Prinsengracht 23
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: De Onkelboer
Adres: Prinsengracht 23
Architect: -, -, -, Marc de Reus (2015)
Bouwtijd: ca.1644, 1730, 1790, 2015
Opdracht: Claes Dircksz.(?)

Het pand dateert waarschijnlijk uit het jaar 1644, op kaarten van 1625 is het pand nog niet ingetekend en in een belasting kohier van 1631 wordt er nog geen aanslag opgelegd. De overheersende mode in geveltoppen in die periode is een verhoogde halsgevel. Het is niet duidelijk of het pand een verhoogde halsgevel heeft gehad. Het zou ook een eenvoudige trapgevel geweest kunnen zijn.
Omstreeks 1790 is het pand verhoogd met een rechte lijst en consoles, beide met Louis XVI versieringen en een frontale stoep.
Grachtenpanden hadden meestal een kelder en een pakzolder voor de opslag van handelsvoorraad. Aan het hijswiel en de hijsbalk, die nog in goede staat in het pand aanwezig zijn, is te zien dat ook hier handel werd gedreven.
In de achtertuin van de panden was vaak een secreet (afvoer/toilet) en beerput te vinden. Aan de Prinsengracht 23 stond de beerput in open verbinding met het grachtenwater door middel van een ondergrondse pijp.
In 2015 is het pand verkocht en wordt funderings- en cascoherstel uitgevoerd onder leiding van architect Marc de Reus, gevolgd door herstel van het interieur. Het pand is behoorlijk verzakt en staat zo’n vijftien tot twintig centimeter scheef. Dit geeft aan dat de oorspronkelijke palenfundering van het pand niet meer voldoet. Na verwijdering van de vloer zijn in de grond holle palen geboord die vervolgens worden opgevuld met beton. De nieuwe vloer, die op deze palen komt te rusten, is verbonden met alle wanden van het pand, zodat de nieuwe fundering de neerwaartse krachten overneemt. Tijdens het graafwerk zijn gemetselde gewelven en een waterput gevonden. De raamkozijnen zijn voor zover nodig hersteld en er is monumentaal isolatieglas van zeven millimeter in geplaatst. De onderdorpels van de kozijnen zijn van Belgisch hardsteen, wat een statige uitstraling geeft. Enkele vervangingen door gemetselde exemplaren zijn weer in ere hersteld.

Eigenaren en bewoners
<1621
Lakenhandelaar Jan Martsz. (15xx-1621) is wellicht de eerste eigenaar van het erf aan de Prinsengracht. Hij verkoopt het erf in 1620 aan zijn schoonzoon Jan Gerritsz. Hooft.
1620
Jan Gerritsz. Hooft is geboren omstreeks 1584. Hij trouwde in 1606 of 1607 met Marretje Jansdr. Zij was een dochter van de lakenkoper Jan Martsz. In 1609 kocht Hooft een huis op het Singel buiten de Haarlemmerpoort. In 1629 is hij benoemd als directeur van de Levantse handel, die voornamelijk op Venetië en de kust van Turkije handelde. Zijn vermogen werd in 1631 geschat op fl. 70.000. Hij overleed in 1644.
1622
Hendrik Biermans, een zijdereder, werd op een onbekend moment eigenaar van het erf. In 1622 verkocht Biermans evenwel een erf van 70 voet, negen duim breed en achter 70 voet, zeven duim met een achterwoninkje aan Claes Dircksz. Zijn buren worden Claes Pietersz, houtkoper, aan de zuidzijde en Jacob Jansz., kistenmaker, aan de noordzijde.
1622
Claes Dircksz. van Oossaen, was van beroep waagdrager. Claes was volgens de verkoopakte uit 1622 ook de eigenaar van het daarachter gelegen erf aan de Keizersgracht.
1645
Scheepstimmergezel Claes Dircksz kocht op 10 januari 1645 huis en erf tegenover de Noorderkerk (het huidige nummer 23) voor 4.850 gulden.
1647
Bewoners zijn Jacob Claesz. en Marcus Jansz., een pasteibakker. Zij betalen een jaarlijkse huur van 165 gulden.
Jacob Claesz zou de zoon van Claes Dircksz. kunnen zijn, maar dat wordt niet duidelijk.
Marcus Jansz. was in 1613 getrouwd met Lijsbet Tonisz. of Egberts, mogelijk de patroniemen van respectievelijk haar vader en moeder.
De volgende eigenaar is Claes Dircksz. Haring van Oossaenen, waarschijnlijk door vererving. Hij was koopman, 24 jaar oud, en op 15 juni 1663 getrouwd met de 28-jarige Giertje Jacobs Hoogsaet (ca 1635-1705) van de Haarlemmerdijk. Hij was de zoon van Dirck Arisz van Oossaen, koopman op Scandinavië, wonende op de Nieuwzijds Achterburgwal, nu Spuistraat. In 1669 en 1670 is Claes Dircksz. Haring met Hendrik Roeters, schepen, koopman en brandewijnbrander, betrokken als bevrachter bij de walvisvaart op Groenland. Hij laat in de laatste jaar ook zout uit Nantes in Frankrijk naar Amsterdam halen.
Claes Dircksz. Haring van Oossaenen overleed ongeveer 1681 en zijn weduwe werd eigenaar van de Onkelboer. Zij stierf in 1705 waarna hun zoon Nicolaes (1671-?) het pand verwierf.
1710
Claes Dircksz. (Nicolaes) Haring, trouwt in 1709 in Abcoude met de 30-jarige Maria Fruyt. Deze houtkoper verkocht het pand met “de Onkelboer in de gevel” aan zijn tante, Giertje Dircks Oossaan, op 9 mei 1710 voor 9.000 gulden.
Giertje Dircks was in 1688 getrouwd met de stuurman Johannes of Jan Subbing(h) uit Buiksloot. Johannes Subbing woonde bij zijn huwelijk op de Brouwersgracht en maakt meerdere reizen voor de VOC naar Batavia. Bij een van de reizen zal hij bij een scheepsramp omkomen. Giertje overleed in 1711 en wordt vanaf de Prinsengracht begraven. De erfgenamen verkopen het pand op 15 september 1730 voor 15.600 gulden aan Jan Bitter.
1730
Jan Bitter was suppoost van de Weeskamer, een stedelijke instelling die het geld van de wezen beheerde tot zij volwassen waren. Hij trouwde in 1721 op 25-jarige leeftijd met de 30-jarige Elisabeth Boursse. Hij kocht het pand met de Onkelboer in de gevel in 1730. Het was blijkbaar bedoeld voor de verhuur, want in 1742 woonde Abraham van Theenen, een koopman in het pand. Van Theenen was getrouwd met Elisabeth Blok.
Een inpandige verbouwing dateert waarschijnlijk uit deze periode, toen veel grachtenpanden met een achterhuis werden uitgebreid. Of Bitter of Van Theenen is de opdrachtgever van het schoorsteenstuk in de achterkamer, met de typische kenmerken van de Rococo (ca 1730-1740).
Uit het Kohier van de Personeele Quotisatie, een inkomstenbelasting die werd ingevoerd rond 1740 om de oorlog met Oostenrijk en Frankrijk te financieren, blijkt dat Van Theenen een dienstbode heeft en 460 gulden huur per jaar betaalt.
Jan Bitter stierf in 1759. Hij woonde op de Keizersgracht bij de Leliegracht. Zijn weduwe woonde bij haar dood in 1768 op de Keizersgracht bij de Wolvenstraat.
1769
Op 22 februari 1769 is het pand verkocht. De gevelsteen met “de Onkelboer” was misschien verdwenen, want er werd geen melding meer van gemaakt in de koopakte.
Hendrik Gleuwink (1706-1779) was een beschuit- of koekbakker uit Reda (Pommeren). In 1734 werd hij poorter en trouwde met de 30-jarige Delia Beuvink (?-1758) uit Goor. Bij een grote verkoop van tuinbeelden, groepen en vazen op het kasteel Keukenhof in 1746 lijkt Gleuwink in opdracht van een Amsterdamse liefhebber te handelen zoals uit het verkoopverslag blijkt: “No 6: Een uijtmuntend fraai kindje, verbeeldende een jonge Bachus, door Alexander van Papenhoven, hoog circa 3voet, op een pedestal van 3 voet” “Deze 40-jarige Hendrik Gleuwink koopt nog meer beelden, de nummers 12, 21, 26, 30, 45 en 46. Bij 30 en 46 wordt "Amsterdam" aan zijn naam toegevoegd. Dit kan geen ander zijn dan de vrij eenvoudige, eerzame koekenbakker Hendrik Gleuwink, die blijkens het kohier van 1742 in de Vijzelstraat woonde (wijk 58, verpondingsnummer 4390), gequalificeerd was in het zoutpakhuis en getaxeerd werd op een inkomen van 1.000 gulden. Waarschijnlijk heeft hij slechts voor een derde als stroman gediend.”
Het echtpaar Gleuwink verhuisde na 1742 van de Vijzelstraat naar de zuidzijde van de Lindengracht, in het pand ‘Lands Welvaren’, met een aangrenzende beschuitbakkerij. De bakkerij was gelegen bij de Zaterdagse Brug. In 1794 kocht zijn zoon Gerrit de beschuitbakkerij met de achterliggende huisjes weer terug.
Delia Beuvink stierf in 1758. In 1760 hertrouwde Hendrik Gleuwink met Grietje Harms en trok bij haar in op de Haarlemmerdijk bij de Oranjestraat. Hij kocht het pand op de Prinsengracht in 1769 van de weduwe Bitter, maar het was mogelijk bedoeld voor zijn kinderen of voor de verhuur, want hij kocht in hetzelfde jaar ook een pand op de Haarlemmerdijk. Grietje Harms stierf in 1774. Hendrik overleed in 1779 en werd, evenals zijn eerste vrouw, begraven in de Noorderkerk.
Ca.1796
Zijn zoon Gerrit Gleuwink (1740-1811) was in 1763 getrouwd met Anna van Sas. In 1790 trouwde hij met Suzanne Charron. Hij woonde toen op de Haarlemmerstraat bij de Eenhoornsluis. In 1796 woonde Gerrit op de Prinsengracht.
Op 3 mei 1797 werd Gleuwink genomineerd voor de municipaliteit, de voorloper van de gemeenteraad. Hij zal voorgedragen zijn door de wijkvergadering en wellicht overlegd hebben met Daniel Arbman, zijn buurman, die zeer actief was in de politiek en in 1795 en een rapport samenstelde voor de burgemeesters. Er volgden nieuwe benoemingen op 19 januari 1798 en de strijdbare Gleuwink kreeg een zetel. Na zes weken, op 15 maart, moesten de radicale leden hun zetel al weer opgeven.
Een jaar na het overlijden van Gleuwink wordt op 17 mei 1812 in zijn huis een kostbare boedel geveild bestaande uit meubels, spiegels, tapijten, schilderijen, prenten, kristal, porselein, serviezen en juwelen.

1816
Johannes Steffelaar, geboren 1768, was de zoon van Cornelis Steffelaar (1732 – 1807) een schilder en glazenmaker uit Ankum (D) met de naam Steffler. Johannes was net als zijn vader en grootvader schilder/glazenmaker. Hij huwde met Maria Johanna Bon op 16 augustus 1795. Het echtpaar kreeg tien kinderen. Steffelaar laat op 26 februari 1816 het pand Prinsengracht 23 voor fl. 5.055 kopen door een makelaar. Hij overlijdt er op 9 januari 1821, 52 jaar oud. Johannes woonde slechts 5 jaar op de Prinsengracht en laat het pand na aan zijn kinderen.
1822
Cornelis Steffelaar (1797-1861), de oudste zoon, doet aangifte van het overlijden van zijn vader. Hij is naast glazenmaker, ook landschapschilder en etser. Cornelis huwde op 15 mei 1828 Magdalena Cornelia Schade van Westrum. Zij gaan aan het reizen en laten het huis over aan zijn broer Jacobus Willibrordus Steffelaar (1802-1871).
1828
Uit het Bevolkingsregister blijkt dat Jacobus Willibrordus in 1851 het pand bewoont met Catharina Maria Sauveur (geboren 18 januari 1812 in Rotterdam), een vriendin of gezelschapsdame, maar ook met een dienstbode. Jacobus Willibrordus Steffelaar stierf op 15 december 1871. Hij had geen kinderen. Het pand vererfde op zijn ongetrouwde nicht.
1871
Anna Maria Steffelaar (1836-1887) is de nieuwe eigenaar. Zij is de ongehuwde dochter van Nicolaas Steffelaar, een oudere broer van Jacobus Willibrordus. Hij was in 1827 getrouwd met de 18-jarige Maria Clasina van Tonnengen. Nicolaas Steffelaar woonde op het Singel 51. Het echtpaar kreeg zes kinderen. Een baby, geboren in 1834 stierf na 16 maanden. In augustus 1839 stierf zijn 30-jarige vrouw. Hij kreeg hulp van zijn schoonzuster, Anna Maria van Tonnengen bij de opvoeding van vijf jonge kinderen:
*Johannes Steffelaar (1828-1902) trouwt in 1851 met Anna Cornelia Sauveur. Hij is kunsthandelaar, architect en schilder.
*Cornelia Anna Steffelaar (1831-1902) trouwt in 1865 met Johannes Jacobus Boldoot (1820-1902).
*Cornelis Steffelaar (1832-1895), behanger en stoffeerder in Zeist, trouwt in 1864 met Sibilla Petronella Geertruida Beek.
*Anna Maria Steffelaar (1836-1887) is ongehuwd. Zij bewoonde met haar tante en pleegmoeder, Anna Maria van Tonnengen (1814-1886) het pand Prinsengracht 23.
*Jacoba Catharina Steffelaar (1839?-1913) trouwt in 1862 met Theodorus Gijsbertus van de Ven Sauveur.
Ook Anna Maria overlijdt in het pand, dat inmiddels onderhands is verkocht aan haar broer Johannes Steffelaar, en haar zuster Jacoba Catharina.
1881
Johannes Steffelaar (1828-1902), woonachtig in Den Haag, wordt eigenaar van Prinsengracht 23. Zijn zoon, kunstschilder Nicolaas Steffelaar (1855-1918), is leraar anatomie aan de kunstacademie in Den Haag. Hij trouwt in 1901 met Charlotte W.Doorman. In 1904 vindt er een scheiding van de boedel plaats.
1904
Jacoba Catharina Steffelaar (1839?-1913) verdeelt het pand onder haar negen kinderen. Haar kinderen laten in 1915 de erfenis splitsen. De nieuwe eigenaressen zijn hun nichten, de zussen Boldoot, kinderen van Cornelia Anna Steffelaar (1831-1902) en Johannes Jacobus Boldoot.
1913
Johanna Maria Boldoot (1866-1930) is in 1888 in Utrecht getrouwd met Gerardus Laurentius Marinus van Es (1860-1943) een tabakshandelaar uit Rotterdam. (Zijn moeder was Maria Anna Sauveur.) Er zijn hechte familiebanden tussen de families Steffelaar en Sauveur en tussen Steffelaar en Boldoot. Het pand was tot 1920 in handen van de families Van Es, Steffelaar en Boldoot.
Omstreeks 1900 zijn L.J.W.Sassen, een reiziger, afkomstig uit ’s Hertogenbosch en de weduwe Korff bewoners.
1920
Het pand wordt gekocht door Richardus Johannus Maria van Ginkel (1863-1930). Hij is wijnhandelaar en de zoon van een makelaar wonend op de Oudezijds Achterburgwal (Kleinnummer 491). Van Ginkel is op 2 juni 1892 getrouwd met Grietje de Jong uit Joure, Haskerland, dochter van een bakker. Na de koop van het pand wordt Van Ginkel lid van de deftige heemschutvereniging Amstelodamum. Bij zijn overlijden op 14 februari 1930 erven zijn beide dochters Dorothea Johanna en Josepha Maria van Ginkel het pand.
1949
Bewoner is Antoine T.M.Spaanjaars getrouwd met Katriena Schrijver.
1964
Hendricus C.Bannenberg, een koopman, woonde eerst op Prinsengracht 27. Hij kocht het pand in juni 1964 en verhuisde in februari 1965. In 1969 gaf hij opdracht tot een verbouwing, waarbij de keuken van het achterhuis naar het voorhuis is verplaatst.
2015
Dros, administrateur (eigenaar).

Meer lezen:
Bacchus
Kleinnummer
Reus, Marc de
Schepen
Suppoost Weeskamer
Waagdrager
Zijdereder

Voor het laatst bewerkt:08-mrt-2018