct buiten de ommuring gelegen zoals te zien is op oudere plattegronden. In de huidige stad verwijzen een groot aantal namen nog naar de activiteiten van de lakenververs. Denk hierbij maar aan Verversstraat, Raamgracht, -(dwars)straat, -plein –steeg en de tegenwoordige Groenburgwal (voorheen Verversgracht) omdat hier speciaal groenververijen waren.
Vermeldingen: Familie van Loon

                                       

Bruggentrekker, Kar-ga-door Amsterdam en andere Hollandse steden hadden vroeger veel steile bruggen waar het moeilijk tegenop komen was. Dit gold in het bijzonder voor de vele zwaar beladen handkarren. Bij een groot aantal bruggen was een bruggentrekker of kar-ga-door aanwezig. Zij hielpen tegen een kleine vergoeding de kar tegen de brug optrekken. Hiertoe waren ze uitgerust met een touw met aan het eind een haak welke om de wielas werd geslagen. In de eerste helft van de 20ste eeuw was Kiki de Bruggentrekker (1865-1940) van de Reesluis een bekende kar-ga-door, evenals Dirk de Waterduiker. Dirk was door zijn beroep als kar-ga-door veel in de buurt van de gracht waar met grote regelmaat wel iemand in verdween. Naar zeggen heeft hij meer dan 60 mensen en huisdieren uit de Amsterdamse grachten gered van de verdrinkingsdood. Zijn echte naam was Dirk Rietveldt (1858-1940). In 2017 is brug 617 in de Noordzijde naar hem vernoemd: Dirk de Waterduikerbrug. Vermeldingen:

                                       

Burgemeester Het ambt van burgemeester komt in de Nederlandse steden al voor in de middeleeuwen. Aan het begin van de 15e eeuw verleende graaf Albrecht van Beieren aan Amsterdam een privilege waarbij de hoofdmacht van de stad in handen werd gelegd van burgemeesteren, gekozen door de oud-raad. Dit college, bestaande uit schepenen, oud-schepenen, 'burgemeesteren' en 'oud-burgemeesteren', koos op Vrouwendag (2 februari) drie burgemeesters, die uit de aftredende functionarissen een vierde benoemden. Bijna vier eeuwen lang, tot de omwenteling van 1795 bleef die unieke macht van burgemeesters van de stad op deze wijze geregeld.
Nu is in de Grondwet bepaald dat de burgemeester bij Koninklijk Besluit wordt benoemd.
De burgemeester vormt samen met de wethouders het dagelijks bestuur van de gemeente, het college van burgemeester en wethouders.
De burgemeester is voorzitter van dit college en heeft stemrecht. Als de stemmen staken is die van de burgemeester doorslaggevend.
De burgemeester is voorzitter van de gemeenteraad maar kan niet tevens raadslid zijn. In de gemeenteraad heeft hij geen stemrecht.
Een burgemeester wordt in Nederland door de Kroon benoemd, nadat het kabinet met de benoeming heeft ingestemd op grond van een voordracht door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gebaseerd op een aanbeveling van de gemeenteraad van de bewuste gemeente.
Nederlandse burgemeesters dragen in bepaalde omstandigheden een ambtsketen en worden benoemd voor een ambtsperiode van zes jaar. Na afloop van die termijn van zes jaar zijn zij telkens weer voor zes jaar herbenoembaar.
Een burgemeester kan in functie blijven tot de eerste dag van de maand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
Vermeldingen: Familie van Loon; Herengracht 34; Herengracht 40; Herengracht 500; Herengracht 556; Herengracht 613; Herengracht 619; Keizersgracht 87; Lange Niezel; Prinsengracht 21; Singel 116

                                       

Cargadoor Het begrip cargadoor is terug te voeren tot 1472. De cargadoor fungeert als plaatsvervanger van de kapitein en zijn rederij in een haven en als lasthebber van de verscheper (verlader) of ontvanger van goederen. Hij/ zij organiseert het laden en lossen van zeeschepen en verzorgt de opslag en het vervoer van goederen. Het is van groot belang dat dit zo snel mogelijk gebeurt, zodat een schip maar kort in de haven hoeft te liggen. Daarvoor wordt er overleg gepleegd met de havendienst, het loodswezen, de stuwadoor en andere partijen die betrokken zijn bij de aankomst, het laden en lossen, en het vertrek van het schip. Samen met de opdrachtgevers bekijkt hij/zij welke schepen bepaalde ladingen het beste kunnen vervoeren. Hij boekt de ladingen, verzorgt de bijbehorende papieren en wikkelt de (zeevracht)kosten af. Verder zorgt hij ervoor dat er voldoende lading wordt binnengehaald. Tenslotte controleert hij het werk van de stuwadoor.
Voor het beroep Kar-ga-door zie aldaar.
Vermeldingen: Geldersekade 6; Geldersekade 10; Geldersekade 18; Prinsengracht 19; Prinsengracht 21

                                       

Commissaris Wisselbank De commissaris bij de Wisselbank was verantwoordelijk voor de wettelijke controle op de financiële toestand, de jaarrekening en de regelmatigheid van de financiële verrichtingen van de Wisselbank.
De Wisselbank had een grote staf van ambtenaren. Tot 1686 waren er drie commissarissen, daarna vier. Het waren vaak oud-schepenen en vroedschapsleden. Twee van de commissarissen moesten dagelijks op het kantoor aanwezig zijn. Zij hadden het toezicht over vier boekhouders, die samen twee klerken en é én kamerknecht hadden, vier contraboekhouders, drie ontvangers met samen é én knecht, bodes en een essayeur. Laatstgenoemde was een belangrijke figuur. In de assaykamer deed hij onderzoek naar het gehalte van specie en materiaal. Meestal kocht hij ook het edelmetaal in en bestelde hij bij de muntmeester bepaalde geldspeciën.
Elk van de boekhouders had zijn eigen specifieke taak; de eerste nam de schriftelijke opdrachten tot betaling in ontvangst, de tweede hield het journaal bij, de derde het balansboek en de vierde het grootboek.
De macht van de commissarissen was beperkt. De burgemeesters van Amsterdam hadden eigenlijk meer te vertellen, omdat de stad ervoor garant stond dat het bankgeld gedekt was. In de praktijk gedroegen ze zich dan ook als supercommissarissen die de ‘gewone’ commissarissen benoemden. Die laatsten stelden zich over het algemeen volgzaam op, omdat de burgemeesters invloed hadden op hun carrière.
Veel commissarissen waren kooplui met een rekening bij de bank, wat de andere rekeninghouders vertrouwenwekkend vonden. Een deel van de commissarissen had banden met de VOC. Toen er eind zeventiende eeuw een aparte commissie werd benoemd om te beslissen over de kredieten voor de Compagnie, waren drie van de vier leden tevens bewindvoerder van de VOC. Zij bepaalden dan ook dat de Wisselbank niet langer aparte toestemming nodig had van het stadsbestuur om voorschotten aan de VOC te verstrekken.
De sfeer van vertrouwelijkheid was zo sterk dat een onderzoeker in de negentiende eeuw, jaren na de opheffing van de bank, nog niet tot het archief werd toegelaten. De regenten en hun nazaten beschermden elkaar.
Dit old boys network functioneerde zonder noemenswaardige problemen tot de tweede helft van de achttiende eeuw, toen de kwalijke kanten ervan geleidelijk zichtbaar werden. In de loop van de tijd was het toezicht er niet sterker op geworden: de gemiddelde leeftijd van de commissarissen daalde van 46 jaar naar 33 aan het einde van de eeuw. Voor jonge mannen aan het begin van hun carrière was het nog lastiger dan voor hun ervaren voorgangers zich te verweren tegen de machtige burgemeesters.
Lees hier verder voor de Instructie voor commissarissen der wisselbank.
Vermeldingen: Familie Van Loon

                                       

Kanunnik Een kanunnik stond de bisschop met raad en daad terzijde in het bestuur van zijn bisdom. De reguliere en seculiere kanunniken waren verenigd in kapittels en verbonden aan een kathedraal of een andere belangrijke kerk. In Utrecht waren vijf kapittels gevestigd, waarvan het Domkapittel het voornaamste was met 40 prebenden. Het aantal kanunniken was in vroegere tijden afhankelijk van de beschikbare prebenden. Dit kon gaan van een half dozijn tot zestig of meer. Een prebende was een geheel van dotaties waarmee in het levensonderhoud van een kanunnik werd voorzien. Na de Reformatie zijn veel kapittels in stand gebleven. De burgerlijke overheid nam er vaak de leiding van en de leden waren in stijgende mate leken, die als kanunnik aanspraak konden maken op de inkomsten uit de kapittelgoederen. De verwerver van de prebende was dan alleen maar kanunnik in naam en liet zich voor de koordiensten vervangen door een (minder kapitaalkrachtig) priester, die als vicaris optrad. Zodoende waren er in het verleden nogal wat kanunniken die alleen de lagere wijdingen of zelfs geen wijding hadden ontvangen. Deze kanunniken konden ook getrouwd zijn. De belangrijkste kapittels hadden tot eind 18e eeuw veel wereldlijke macht.
Vermeldingen: Herengracht 619

                                       

Lakenkoopman is geen koopman in lakens, maar in laken, een stof. Laken is zeer fijn geweven wol die daarna is vervilt, geruwd (voor de vleug), en geschoren tot een stof waar men bijvoorbeeld ook biljartlaken van maakt (hoewel daar tegenwoordig voor extra sterkte ook een klein deel nylon door wordt geweven). Vroeger, en ook nu nog, maakte men van hetzelfde laken een pak, of een broek zoals men in het Vlaams pleegt te zeggen. Voor bedden- of tafellakens, ook wel aangeduid als linnengoed, was de stof laken waarschijnlijk te kostbaar, tenzij je van zeer goede huize kwam misschien. De lakenindustrie in de Nederlanden was een industrie in Nederland en Vlaanderen die zich bezighield met het maken van wollen lakenstoffen. Tussen 1150 en 1400 vond de voornaamste productie plaats in diverse Vlaamse steden, maar na 1400 groeide de lakenindustrie van Leiden uit tot de belangrijkste in Europa.
Vermeldingen: Herengracht 64; Herengracht 88; Herengracht 98; Keizersgracht 133; Prinsengracht 23;

                                       

Maarschalk De maarschalk of veldmaarschalk is in diverse legers de hoogste militaire rang, boven de generaal. Het woord maarschalk is vermoedelijk afgeleid van het Oudduitse marah (paard) en scalc (knecht). De naam duidde oorspronkelijk de paardenknecht aan, en later de opperstalmeester die de zorg droeg voor de paarden en, tijdens veldtochten, voor ale vervoer namens de vorst. Er is ook een Franse, vrijwel identieke, afkomst. Het woord maréchal zou afgeleid zijn van mare (merrie of paard) en scale (bediende of knecht).
Aanvankelijk was de maarschalk, als stal- of paardenbeheerder, ondergeschikt aan de legeraanvoerder. Vanaf het eind van de middeleeuwen worden echter al hoge legerofficieren benoemd met die rang en vanaf de 18e eeuw komt de maarschalk voor als hoogste militaire aanvoerder in de legers van Frankrijk en Engeland. Onder Napoleon I werden de Maréchals-de-France machtige militaire aanvoerders met politieke invloed.
Nederland had van 1840 tot 1881 zijn laatste veldmaarschalk in de persoon van prins Frederik, de tweede zoon van Koning Willem I. Bij Koninklijk Besluit van 1914 is de rang van veldmaarschalk afgeschaft.
Als teken van waardigheid draagt de maarschalk in de meeste landen een maarschalksstaf, evenals zijn ranggenoot, de admiraal of vlootadmiraal. Doorgaans is de maarschalksstaf een staf van kort formaat, met fluweel bekleed en met goud of zilver versierd. In de heraldiek is het gebruikelijk dat een maarschalk twee gekruiste batons of maarschalksstaven achter zijn wapenschild plaatst.
Vermeldingen: Herengracht 500; Nieuwe Keizersgracht 104-114

                                       

Opperrabbijn Een opperrabbijn is een rabbijn die door een joodse gemeente of organisatie van joodse gemeenten is aangesteld als spiritueel leider van de gemeente of voor het hele land. Meestal heeft een stad of land slechts één opperrabbijn. Er zijn gevallen waar een stad of land meerdere opperrabbijnen heeft; zo heeft de Staat Israël twee landelijke opperrabbijnen: een Asjkenazische en een Sefardische. De positie opperrabbijn heeft in het algemeen betrekking op gemeenten die behoren tot het orthodox jodendom.
De positie van opperrabbijn is de hoogste functie die men in het Nederlandse rabbinaat kan bekleden. De functie van opperrabbijn is te vergelijken met de functie van bisschop binnen de katholieke kerk. De opperrabbijn heeft de rabbinale eindverantwoordelijkheid en geeft leiding aan de rabbinale functionarissen binnen zijn opperrabbinaat. Tevens bekleedt de opperrabbijn de positie van Av Beth-Dien (hoofd rabbinaal gerechtshof). De functie "opperrabbijn van Nederland" bestaat niet en heeft nooit bestaan. Wel waren en zijn er opperrabbijnen van bepaalde ressorten. Die dragen de titel van bijvoorbeeld "opperrabbijn van Noord-Holland" of "opperrabbijn van Utrecht". Vroeger werd de opperrabbijn officieel benoemd door de Koningin. Opperrabbijn Shochet van Den Haag was de laatste opperrabbijn die op die manier benoemd is. Dat was in 1948. Heden kent Nederland twee Asjkenazische opperrabbijnen en de Opperrabbijn van de Portugees-Israëlietische Gemeente in Amsterdam.
Vermeldingen: Onderwijzerhof

                                       

Ossenweider (Vetweider) Deze vorm van veeteelt werd door talloze gegoede Amsterdammers uitgeoefend. Op grazige weides mestte men vee vet voor de vleesproductie. Kalveren werden er niet geboren waardoor de koeien ook niet gemolken hoefden te worden. Veel vee was bestemd voor de binnen- en buitenlandse vleesconsumptie waarvan Amsterdam na 1650 in Europa het monopolie in handen had gekregen.
De geschiedenis van het ossenweiden gaat terug tot de 14de eeuw. Toen werden ten behoeve van de vleesconsumptie, maar ook omdat de os als trekdier op de boerderij goedkoper was dan het paard, door Deense kooplieden magere ossen uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein naar onze contreien gebracht. Het wat drogere ossenvlees lijkt voor bewaring in pekel, of om gerookt te worden (en dus ook voor de bevoorrading van schepen) beter geschikt te zijn geweest dan het vlees van koeien die enige jarenvoor de productie van melk waren benut. Magere ossen, niet ouder dan vier à vijf jaar werden aldus in steeds groter aantallen aangevoerd, voornamelijk naar de havens van Enkhuizen, Hoorn en Medemblik. Vandaar ontwikkelde zich ook ,tezamen met andere havensteden rond de Zuiderzee, de verdere handel op de Hanzesteden.
Geleidelijk nemen Hollandse kooplieden de ossenhandel steeds meer over. Zij zijn het die, vaak in compagnieschap, schepen voor het halen van ossen uitreden en de ossen in Denemarken kopen. Door de oorlogshandelingen in het laatste kwart van de zestiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden, de val van Antwerpen vond in 1585 plaats, kwam een grote stroom vluchtelingen op gang, waarvan Amsterdam het leeuwendeel opnam. Hierdoor nam de bevolking snel in omvang toe. Bovendien ontwikkelde de internationale handel vanuit Holland zich zeer voorspoedig: na de handel met de steden rond de Middellandse Zee en de Levant markeert de oprichting van de Oost-Indische Compagnie in 1602 dat gedurende de 17e eeuw India, Ceylon en Oost-Indiï zich tot belangrijke handelspartners ontwikkelden. Grote aantallen schepen moesten voor lange reizen naar de Oost en ook naar de West worden toegerust.
Het ossenweiden heeft mede hierdoor een hoge vlucht genomen. In 1612 bijvoorbeeld werden in het voorjaar 52.000 magere ossen uit genoemde landen naar onze grazige weiden gebracht. Een kwart daarvan kwam per schip, maar het grootste deel werd vanuit Duitsland langs de weg voortgedreven. De reeds magere ossen verloren bij die lange, drie à vier weken durende tocht, vaak nog 60 tot 80 kg aan gewicht. Dat werd hier snel ingehaald. In november waren ze dan meestal slachtrijp. Zo was er in het voorjaar een markt voor magere ossen en in de slachttijd een markt voor vette ossen.
Dat haalden ze hier snel in. In november waren ze dan meestal slachtrijp. Zo was er in het voorjaar een markt voor magere ossen en in de slachttijd een markt voor vette ossen.
Dat deze handel na 1600 steeds meer in betekenis toenam en zich ook van de steden Hoorn, Enkhuizen en Medemblik geleidelijk naar Amsterdam verplaatste, blijkt onder meer uit een resolutie van 1 juni 1629. Daarbij besloot de vroedschap van Amsterdam:
“…. ende syn de heeren Burgemeesters geautoriseert om mit de heeren thesaurieren op het pleyn buiten de Regulierspoort een bequame marckt voor magere ossen met alle toebehoorten tot ghemack ende drenckinge der beesten ende anderssints op te righten tot gerieff der koopluyden.”
Tot 1629 was een gedeelte van het Kalverstraat/Heiligeweg-complex voor de ‘beestenmarkt’ in gebruik. Geleidelijk aan werden meer specifieke markten elders in de stad ingericht en zo deed ‘ossenmarkt’ zijn naam steeds meer eer aan. Behalve in de naam Kalverstraat leeft een en ander ook nog voort in de aanduiding ‘Osjessluis’ voor de vroegere brug in de Kalverstraat over het Spui.
Een resolutie van de Vroedschap van Amsterdam van 26 januari 1636 geeft ons een indruk van de omvang van de ossenhandel in die jaren:
“…. omtrent de maent Maert vertrekken uyt dese landen omtrent 30 schepen, lanck omtrent 112 voeten, voor 80 a 90 ossen elck, omme aldaer (Denemarken) ossen te halen ende deselve herwaerts te brengen”.
Maar toch, zeker drie maal zo veel ossen werden over land aangevoerd.
Er bestond in Amsterdam geen ossenweidersgilde, wel was er, zoals bij vele beroepen, een college van ‘Goede Mannen’. Hun taak was onder meer om bij meningsverschillen waar Schout en Schepenen over moesten oordelen, de bestuurders gekwalificeerd van advies te dienen. De benoemde ‘Goede Mannen’ werden ingeschreven in registers waarvan er enkele bewaard zijn gebleven. In het ossenweidersregister van 1700 komen we Cornelis Bors van Waveren tegen. Opvallend in de registers is de voorvoeging ‘de Heer’, iets wat in andere beroepen ontbreekt. Vermoedelijk is dit terug te voeren op het feit dat ossenweiders enigszins vermogende lieden moesten zijn om in het voorjaar de, deels riskante, investeringen te kunnen doen. Bovendien moesten ze over gronden beschikken waar de ossen met succes gevetweid konden worden. Zo zijn er dus voor kooplieden en regenten drie redenen om een hofstede of buitenplaats te verwerven: behalve zomerverblijf en belegging bood het de bezitters ook de mogelijkheid deel te nemen aan het kapitaalintensieve fenomeen van het ossenweiden.
Na 1720 komt het beroep ossenweider minder voor. Dit heeft wellicht een oorzaak in veeziekten aangeduid als veepest. Epidemieën die in 1713, 1744 en 1768 begonnen en een aantal jaren nodig hadden om uit te zieken. Hierbij kon in het eerste jaar tot 70% van de veestapel verloren gaan. Over de aard van de ziekte is niet zoveel bekend, tijdgenoten omschreven deze ziekte als een koorts die gepaard ging met ontsteking van alle ingewanden.
Vermeldingen: Familie Van Loon; Herengracht 495; Herengracht 502; Herengracht 527

                                       

Rabbijn Een rabbijn is geen priester, noch in de Joodse betekenis van het woord, noch in de Christelijke betekenis. In de Christelijke betekenis van het woord is een priester iemand met speciale autoriteit om bepaalde heilige rituelen uit te voeren. Een rabbijn daarentegen heeft niet meer autoriteit om rituelen uit te voeren dan andere volwassen mannelijke leden van de Joodse gemeenschap. In de joodse betekenis van het woord is een priester (kohen) een afstammeling van Aäron (Aharon), belast met de uitvoering van diverse rituelen in de Tempel en de offerdienst. Hoewel een kohen een rabbijn kan zijn, is het geen vereiste voor een rabbijn dat hij tevens een kohen is.
Een rabbijn is eenvoudig een leraar, iemand met voldoende kennis van en opleiding in de halacha (Joodse wet) en traditie om de gemeenschap te onderwijzen en om antwoord te geven op vragen en om meningsverschillen over halachische problemen op te lossen. Wanneer iemand de nodige studie hiertoe heeft voltooid wordt hem een diploma gegeven dat bekend staat als semicha, hetgeen zijn bevoegdheid om beslissingen te nemen, bevestigt.
Het is echter belangrijk om op te merken dat een rabbijn geen speciale autoriteit heeft om dienst te doen in de synagoge. Iedere jood die voldoende weet wat hem te doen staat, kan een dienst in een synagoge leiden en die dienst is dan evenveel waard als wanneer dat gebeurde door een rabbijn. Er zijn vele Joodse gemeenschappen die functioneren zonder rabbijn en vele diensten worden niet door rabbijnen geleid.
Vermeldingen: Herengracht 500; Onderwijzerhof

                                       

Schepen De macht om recht te spreken en wetten te maken lag in het begin in handen van de schepenen. Zij waren dus rechters. Het woord is afgeleid van het Middel-nederlandse woord 'sceppen' wat 'in orde brengen' betekende. De schepenen waren zowel rechters als bestuurders.
Op de eerste plaats hadden zij een rechterlijke taak wat personen en goederen aanging die binnen hun rechtsgebied vielen. Naargelang de graad van de jurisdictie (hogere, middele of lagere jurisdictie) was de schepenbank bevoegd om bepaalde misdrijven tot een zekere kapitaalwaarde te berechten en uitspraak te doen in burgerlijke geschillen. Ook criminele zaken (hogere jurisdictie) konden tot haar bevoegdheid behoren, vaak het geval in de steden.
De schepenen kwamen veelal uit de leidinggevende geslachten. Een schepenambt bleef soms eeuwenlang in een familieverband voortbestaan.
De landheer had wel een vertegenwoordiger in de stad, namelijk de schout. Deze was aanwezig bij de rechtspraak en vroeg de schepenen om een straf op te leggen. Ook zorgde hij voor het opsporen en gevangen houden van misdadigers. De schout was het hoofd van de 'schepenbank', hij had een taak die te vergelijken is met die van commissaris van politie en bij een rechtszaak had hij een taak die te vergelijken is met die van de tegenwoordige officier van justitie.
Samen met de schout formuleerden de schepenen een vonnis. Diepgaande juridische kennis was hierbij niet echt noodzakelijk want er werd geoordeeld naar gewoonterecht.
Burgemeesters en schepenen vormden samen 'de magistraat', de uitvoerende macht die de dagelijkse beslissingen in de stad nam. Zij zijn vergelijkbaar met het huidige college van burgemeester en wethouders. Was iemand schepen en raad dan maakte hij deel uit van 'de magistraat'.
Vermeldingen: Herengracht 502; Herengracht 531, 537; Herengracht 619; Keizersgracht 203; Keizersgracht 444; Prinsengracht 23

                                       

Schout De schout was een ambtenaar belast met bestuurlijke en gerechtelijke taken en het handhaven van de openbare orde. Zijn taken varieerden naar tijd en plaats.
De functie van schout bestond in de Lage Landen vanaf de middeleeuwen. De precieze invulling kon variëren en was in steden anders dan in dorpen. Steden waren min of meer zelfstandig in het aanstellen van bestuurders. In de regel werd een schout aangesteld als hoofd van het justitieel apparaat. Hij was openbaar aanklager, hoofd van het opsporingsapparaat en zat het gerecht (de vierschaar) voor.
Dorpen maakten doorgaans deel uit van een heerlijkheid. De heer van het dorp bemoeide zich vaak niet met de dagelijkse gang van zaken en benoemde een schout om in zijn naam te handelen. Deze kreeg, naast de justitiële taken als openbaar aanklager en hoofd van het opsporingsapparaat, ook een bestuurlijke verantwoordelijkheid. De schout werd aangesteld als hoofd van de schepenbank. In die functie was hij niet alleen voorzitter bij rechtszittingen, maar ook bij bestuurlijke vergaderingen.
Na de Vrede van Münster (1648) bleef in de Noordelijke Nederlanden de oude bestuursstructuur en daarmee de functie van de schout behouden. Het enige verschil was de eis dat een schout belijdend lid moest zijn van de Nederduitse Gereformeerde Kerk. Vanaf de 17e eeuw werd voor deze functie ook wel de naam drossaard of officier gebruikt. De functie veranderde tijdens de Franse tijd. De schepenbanken werden opgeheven. De rechterlijke macht werd voortaan door de landelijke overheid geregeld. De bestuurlijke taken werden overgedragen aan nieuw gevormde gemeenten met vanaf 1811 een "maire" aan het hoofd. Na de Franse tijd werd de naam van deze functionaris enkele malen gewijzigd: in 1814 in burgemeester, in 1817 in schout en in 1825 definitief naar burgemeester.
Vermeldingen: Familie Van Loon; Herengracht 537; Singel 460

                                       

Stadsontvanger De stadsontvanger moet duidelijk onderscheiden worden van de gemeentelijke belastingen. Naast de stadsontvanger kennen we immers de ontvanger der stedelijke belasting die het hoofd is van de plaatselijke belastingdienst. De functie van stadsontvanger is, misschien wat oneerbiedig, te omschrijven als penningmeester van het stadsbestuur. Deze functie is duidelijk opgenomen binnen het lokaal bestuur. De stadsontvanger dient begrote inkomsten te innen. Die inkomsten bestaan niet alleen uit belastingen. Ook de pachtgelden van landerijen en de opbrengsten van verpachtingen van diensten en instellingen als bijvoorbeeld een Bank van Lening zijn voor de stad een bron van inkomst. Verder ontvangt de stad bijvoorbeeld nog gelden door opbrengsten van verkopingen van hakhout, gewassen en dergelijke. De functie van stadsontvanger houdt dus heel wat meer in dan het innen van de door de belastingdienst vergaarde gelden.
Een andere taak van de stadsontvanger is het doen van betalingen overeenkomstig de op de begroting vermelde post uitgaven. Hij mag geen betalingen doen dan met schriftelijke toestemming van een of meerdere burgemeesteren èn de secretaris. Om er toch maar zeker van te zijn dat de stadsontvanger zich onthoudt van financiële malversaties, is als extra veiligheidsmaatregel een borgtocht ingesteld. De positie van de stadsontvanger blijft tot 1851 dezelfde.
Na 1851 wordt de functie aangeduid met gemeenteontvanger. De gemeenteontvanger staat onder “de onmiddellijke bevelen van de Burgemeester en Wethouders”. Hij is belast met de invordering van alle inkomsten en ontvangsten van de gemeente, en door hem worden alle betalingen der gemeente gedaan, behoudens enkele uitzonderingen. Bij alle verkopingen en verpachtingen is hij aanwezig. Dat de kas klopt en goed bewaakt wordt, is in zijn belang, want hij is persoonlijk aansprakelijk voor alle gelden die kwijt raken.
Vermeldingen: Prinsengracht 21

                                       

Stadssecretaris De belangrijkste taken van de stadssecretaris zijn de volgende: Hij heeft de algemene leiding van de gemeentelijke diensten en staat aan het hoofd van het gemeentepersoneel. Hij bereidt de zaken voor die aan de gemeenteraad, aan de gemeenteraadscommissies, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de burgemeester worden voorgelegd. Hij woont de vergaderingen bij van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen. Hij adviseert de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en de burgemeester op beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch vlak en rapporteert aan het college van burgemeester en schepenen.
Vermeldingen: Prinsengracht 21

                                       

Suppoost Weeskamer Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen een weeskamer en een weeshuis; het zijn twee geheel verschillende instellingen. Weeshuizen werden gesticht om er kinderen te huisvesten waarvan de ouders waren overleden en de verwanten niet in staat bleken zich met de verdere opvoeding te belasten. Weeskamers werden opgericht om het beheer van de goederen van de wezen op verantwoorde wijzen te waarborgen. Niet zelden kwam het immers voor dat de kinderen door degenen aan wie ze waren toevertrouwd verwaarloosd en van hun goederen beroofd werden. Toezicht op de voogdij van overheidswege was dus dringend geboden.
In de late middeleeuwen is de ontwikkeling waar te nemen dat, als gevolg van de groei van de steden, de raden of burgemeesteren, die van oudsher de oppervoogden van weduwen en wezen waren, steeds meer bevoegdheden kregen en daardoor steeds minder bij machte waren om aan al hun daaruit voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Overstelpt met werkzaamheden, zagen zij zich genoodzaakt verscheidene van hun taken te delegeren aan speciaal daartoe in het leven geroepen bestuurslichamen. Dit geschiedde onder meer met de zorg voor de persoon en de goederen van de minderjarige wezen.
Ook in Amsterdam werd deze overheidstaak opgedragen aan een afzonderlijk orgaan: het college van weesmeesteren. Men gebruikt vaak de benaming weeskamer, aangezien deze bestuurderen een kamer in het stadhuis op de Dam toegewezen was.
Voordat de bemoeienissen van de weesmeesters inzake de nalatenschap een aanvang konden nemen, dienden er een aantal handelingen verricht te worden . In de allereerste plaats moesten de doodgravers (dit waren stedelijke funktionarissen), de weeskamer ervan verwittigen welke van de begraven personen minderjarige kinderen nalieten. Hiervan werd aantekening gehouden in zgn. 'doodboeken' of begraafregisters van de weeskamer, zodat degene die de boedel onder zich had, ter weeskamer ontboden kon worden. Door de bode opgeroepen, kon de betrokkene verklaren dat de overledene niets aan de wees had nagelaten; dat hij de bemoeienis van de weeskamer had uitgesloten, 'de weeskamer had gesecludeerd' volgens de toen gangbare terminologie; of hij kon, in tegenwoordigheid van de naaste verwanten van de gestorvene, rekening en verantwoording afleggen van wat de wees toekwam. Dit noemde men 'aan de wees zijn goed bewijzen'.
Was de voogdij niet bij testament geregeld, dan voorzagen de weesmeesters daarin. In eerste instantie kwam de vader hiervoor in aanmerking, was deze niet beschikbaar, dan de naaste verwanten. Bij ontstentenis van familieleden werden 'goede lieden', gewoonlijk suppoosten genoemd, met de voogdij en het boedelbeheer belast, zij waren boedeladministrateurs van professie.
De namen van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen werden, te zamen met die van hun pupillen, in voogdijregisters opgenomen, zodat de weesmeesters te allen tijde het overzicht behielden over de opgedragen voogdij. Wanneer de weeskamer de supervisie had op de voogdijvoering en het boedelbeheer door particulieren en suppoosten, dan volgde inschrijving van de bezittingen in het inbrengregister.
De bemoeienissen van de weeskamer namen gewoonlijk een einde als het weeskind meerderjarig werd, hetgeen geschiedde bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd, door huwelijk, of door verlening van de akte van 'venia aetatis' (meerderjarigheid) door de Staten van Holland.
Ofschoon tot nu toe uitsluitend gesproken is van wezen - zij die vader of moeder dan wel beide ouders hadden verloren - is het onjuist te veronderstellen, dat alleen deze categorie 'der weeskamer subject' was. Het toezicht van de weeskamer strekte zich ook uit tot andere 'personae miserabiles', zoals geestelijk onvolwaardigen en andere onder curatele gestelde personen, tot welke laatste groep verkwisters behoorden. Zij konden op verzoek van hun bloedverwanten en met goedvinden van de burgemeesters, qualitate qua immers de opperste voogden, onder de hoede van de weesmeesters gesteld worden. Allen, die bij de weeskamer geregistreerd stonden, was de vrije beschikking over hun goederen ontzegd; om deze te vervreemden, of te bezwaren was toestemming vereist van de weesmeesters, die daartoe in overleg traden met de voogden en bloedverwanten.
Aanvankelijk waren het de secretaris, klerk of de bode, die de voogdij op zich namen. Maar al in 1563 was dit niet meer gebruikelijk. Suppoosten bleken hun plaats te hebben ingenomen; zij hadden van de voogdij hun beroep gemaakt en werden hiervoor niet door de burgemeesters aangesteld, zoals het overig weeskamerpersoneel, maar door de weesmeesters. Bij hun benoeming moesten zij twee 'suffisante' borgen stellen en een eed afleggen. Daar zij niet in dienst van de weeskamer waren, stonden zij alleen ten aanzien van de voogdij en het boedelbeheer onder haar toezicht: voor het overige hoefden zij geen werkzaamheden te verrichten. Op verdienste in de vorm van emolumenten konden zij geen aanspraak maken; hun loon brachten zij aan hun pupillen in rekening. Eerst waren er vijf, sedert 1698 vier suppoosten aan de weeskamer verbonden, een getal dat in 1767 tot drie werd teruggebracht.
Hoewel het ontstaan van de Weeskamer in Amsterdam niet nauwkeurig te duiden is, is zeker dat deze begin 1466 functioneert, hetgeen blijkt uit de datum van de oudst gedagtekende weeskamerkeur. In 1811 werden de werkzaamheden overgenomen door een stedelijke commissie van liquidatie van weeskamerzaken.
Vermeldingen: Prinsengracht 23

                                       

Waagdrager Binnen de waag en van de waag moesten de goederen waarvan officiële weging vereist was, van de ene naar de andere plaatst worden gebracht. Dat deed de waagdrager. De waagdrager bracht de goederen van de ene naar de andere plek, woog ze, bracht ze weer terug of sloeg ze op. Waagdragers waren doorgaans verenigd in het waagdragersgilde.
In 1616 werden de verschillende verhoudingen voor de veemarbeiders die als waagdragers werkten door een keur geregeld. Op die keur van 1616 zijn de hoofdstedelijke veembedrijven gegroeid, die tot doel hebben het ontvangen, opslaan, bewaren, bewaken, bewerken, afleveren, verzenden, controleren, wegen en meten van koopmansgoederen, het lossen en laden van schepen, het afgeven van bewijzen van opgeslagen goederen en de exploitatie van handelsterreinen en handelsinrichtingen. Dit broederschap der waagdragers heeft zich later ontwikkeld tot een groot en machtig veembedrijf. Zij onderscheidden zich al spoedig naar kleur of vorm van hun hoofddeksels (Blauwhoeden, Klapmutsen, Groenhoeden en Bonthoeden).
Het waagdragersgilde is de voorloper van de latere havenarbeidersorganisatie en van het huidige veembedrijf. In 1389, toen Amsetrdam aan hertog Albrecht gelden geleend had, kreeg zij daarvoor in ruil het privilege op bepaalde goederen accijns te heffen, welke goederen dan in de waag gewogen moesten worden. De waagdragers die daarmee belast waren, moesten uiteraard door de overheid vertrouwd kunnen worden. Zij werden controleurs in dienst van de fiscus en gingen zich verenigen in vemen. In 1616 is de coöperatie van de arbeiders van het Waagdragersgilde in contracten vastgelegd. Een keur moest dienen tot "weringe van alle kyvagie, disordre, ende twist, tot dienste ende gerijf van de Kooplieden, ende tot ruste ende vrede van deselve Arbeyders aan de wage, mitsgaders tot onderhoud ende alimentatie van de arme, oude ende siecke Arbeiders". Dat waren dus voor deze arbeiders sociale voorzieningen. Daartoe moest iedere arbeider een entreegeld van 30 stuivers en een jaarcontributie van 24 stuivers betalen, waar een weerstandskas uit gevormd werd. De vemen waren coöperatieve verenigingen van 5 tot 9 werklieden. Het veem werd nooit uitgebreid; bij sterfgevallen stelde het veem een lijst van drie vrijheden op, waaruit de burgemeesters een man aanwezen. De vrijheden waren waagdragers die niet tot een veem behoorden. Sinds 1654 was voor de oprichting van een veem een speciale vergunning nodig. Naarmate Amsterdam rijker werd en meer koopmansgoederen werden aangevoerd, kregen de waagdragers het drukker. Zij konden het werk niet aan en moesten vrijlieden in dienst nemen, die echter, tot hun grote ontevredenheid, een heel wat minder verzekerde sociale positie innamen dan de geprivilegieerde gildenbroeders. Daarom voerden burgemeesteren de "pen" in: een lijst die zodanig gebruikt werd dat de vrijlieden ieder om de beurt te werk zouden worden gesteld. De pen is een oud Amsterdams woord met de betekenis "taak, werk". In 1693 werd een huisje gebouwd aan de zuidzijde van de Nieuwe Kerk, waar de pen werd bewaard. In 1821 beklaagden de vrijlieden zich erover, dat de veembroeders de regeling van de pen "in disordre" poogden te brengen. Daarop besloten B. en W., op advies van de Kamer van Koophandel, dat de handelaren niet meer verplicht waren de waagdragersvemen te gebruiken. De gehele waagdragerij werd dus vrijgegeven. De waagdragers verenigden zich daarop in "Werkers voor den Handel". Enkele van de oude vemen, als Blaauwhoedenveem en Vriesseveem, zijn echter gebleven, al zijn zij tegenwoordig geen broederschappen meer, maar onderdeel van grote ondernemingen.
Vermeldingen: Prinsengracht 23; Prinsengracht 548

                                       

Zijdereder De zijdereder was een ondernemer die het hele productieproces van zijde onder zijn hoede had. De reder was eigenaar van een of meerdere werkplaatsen, waarin een aantal arbeiders samenwerkte. Hij controleerde zo de achtereenvolgende fasen van de zijdeproductie. De zijdeindustrie en het gebruik van zijde vierde zijn hoogtij in de zeventiende eeuw, vooral in Amsterdam, waar het hoogtepunt werd bereikt in de periode van 1648 tot de late jaren negentig.
In een keur van 1684 wordt vastgelegd: Dat niemand, het zy Zijde Reder Tabacq ofte Wol Spinder, ofte wie ofte van wat Hanteringe ofte Neeringe hy ook mochte wesen, in sijn werk ofte dienst sal mogen nemen een van de Meysjens by de Regenten van het Stads-Zijde-Wind-Huys ten dienste van het Huys ingeschreven ende aangenomen, op pene (straffe) dat alle degeene, die soodanige Meysjens komen aan te nemen voor yder van deselve voor de eerste reyse sullen verbeuren een somme van vijf-en-twintig Gulden, en voor de tweede reyse een somme van vijftig Guldens, een derde part voor den Aanbrenger, en twee derde parten ten profijte van 't Zijde-Wind-Huys; ten ware de geene, die de voorseyde (voornoemde) Kinderen in haar Werk aangenomen hebben, deden blijken, dat sy niet geweten hebben, dat deselve Kinderen van 't Zijde-Wind-Huys waren.
Van 1682 tot 1810 deden de bovenverdiepingen van het Bushuis (Singel 423) dienst als Zijdewind-huis. Vooral meisjes van acht tot veertien jaar, dochters van bedeelden, moesten hier de ingevoerde ruwe zijde opwinden. Zij ontvingen daarvoor een geringe vergoeding; van de toegezegde lessen in lezen en schrijven kwam niet veel terecht. Uit beschrijvingen komt naar voren dat hier op enig moment 260 kinderen werkzaam waren.
Op een tekening van Jan Luyken is een vrij grote werkplaats te zien, waarin een groot aantal mensen aan het werk is. Op de voorgrond is een man afgebeeld omringd door strengen zijde, op de achtergrond een haspel en een klos.
Vermeldingen: Herengracht 527; Prinsengracht 23