Willemsstraat (Goudsbloemgracht, Fransche Pad)
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Voor 1750.
Voor 1612 heeft de sloot, die na de demping Willemsstraat gaat heten, aan beide zijden een andere naam. de tegenwoordige evenzijde is dan het Oude Fransche Padt, de huidige onevenzijde is het Vrijdomspadt. Bij de stadsuitbreiding van 1614 (Derde Uitleg) krijgen de sloot en de paden op 5 september 1614 de naam Goutbloemsgracht. Tot halverwege de 18de eeuw blijven de bewoners voor de noord- en de zuidkant van de sloot de afzonderlijke namen gebruiken. Het Oude Fransche Padt en het Vrijdomspadt. Die laatste naam gaf aan dat het pad buiten de stadmuur lag en zodoende ‘vrij’ gebied was. Het Oude Fransche Padt was genoemd naar Frans Dirksz, een wagenaar. Hij leefde begin 17de eeuw en verhuurde karren, vigilantes en janpleziers en werd in de wandeling Ouwe Frans genoemd. Hij liet zijn paarden weiden op een stukje land buiten de stadspoort. Van het pad daarheen was hij de belangrijkste gebruiker: vandaar ‘Ouwe Frans z’n pad’. Het Ouwe Franssenpad liep door over de Brouwersgracht tot de Haarlemmerdijk. Op den duur raakte die naamsoorsprong in de vergetelheid en waren velen van mening dat dit een pad was waar ooit veel Fransen woonden.

Tot 1857.
De paden kregen de naam Goudsbloemgracht, maar het water bleef een smalle sloot, zonder beschoeiing, nooit beplanting waardig gekeurd. Bouwvallige huisjes verschaften onderdak aan een bevolking, die in slechte reuk stond. Tot diep in de 19e eeuw hield de Goudsbloemgracht stand in deze verwaarloosde toestand en was hiermee het stiefkind van de Amsterdamse grachten, de 'Herengracht zonder bomen' werd ze spottend in de volksmond genoemd. In 1775 telde de Goudsbloemgracht maar liefst 57 gangen. Er wordt overigens wel verondersteld dat de vele gangen die we hier, maar ook elders in de stad, tegenkomen bedoeld zijn om het erf aan de achterkant te ontsluiten, de achteringang of leveranciersingang. In aanmerking genomen dat de dichtheid van gangen om het huis tot om de drie huizen voorkomt lijkt dit een aannemelijke verklaring. De Goudsbloemgracht wordt als eerste gracht in de Jordaan gedempt.

Na 1857.
Na de demping in 1857 werd de Goudsbloemgracht de Willemsstraat. Het verhaal wil dat het gemeentebestuur zo lang nadacht over een nieuwe straatnaam, dat de Oranjegezinde Jordaners zelf maar een straatnaambordje ophingen, met de naam van de koning. De inwijding van de straat vond plaats op 24 augustus 1857, de verjaardag van de overleden koning en zo kreeg de straat haar naam. Op dat moment was de kleinzoon van koning Willem I, koning Willem III aan de macht. Aanvankelijk heette de straat Willemstraat, maar na 1909 sloop er een extra ‘s’ in, in 1918 werd de naam officieel Willemsstraat.

Zoals al vermeld was er aan de Goudsbloemgracht en later Willemsstraat een overvloed aan gangen en sloppen waar vele tientallen gezinnen overleefden. In een jaarboek van Amstelodamum is een complete lijst van gangen in heel Amsterdam gepubliceerd met de kleinnummers van 1796. Een omnummeringstabel helpt om de huidige nummers bij benadering te vinden. Wat niet helpt is het bestaan van een slop in een slop en het veranderen van de gangnamen. Toch willen we een poging doen om de gangen die in 1875 nog bestaan in de straat te plaatsen.
1 Nooitgedacht of Noordduin (vervallen)
3-9 Zevenkattengang
11-13 (1-15) Willem-Bakkersgang
4-6 Zwarte Paardsgang (Paardengang) later Sajetgang
14-16 Krakelingengang (vervallen)
16-20 Duifjesgang
17-19 Koelmansgang (vervallen)
21 Blauwkuipersgang (in 1875 vervallen)

24-66 De Wijdegang vormde een zigzag lopende doorgang naar de Palmstraat. Deze gang had aan een van de binnenhoeken nog een doodlopende slop, al van zeer oude datum. Op de oudste kaarten van de Jordaan is deze gang al te vinden. In 1876 telde de gang nog twintig huisjes; een terrein vol krotten en sloppen met alle denkbare gebreken. Zelfs onder de aan slechte woontoestanden gewend zijnde bewoners was de Wijdegang berucht en alom bekend als de 'Rottige Steeg'. Nog tot 1921 bleven delen van de Wijdegang bewoond. In 1922 werden alle krotten opgeruimd en verrees in 1926 in de Willemsstraat 24 een zittingslokaal en polikliniek van de GG&GD in Amsterdamse School-stijl. In de Palmstraat 9-13 werd op deze plek in 1923 Kleuterschool no.33 gebouwd, later opgegaan in de Palmschool. Het ontbreken van de nummers 25 Naaldenmakersgang, Zevennaaldengang
29 Tuitgevel uit 1840.
36-108 in de Willemsstraat herinnert aan de Wijdegang.

35-41 Wildemansgang. In de Willemsstraat 31-41 is nog altijd de Vereeniging tot Heil des Volks te vinden, in 1855 opgericht door dominee Jan de Liefde, voor evangelisatie, onderwijs (37 Bewaarschool) en sociaal werk. In de volksmond heette de vereniging ‘Het Heil’. Jan de Liefde verhuisde in februari 1849 naar Amsterdam, waar hij, getroffen door zowel de geestelijke als de materiële nood van de Jordaners, zijn evangelisatiewerk begon ‘met een turf onder zijn ene arm en een Bijbel onder de andere’. Tijdens een wandeling benaderde hij ene mevrouw Schouten, die bezig was met het schoonmaken van viskisten, met de vraag of hij Bijbellezingen in haar huis mocht houden. Dat mocht. Aanvankelijk was er niet veel belangstelling. De eerste samenkomst werd bezocht door drie vrouwen en een blinde orgeldraaier, maar al snel trokken de Bijbellezingen aan de Goudsbloemgracht honderden luisteraars. In 1853 startte De Liefde een evangelistenschool, waarvan de cursisten ’s avonds in de arme buurten van Amsterdam evangeliseerden. De Liefde had veel contacten met Het Réveil, een opwekkingsbeweging binnen de kerk, maar stond erg kritisch tegenover het instituut kerk. Om aan alle Nederlanders het evangelie te kunnen prediken, richtte hij in 1855 de landelijke vereniging Tot Heil des Volks op. In 1856 stichtte hij in Amsterdam een Vrije Evangelische Gemeente.
49-53 Kombuismakersgang nu Kombuizengang
52 Krakelingengang
61-63 Wieldraaiersgang
65-67 een blok volkswoningen voor de Woningmaatschappij Oud Amsterdam, ontworpen door Christiaan Bernard Posthumus Meyjes sr.
66-72 Boter-en-kaasgang. In het register van 1796 is deze gang opgenomen als Kaas-en-broodsgang
69-77 Lange-Aachtengang
72-82 Lubbertjesgang in 1720 Lobbetjesgang

83 Gevelsteen Savoyekool 1696 in vernieuwde klokgevel.
83-85 Dubbeldegang of Jeneversgang, Slagersgang
84-92 Lange Siewertsgang ook Sieperschegang nu 86-86A

92-110 Het Klooster of Mosterdpotgang. In deze gang had de Oranjevriendenkring een vergaderkamer. Wanneer de Oranjevereniging in de straat werd opgericht is niet bekend, maar wel vast staat dat de straat, na de demping van de Goudsbloemgracht, op hun verzoek in 1857 werd vernoemd naar koning Willem I. De bewoners van de Willemsstraat waren vrij koningsgezind hetgeen voor de toenmalige koning Willem III aanleiding was om zijn jaarlijks bezoek aan de Amsterdam af te sluiten met een rit door de Willemsstraat. Zijn opvolgers Emma, Wilhelmina en Juliana zetten die traditie voort.
Bij een bezoek van koning Willem III toonden de Jordaners hun aanhankelijkheid. Van hun schamele inkomen hebben de Jordaners de koning een sierlijk bewerkte beker met deksel aangeboden, waarop staat gegrift:
Bewijs van liefde en gehechtheid van de bewoners der Willemstraat
aan onzen beminden Koning Willem III
Amsterdam, April 1861
Een krant schreef hier op een vals romantische toon het volgende over: 'Een traan blonk in 's Konings oog. 't is mij aangenaam sprak de Koning, mij midden onder mijn volk te bevinden. Hij bezocht enige schamele woningen, in eene waarvan de huismoeder de wasch in orde bragt, dat zijn de uren, welke men nooit vergeet.'
Volgens de overlevering was het deze Oranjevereniging die op het idee kwam om prinses Wilhelmina bij haar inhuldiging in 1898 een gouden koets te schenken.
95 Vinkengang
101-107 Stroogang (Pijpenbrandersgang)
112-124 Sleepersgang
113-121 Metselaarsgang nu Zevennaaldengang
123-133 Vogelstruisgang
128-140 Verwersgang
135-137 Dubbelde-Sterrengang
139-141 Verbrandegang

143-147 In 1868 bouwde de 'Stichting voor den Ambachtsstand - Constantia Woningen' naast het hofje op 149-155 nog 12 woningen (145 en 147). Waarschijnlijk in 1873 volgden de vrijwel identieke woningen aan de Willemsstraat 143. Allen gebouwd naar ontwerp van architect Peter Johannes Hamer.
149-165 Roohartengang na 1796 Roohanengang. In 1863 verrees hier het Constantiahofje, 36 woningen naar een ontwerp van Peter Johannes Hamer. De Constantia woningen werden gebouwd voor minvermogende werklieden ouder dan 60 jaar die minstens twaalf jaar bij één en dezelfde patroon in enig vak van nijverheid waren werkzaam geweest. Zij konden hier vrij van huur wonen. Het statige complex is uitgevoerd in een neoclassicistische stijl met decoraties geïnspireerd op de Hollandse renaissance. De woningen worden gerangschikt onder de noemer ‘filantropische woningbouw’ en staan bekend als Hamerwoningen.
De 'Stichting voor den Ambachtsstand - Constantia Woningen' werd in 1863 opgericht als onderafdeling van de 'Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse te Amsterdam' (VAK) door de voorzitter Joshua van Eik. De stichting werd vernoemd naar zijn vrouw Constantia van Loon en was speciaal voor de bouw van deze woningen. In 1878, na het overlijden van het echtpaar Van Eik, kreeg de stichting de naam 'Vereeniging Van Eik Stichting-Constantia-Woningen'. Zij beheerde het hofje tot 1921 waarna de woningen werden overgedragen aan de VAK. De bejaarden die er toen nog woonden, mochten er tot hun dood vrij van huur blijven wonen. In 1962 alle aandelen van de vereniging, op één na, aan de gemeente Amsterdam verkocht. In 1973 volgde de overdracht door de VAK van het beheer en onderhoud van al haar vastgoedbezit aan het Woningbedrijf Amsterdam. In 1984 zijn de woningen door de gemeente Amsterdam gekocht. Bij de renovatie tussen 1980 en 1900 werden de plattegronden ingrijpend gewijzigd. De oorspronkelijke eenkamerwoningen zijn toen samengevoegd tot grotere eenheden.
Het Gemeentelijk Woningbedrijf Amsterdam is in 1994 geprivatiseerd in de Stichting Het Woningbedrijf Amsterdam. Tussen 2004 en 2014 fuseert deze stichting met woningcorporaties in Amsterdam, Almere, Haarlem, Haarlemmermeer, Noord-Kennemerland en Weesp tot de huidige Stichting Ymere.

159 Bakkersgang
160-176 Woningen gebouwd naar ontwerp van architect P.J.Hamer.
161 Wortelboerengang
154-156 Bakkersgang tot 1796 Mooimeisjesgang
166 Sterrengang
167 Morianengang
168 Boommakersgang

172 Onvolmaakte Scheepjesgang
173–185 Boerengang of Beerengang. Aan deze gang staan nog twee pandjes met ieder twee krotwoningen van elk ca 22 m2 die tot eind 1934 werden bewoond. Hoe oud ze zijn, is niet bekend.
182-184 Rozenboomsgang. Op deze plaats en de naastgelegen Truffelsgang is nadien de Openbare Lagere School (Armenschool) nr.15 gebouwd.
190 Schoentjesgang
194 Brillengang of Brillenhof in 1875 vervallen
202-218 Moddermansgang
204-210 Opvallend is het nieuwbouwpand uit 2010. Het is in opdracht van woningcorporatie Ymere ontworpen door de bekende illustrator Joost Swarte. Bij de oplevering heeft Swarte samen met zijn gezin een maand proef gewoond in een van de luxe appartementen.
212 Akerslootsgang
214-216 Sloterdijksgang

De bouwverenigingen Constantia Woningen (1863) en de Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse te Amsterdam (1854) vervingen in de 19e eeuw in deze omgeving veel krotten door kleine arbeiderswoningen. Andere bouwverenigingen in deze straat waren het Gemeentelijk Woningbedrijf Amsterdam, woningbouwvereniging Zomers Buiten, Woningmaatschappij Oud-Amsterdam NV en de Stichting voor den Ambachtsstand, nu allemaal ondergebracht bij Ymere.
Daarnaast zijn in 1852 de volgende gangen al vervallen (hier is het kleinnummer van 1796 gebruikt, deze komen niet overeen met de huisnummers van 1875):
15 Oude-Schiemansgang tussen Duifjesgang en Wijdegang
41/42 Truffelsgang, naast Rozenboomsgang
55/56 Wijntjesgang tussen Moddermansgang en Akerslootgang
72/73 Vier-Heemskinderengang tussen Wortelboerengang en Morianengang
74/75 Gruttersgang tussen Wortelboerengang en Morianengang
78/79 Aalsmeerdergang tussen Roohartengang en Bakkersgang
84/85 Lichtermansgang tussen Vogelstruisgang en Dubbelde-Sterrengang
85/86 Rottegansgang of Rozenboomsgang tussen Vogelstruisgang en Dubbelde-Sterrengang
112 Kunstersgang of -hofje tussen Wildemansgang en Kombuismakersgang
116/117 Zalmkoopersgang tussen Eerste Goudsbloemdwarsstraat en Wildemansgang
- Paternostergang tussen Stroogang en Metselaarsgang
- Tollengang tussen Dubbelde-Sterrengang en Roohartengang

Israël Querido (1872-1932), afkomstig uit een arm Joods gezin, schetst in zijn boek ‘De Jordaan’ (1912) met de volgende beschrijving een beeld van de Wijdegang aan de Willemsstraat dat voor een groot deel aan de werkelijkheid van 1911 en eerder is ontleend. Om dat te kunnen doen ging hij in 1906 voor een paar jaar in de 1e Goudsbloemdwarsstraat wonen. Iedere dag zat hij in café Manke Gerrit op de hoek van de Willemsstraat te luisteren naar de Jordaners.
‘Als een verdonkerd en in groezelige schaduw versomberd pad-brok, schroefde zich, met twee uitspringende kronkels, de Wijde Gang van de Willemsstraat naar Palmstraat. De rottende huishokken leken door ene wervelwind scheefgewaaid en op elkaar molmend muursteen verzakt en bijeengezonken. De kleierige, nu in de hitte uitgedorde grond, dampte stanken af van neergeworpen vuil der slopbewoners, het mesthoopachtige vervuilingsgrauw der gevels duister vlakkerig en liet ramen uitschemeren, als zieke ogen van melaatse huizen. Het verkleurde hout der verfloze kozijnen, molmde en rotte tezelfder tijd dat de hokken door mensen bewoond werden. Van alle kanten leken de scheefgezakte muren asvaal.
In de zich kronkelende aansnijdingen krompen, onder een scheemrig duistere poortgeul, een groepje slopkrotten, als vochtige zwarte kolenketen, met uitgevreten en vergane vensters en kozijnen, in een lichtloze hoek weggedrongen. De stukgeslagen ruiten waren vervangen door donker smerige planken, in de sponningen getimmerd. De bovenverdiepingen stonden voorover in een vaalgrauw schemerlicht, een vals daggrauw van onderschepte zon, met geheel naakte en verbrokkelde, ruitloze ramen. In deze kronkel van de Wijde Gang waren nog meer dan honderd mensen, gezinnen met kroost, bijeengekropen, vergaand in eigen nooit beredderd vuil. Een zoetige neerslag vochtigde als een natte rook over de gewonde gevels.

Door het geulpoortje walmde een zwartig gesmoord licht, dat uit de verte terugsloeg van snijding en gang en de mensen achter het poortjesverschiet, ver en verkleind liet zien als een bleek schimmenspel, half uitgewist op een fond van smoelige muren. Voor de donkerende, kelderachtige verzinksels en ramen-schemer van de Wijde Gang, krioelden haveloze kinderen in huiverige kleur-verdroeving van hun sjovel lompenvuil. Een straal zon goot schuim en waaierslag witschroeiend vuur over driehoog-vensters bij de eerste kokerige slopkronkel van de gang.
Een walgelijke broeiing van armoestanken wasemde uit de volgemorste goten op naar de bovenbewoners, achter en voor, die over hun droogstokken en armelijke bloempotjes, de vensters uithingen, het drukke Ganggeleef van geburen de ganse dag met bemoeizucht en in nieuwsgierigheidsziekte, beloerend en behekelend. Van de loodrecht of smal-smalle wenteltrappen, vol ingedroogd smeer, as en eetvuil, zonder deur en optrektouw, holden al meer morsige kinderen aan, als een vieze, ontredderende zwerm bijeenkruipend in spel, met hun vaalkleurige mengeling van rottende lijfklompen, schreeuwend en hun schelle stemmen lawaaiend door de gang. Op de zoetig stinkende, in hitte verdroogd zanderige grond, dampten en broeiden hoopjes neergeworpen klieken. Haring- en bokkingkoppen, visgraten, as en groenteafval rotten door een, werden nu en dan alleen omgewoeld door grabbelende kinderen of hongerige honden.

In deze zieke darmgang van de Willemsstraat kropen door ieder krot, melaatsheid en mensenbeschimmeling een slijmerige weg van walgelijke vervuiling af. Er klonk in dit afzichtelijke hol, overbevolkt, waar de schepsels elkaar zure adem opzogen en op elkaars tronies leefden, op ieder uur van de dag en de avond, hees gereutel van afgematte dronkaards; gehuil, gejammer en geschreeuw van geranselde, verwaarloosde of spelende kinderen; woedegekrijs van gekrenkte vechtlustige vrouwen, die elkaar de haarspelden over het gezicht scheurden. De kinderen, in beestelijke onbewustheid opgroeiend, bevochten elkaar met de liederlijkste woordvuilheid. In dit hel-hol doolden schemers rond van beangstigend sluip-tred; ontbloeiden morgens van heel vroeg zonleven, voor een uur afzichtelijke luister van gouden schijnsels neerprijkend over de rottende ellende-krotten en ingezonken bedakingen. Misdaad en hoererij, verdoken achter stuitende haveloosheid. Het leven der slopgangers kreunde in halve verhongering, of brandde in schaamteloze zinnen-driftigheid uit. Allerlei slag van volk broeide in de schaduw der lage gangkrotten saâm.
Achter de half of driekwart gebroken ruiten, opgekneld tussen de lage, vochtige muren van hun met wandluizen overkropen kamers, leefden verongelukten, dagloners, straatzangers, werkeloze schooiers, orgeldraaiers, stoelenmatters, kermisgasten en verzopen zwervers. In de schemer van de Wijde Gang, doken tronies op zoals ze nergens anders in de Jordaan gezien werden. Afstotelijke wrede gezichten, met de verzwegen misdaad in de gemene ogen. Al het verliederlijkte zoog de Wijde Gang in, als een veilig pad voor schurftig bestaan. Om de wijd-Gang bewoners huiverde een sfeer van melaatse uitgeworpenheid. Het nachtelijk-verborgene en verrottende-afgrijselijke van ontucht en verdierlijking omving deze buurt. De zotse Jordaan-pais, Torbecke, de naaktloper, verbraste er zijn roekeloos bestaan. Nergens werd er bloediger en schenniger en wraakgieriger gevochten dan in deze duistere straatdarm, terwijl de verbeestelijking er rondtierde in vreesloze onbewustheid. Dronkenschap, armoede en vuil besmetten al hun daden en woorden.

Er werd onder de Gangbewoners geleefd in de ongekrenkte rauwheid van hevige instincten. En tussen levensbeschimmeling van honderden verwilderde en vervuilde gezinnen, leefde in het deel naar de Willemsstraat toe, een groep fatsoenlijke kleinburgerfamilies, die de buurt door en door kenden. Van vader op zoon waren ze blijven plakken, in een woninggroep, een deel van de Gang. Hun front keek uit op de Willemsstraat, en ving nog ruim licht van voor, en van achter uit de Palmstraat. Ze leefden de verzwijning van de Wijde Gang maar half mee. Zij hadden hun broodje en bleven van een nukkeloze rustigheid. De haveloze kindergedrochtjes van het slop zagen ze niet meer. Ze leefden al een halve eeuw rustig tussen de vechtlustige Gang-bevolking en wemeling van trekkende en inslenterende gasten.
Ze kenden het zwerfvolk van de straat en de vaste bewoners. zij werden ontzien als 'nette' mensen, door het gemeenste crapuul; zelfs vond het gepeupel er een eer in, dat zulke oppasende creaturen in hun midden wilden ademen. In het benepen fatsoensbestaan der 'nette' gezinnen, waar 'gewerkt' werd, was dit Gang-leven, met zijn gekrioel van zwervers en ontuchtige gasten, een afleidend vermaak.’

Meer lezen:
Hamer, Peter Johannes
Posthumus Meyjes sr., Christiaan Bernard

Voor het laatst bewerkt:11-nov-2019