Nes 67
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Sint Barbaraklooster (voor 1578)
Adres: Nes 67

Het Sint Barbaraklooster werd gebouwd op een erf dat eerst in bezit was van Jan Scincke (Jan Schinkes), evenals Gijsbert Dou een aanhanger van de Moderne Devotie. Hij doteerde het erf aan het klooster, evenals het aansluitende erf dat naar het Sint Claraklooster ging. Dit gebeurde via een constructie waarbij het Oude Nonnenklooster of Sint Mariënveld, een klooster voor rijke dames, het erf in eigendom kreeg en daarna doorgaf. Het klooster en eerder het erf was belast met een erfrente in ‘oude Franse schild’ per jaar, die het Sint Barbaraklooster tot aan zijn opheffing is blijven betalen. (Een ‘oude Franse schild’ is de Nederlandse benaming voor de écu, de Franse munteenheid tijdens de Middeleeuwen. De munt verscheen in 1263 en vertegenwoordigde de waarde van drie Franse ponden (livres).)
Het Sint Barbaraklooster werd voor het eerst vermeld in 1425. Het was een klooster van de Derde Orde der Franciscanen en aangesloten bij het kapittel van Utrecht. Het lag ingeklemd tussen het Sint Claraklooster en het Maria Magdalenaklooster tussen Nes en Oudezijds Voorburgwal. Het is waarschijnlijk dat het klooster is gesticht om overbevolking van het Sint Claraconvent te voorkomen. Het kapittel wenste slechts een beperkt aantal zusters in een klooster te zien, meestal niet meer dan 60. Dit blijkt ook uit het privilege verkregen in 1436 waarin de keuze voor een eigen biechtvader geregeld werd en vastgesteld dat het aantal zusters niet hoger kon zijn dan 50 en de gemeenschap onderdak kon bieden aan maximaal vijf of zes proveniers. Dit werd in 1494 herbevestigd. De proveniers waren in het convent voor langere tijd woonachtig, de kortste tijd was vijf maanden.
Het convent sloot in 1431 een overeenkomst met het naastgelegen convent van Maria Magdalena op het Spui over een gemeenschappelijke poort. Het beheer van deze gemeenschappelijke ruimte leidde wel tot ruzies, zoals blijkt uit akten van meerdere jaren. Het betrof een protest tegen de bouw van de kapel van het Barbaraconvent tegen en verankerd aan de muur van Maria Magdalenaklooster.
Aan de intrede van zusters in de gemeenschap kon een begunstiging verbonden zijn. Zo zien we dat bij de intrede van Elysabeth Jan Gebbenzdr, eind van vijftiende eeuw, eerst een lijfrente en vervolgens een vat bier aan de gemeenschap werd geschonken.

In 1579 werd midden over het terrein de Sint Barberenstraat gerooid.
Ten noorden hiervan lagen de kerk en het patershuis, het laatste op de hoek van deze straat en de Oudezijds Voorburgwal.
Het terrein waarop het convent zich bevond was vierkant, met een grote open ruimte in het midden, vermoedelijk een grasveld, dat ten noorden grensde aan de kapel. Achter de kapel bevond zich de dormter, de slaapplaats van de zusters. De kapel en de slaapplaats liepen parallel met die van het klooster van Maria Magdalena op het Spui. Aan de Burgwal, tegenover de twee kapellen, liep een steegje, dat gesloten was door een gemeenschappelijke poort, die op beide erven gelegen was. Het steegje zouden de twee conventen samen houden en gebruiken.
Vanaf het einde van vijftiende eeuw ging het convent, vermoedelijk wegens de slechte financiële situatie, huizen verhuren die gedeeltelijk op hun terrein gebouwd waren. Daarnaast was de lakennijverheid een belangrijke bron van inkomsten voor de zusters.
Wat de stad kennelijk hoog zat was het gegeven dat de kloosters geen accijnzen betaalden. In de Informacie van 1514 wordt melding gemaakt van de economische activiteiten van de Amsterdamse kloosters, waaronder dat van Sint Barbara. De 17 zusterhuizen en de drie mannenkloosters 'brouwen ende backen sonder eenighen exhijs te geven tot prouffite van der stede' en de meerderheid van de gemeenschappen 'doen neringhe, te weten dat zy weven ende ter merct vaeren, doende haere coomanscip van lindelaicken, gelijck andere coopluyden t Amsterdam'.
De gemeenschap werd in 1585 opgeheven. In 1582 leefden in het convent 16 zusters, in de leeftijd van 34 tot 75 jaar, die van de stad na de opheffing alimentatie ontvingen.
Vanaf 1582 verhuurde het stadsbestuur een aantal kloostergebouwen aan Harman Rodenburgh de Jonge. In 1584-1585 besloot de stad over te gaan tot de verkoop van de gebouwen van de voormalige conventen. Zo kwam in 1588 de kerk van het Barbaraconvent onder de hamer. De kerk werd in delen geveild tussen 1588 en 1592.

Naam: Tivoli
Adres: Nes 67

Het pand is in de loop van de 19de eeuw verbouwd tot herberg À l’Étoile de l’Oriënt of de Ster in het Oosten (volgens zeggen zou Casanova hier ooit hebben gelogeerd). Eigenaar was H.F.Torchiana en daarom was het ook bekend als hotel Torchiana. Het café diende als koffiekamer voor de Salon des Variétés (Nes 71).
In 1868 verschijnt hier schouwburg Tivoli van Willem Koster. Koster was al exploitant van een gebouw Tivoli bij de Leidse Barrière. Als hij hoort van de opheffing van Salon des Variétés koopt hij dit pand op de hoek van Kuiperssteeg. De eerste voorstellingen worden gegeven door een Engels variété gezelschap en zijn geen succes. Ook een Frans vaudeville-ensemble, zij voerden drie operettes uit, was geen succes. Koster besluit de hulp in te roepen van Louis Bouwmeester en zijn gezelschap, waar ook broer Frits en zuster Doortje Frenkel-Bouwmeester (ook bekend als Theo Mann-Bouwmeester) deel van uitmaakten. Zij speelden ‘draken’ zoals het omschreven wordt; het zijn De Gebochelde, Walter de Genuees, De zwarte Dokter. Er werd afwisselend gespeeld met Victor Driessens en zijn ensemble waartoe ook Henri Morriën behoorde, omschreven als de vader van de operette.
In 1870 neemt Henri Morriën de directie over. Zijn eerste werk was ‘Dragonders van Villars’ waarin hij met zijn tenor Bellamy gestalte gaf en mevrouw Spoor-Geytenbeek speelde Rose Friquet. Hierin ontpopte zij zich als een operettezangeres van formaat.
In 1877 wordt I.M.Roos directeur en brengt opnieuw blijspelen uit. In 1878 wordt het theater meer een café-chantant waar ’s winters ook bals worden gegeven.
Van 1884-89 worden er variétévoorstellingen door Frits van Haarlem gespeeld.
Vanaf 1886 is Charles de la Mar directeur. Charles bracht het grote romantische genre op de planken, waarbij hij zelf optrad als de door hem bewonderde keizer in zijn Napoleon-repertoire. In 1888 wordt Louis Chrispijn ingehuurd om de zomermaanden door te komen. Deze kwam met de uitvoering van Tolstoi’s ‘De macht der duisternis’. Naast Charles speelden mee mevrouw De la Mar-Kley en Daan Ollefen. Het werd een succesnummer. Met het vertrek van Charles als directeur was er geen opvolger te vinden en werd het gebouw verkocht aan een tabakshandelaar.
Vanaf 1894 is tabakskantoor Harkema hier gevestigd.

Naam: Harkema
Adres: Nes 67, Sint Barberenstraat 2-4, Kuiperssteeg 1
Architect: A.D.N.van Gendt
Bouwjaar: 1923
Opdracht: Tabakshandel Harkema

Het pand is in 1923 gebouwd voor de tabaksgroothandel van Gabriël Harkema (1838-1895). Harkema was een centrum van de tabakshandel en de sporen hiervan zijn deels nog te zien. Het zaagtanddak met toetreding van noorderlicht geeft zacht en constant licht, wat was bedoeld om tabaksbladen te selecteren. Harkema heeft het pand tot ongeveer 2000 gebruikt. Ook nu nog is van binnenuit het zaagtanddak goed te zien, evenals op de foto via Google-earth.

Na 2003 is Brasserie Harkema hier gevestigd. Het stond voor een eigentijdse versie van de klassieke Parijse brasserie. Oprichter en eigenaar was Michiel Kleiss. De inrichting is een ontwerp van Prast/Hooft. De brasserie is per 1 juli 2016 opgeheven.
In september opende hier De Bierfabriek. Zij hebben een deels nieuw interieur, stoer en industrieel, naar ontwerp van architect Orio Tonini in samenwerking met We can work it hout.

Meer lezen:
Dou, Gijsbert
Gendt, van, A.D.N.
Haarlem, van, Frits: Nes 13-15; Nes 33
Maria Magdalena op het Spui
Nes
Salon des Variétés
Tonini, Orio

Voor het laatst bewerkt: