Linnaeusstraat 119
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Synagoge-Oost
Adres: Linnaeusstraat 119
Architect: Jacobus S.Baars
Bouwtijd: 1928
Opdracht: Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge

Bij de inwijding werden mooie woorden gesproken.
"Geachte heer Baars! Ge hebt de verwachtingen, die van u gekoesterd werden, niet beschaamd!, Heeft uw kunstbroeder, de heer Elte, een fonkelendeh diamant doen opgaan aan den Zuiderhemel, gij wist een reine parel te doen rijzen aan de Oostertrans, monument van uw kennen en kunnen, waarmede ik u van harte namens de Hoofdsynagoge gelukwensch."
In de twintiger en dertiger jaren van de twintigste eeuw verrezen in Amsterdam drie belangrijke, grote synagogen. Harry Elte ontwierp een synagoge aan het Jacob Obrechtplein, Abraham Elzas ontwierp de nog altijd bestaande synagoge in de Lekstraat (1936-1937, tegenwoordig een veilinghuis) en Jacobus Baars verwierf de opdracht voor de Synagoge-Oost. Hoewel de Amsterdamse School al over haar hoogtepunt heen was droeg deze synagoge nog veel kenmerken van deze stijl. Baars moest in zijn ontwerp een kunststukje uithalen, want het bouwterrein van 500 m2 was krap bemeten en de hoofdingang moest aan de Linnaeusstraat liggen, wat echter de korte zijde van het gebouw was. Tegelijk moest hij rekening houden met het joodse voorschrift dat de heilige arke (kast waarin de torahrollen liggen) georiënteerd moet zijn op Jeruzalem. Dat verklaart de hoek van 45 graden die het gebouw maakte op de Linnaeusstraat, terwijl de bijgebouwen in een lange vleugel aan de Polderweg waren ondergebracht. In al zijn facetten, het bijzondere grondplan van een ongelijkzijdige achthoek, de bakstenen versieringen, de gebrandschilderde ramen, de Hebreeuwse letters op de gevel en het 25 meter hoge torentje dat de gelovigen opriep ter kerke te gaan, maakten het tot een herkenbaar gebouw. De synagoge was gebouwd in gele baksteen.
Hoewel de synagoge op een prominente plek aan de Linnaeusstraat stond, was het ook een geïsoleerd bouwwerk. Een relatie met het achterliggende fabrieksterrein van de Polderweg was er niet. Doordat de treinsporen op een dijk kwamen te liggenveranderde de situatie bovendien drastisch. Bij de bouw van de synagoge lag deze in het verlengde van de Linnaeustraat en belemmerde de spoorwegovergang het zicht niet. Door de spoordijk werd de synagoge vanuit het noorden geheel aan het zicht onttrokken. Daarvoor in de plaats kwam het verrassingsaspect: onder het spoorwegviaduct door stond je plotseling oog in oog met het bijzondere bouwwerk dat de entree van het zuidelijke stuk van de Linnaeusstraat een monumentaal karakter verleende.

De ingang lag in de westelijke, afgesneden punt. Aan de oostkant bevond zich een uitbouw ten behoeve van de heilige ark. De bima (spreekgestoelte) kwam niet in het midden van de ruimte, maar oostelijk van de middenas, met de banken aan drie zijden daaromheen gegroepeerd. Acht paarsgewijs tegenover elkaar geplaatste gemetselde pijlers ondersteunden de kap. De ondiepe ruimten achter de pijlers werden aan noord- en zuidzijde van de synagoge door telkens drie ondiepe, driezijdige uitbouwtjes geflankeerd. Een ruimtebepalend element was ook de hoefijzervormige vrouwengalerij. Er was beneden voldoende zitruimte voor 300 mannen, terwijl de vrouwengalerij ruimte bood aan 100 tot 125 vrouwen.
Muren en pijlers waren uitgevoerd in schoon metselwerk van gele IJsselstenen in Waalformaat, kleurige tegels in geometrische patronen sierden de vloeren en het blankhouten kapbeschot was gevuld met cassettes waarin met de hand beschilderde eternietplaten waren aangebracht. De verhoogde voorruimte van de heilige ark was bekleed met zwarte en witmarmeren platen en de eiken deuren waren voorzien van zilveren beslag. De lezenaar en de bima waren vervaardigd van eiken- en coromandelhout, de laatste bovendien met toepassing van geëtste eternietplaten, het geheel geplaatst op een onderbouw van Silezische verglaasde stenen. Met de hand beschilderde eternietplaten kwamen eveneens voor op de borstwering van de vrouwengalerij, waarop decoratieve smeedijzeren hekwerken stonden. In baksteen gebeitelde Hebreeuwse teksten vervulden, net als op de buitengevels, een decoratieve rol op de wanden. Ter nagedachtenis aan de heer Jac.Bollegraaf is in de synagoge een klok geplaatst die het uur van mincho en nacht aangeeft (middag- en avondgebed). Het ontwerp was van Jacobus Baars, de uitvoering werd verzorgd door steenhouwerij A.M.Koster en het uurwerk werd verzorgd door Elka Watch Cy. Het binnenvallende licht werd bovendien gefilterd door de bijzondere gebrandschilderde ramen van de joodse kunstenaar Leo Pinkhof met symbolische en daardoor wat raadselachtige weergaven van de Tien Geboden, de drie Joodse feesten Pesach, Sjawoe'ot en Soekot en de drie zogenaamde Halffeesten Chanoeka, Poerim en Rosj Chodesj. De ramen zijn bij de sloop verloren gegaan, op delen van de Tien Geboden na. Deze zijn, met een stuk hekwerk van de vrouwengalerij, terecht gekomen in de synagoge in Ramat Jitzchak, Israël.

Het gebouw werd in 1962 afgebroken. De afbraak volgde op jaren van leegstand en verwaarlozing. Van de eens zo bloeiende joodse gemeente was als gevolg van de Tweede Wereldoorlog niets meer over. Na juni 1943 stond de synagoge leeg en werd sindsdien leeggeroofd en kapotgemaakt, waarschijnlijk door zowel nationaalsocialisten als door buurtbewoners die behoefte hadden aan hout voor hun noodkacheltjes. Aan de buitenkant leek het pand ongeschonden, maar van binnen was het een ruïne. Geld voor restauratie had de Nederlands-Israëlietische Hoofdsynagoge niet, zodat het gebouw als een bouwval bleef staan. De overgebleven religieuze joden in Oost kwamen bijeen in de vroegere bijsynagoge in een vleugel van het gebouw, destijds bedoeld voor doordeweekse diensten. Op de open plek met de hoek van de Polderweg is nadien een groot flatgebouw geplaatst van de architect Mart Stam.
In oktober 1945 wordt er bericht over een opzienbarende vondst in de synagoge aan de Linnaeusstraat. Het gaat om gouden en zilveren voorwerpen en ruim 100 wetsrollen. De vondsten behoorden toe aan de Nederlandse Joodse Gemeente, die, toen in 1942 en 1943 de joodse gemeenten in Nederland moesten verdwijnen, uit alle delen van Nederland de meest waardevolle kerkschatten naar Amsterdam overgebracht en verstopte in een geheime gang onder deze synagoge. Wie ervan afwist was gedeporteerd en zo lagen lange tijd de waardevolle voorwerpen onder de grond door iedereen vergeten en bij de uitgebreide plunderingen door de Duitsers door deze over het hoofd gezien. Hoe zijn ze dan terug gevonden?
In het politiedagrapport van 30 september 1945 staat de inschrijving dat twee agenten een 17-jarige jongen hadden binnengebracht, vanwege diefstal van een kan en een schaal, beide van zilver en afkomstig uit de synagoge. (De schaal en kan waren bedoeld voor de Kohaniem. Dat is degene die als eerste wordt opgeroepen voor de Torahlezing. Ook spreken de Kohaniem op feestdagen in de synagoge de priesterlijke zegen uit.) Het dagrapport van 1 oktober geeft meer duidelijkheid, inspecteur Bijlsma heeft ter plaatse onderzoek gedaan en stuitte daarbij op de geheime gang. Een rooster, dat vroeger overdekt werd door een houten vloer, bleek toegang te geven tot een klein deurtje, waardoor men in een gang kwam van ongeveer 1 meter hoog. Deze ondergrondse gang bleek een U-vorm te hebben. Voorin lagen tientallen wetsrollen, daarachter een grote hoeveelheid zilveren voorwerpen en andere kunstschatten. De heer Kleerekoper, voorzitter van de Joodsche Coördinatiecommissie gaf uitsluitsel: het ging om zeer waardevolle voorwerpen. Ze werden allemaal naar boven gebracht en veilig bewaard in het politiebureau Linnaeusstraat. Die bewaarplaats werd toch niet zo veilig gevonden en in het dagrapport van 5 oktober is te lezen dat alles in de kluizen van de Rotterdamsche Bank aan het Rokin is opgeborgen. Volgens een schatting van de Joodsche Coördinatiecommissie hadden de spullen een waarde van ongeveer 150.000 gulden.

Meer lezen:
Baars, Jacobus S.
Pinkhof, Leo
Stam, Mart

Voor het laatst bewerkt:10-dec-2017