Groenburgwal 42-44 / Staalstraat 7
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Staalhof
Adres: Groenburgwal 42-44 / Staalstraat 7
Bouwtijd: 1630

Achter één van Nederlands eerste, mogelijk zelfs de eerste, neogotische gevels, staat een pand dat door de eeuwen heen memorabele transformaties onderging. Stadsbouwmeester Hendrick de Keyser (1565-1621) werkte en woonde precies hier. De Westerkerk, Het West-Indisch Huis en het Huis met de hoofden; allemaal zijn ze op de grond van Groenburgwal 42 getekend. De locatie was handig voor hem als bouwer, want om de hoek bij de Staalstraat/Groenburgwal stond de Stadssteenhouwerij.
Twee jaar na zijn dood ging het gebied op de schop. Verschillende gebouwen moesten tegen de vlakte en maakten plaats voor de Staalhof; een verzamelnaam voor het gebouwencomplex dat het centrum zou worden van de lakenindustrie. Het complex bevatte de Saaihal aan de Staalstraat, de Zijdehal aan de Groenburgwal en de Lakenhal, eveneens aan de Groenburgwal, achter de woning van De Keyser.
In het begin van de 17de eeuw was de lakenindustrie en lakenhandel sterk toegenomen. Om de kwaliteit hoog te houden werd tussen 1626 en 1630 aan de Verwersgracht (de latere Groenburgwal) de Staalhof gebouwd waar de lakenstoffen gekeurd konden worden. Het was een groot symmetrisch gebouw met drie naast elkaar gelegen ingangen en met rechts aansluitend de knechtswoning. De middelste van de drie ingangen voerde naar de Staalhof, een open plein, de linkeringang gaf toegang tot de in 1650 gebouwde Zijdehal en de rechteringang tot de woning van de keurmeester, later tot het glaskopersgild. Achter de knechtswoning van de Staalhof was de Lakenhal gelegen.
Al in 1411 kreeg het droogscheerdersgilde het recht om waardijns aan te stellen, die sinds 1413 zetelden in het oude Stadhuis, waar de lakens werden gekeurd en voorzien van een loodje met het stadszegel. Vandaar dat men sprak van het ‘Zegelhuis’. Het in 1618 ingestelde ‘College van Hoofdmannen en Opzienders van de Lakenhandel’ gaat in wezen tot dit oude college van waardijns of staalmeesters terug. Sinds 1630 zetelden deze in de Staalhof, waar de wollen stoffen werden gewogen, gekeurd, getard en gelood. In die tijd betekende ‘staal’ niet een klein stukje of monster van de stof, maar het gehele stuk, de rol.

Naam: Lakenhal, Engelse Episcopale kerk
Adres: Groenburgwal 42
Architect: -, J.Jansen?
Bouwtijd: voor 1600, 1829
Opdracht: -, Engelse Episcopale kerk

De Lakenhal heeft beneden, benevens de woning met trapgevel van de knecht (aan de Groenburgwal), een groot vertrek waar de lakens gestaald of gelood worden, een binnenplaats waar de lakens vooraf opgehangen en bezien worden, een kamer waar de vijf waardijns der Lakenen (Staalmeesters) op toerbeurt komen om de blauwe en zwarte lakens te keuren en te loden. Hier hangen zes schilderijen van waardijns uit de 16de en 17de eeuw. De vijf waardijns zitten, de knecht staat. Dit vijfhoofdige college van keurmeesters werd ieder jaar op Goede Vrijdag aangesteld. Rembrandt van Rijn legde deze waardijns van het lakengilde in 1662 vast op doek in zijn wereldberoemde schilderij De Staalmeesters. Het doek bleef tot 1771 in het gebouw hangen.
De eerste verdieping heeft twee vertrekken; de één is de vergaderplaats van de vijf hoofdmannen van de Lakenhandel de ander is voor de bijeenkomsten van de overlieden van het lakenbereiders- of droogscheerdersgilde.
Op de bovenverdieping is het vertrek waar de droogscheerders hun proef van bekwaamheid doen. Droogscheren is de bewerking die het laken ondergaat na het vollen, als het nog ruw en ongelijk is. De uitstekende pluisjes worden met een grote schaar afgeknipt, waardoor het weefsel een glad oppervlak verkreeg. Eerst werd daartoe het weefsel gekaard, ofwel opgeruwd met de stekels van een kaardebol. De beste kwaliteit laken was aan beide zijden aldus bewerkt. Dit werd scharlaken genoemd.
In 1771 verleent het stadsbestuur toestemming aan de Engelse Episcopale kerk gebruik te maken van de een deel van de Lakenhal. De Engelse Episcopale gemeente werd in 1698 gesticht. Zij hielden hun eerste kerkdiensten, onder andere, in een bovenzaaltje op de hoek van de Oudezijds Achterburgwal en de Huidevettersloot en later in de Agnietenkapel.

Met de komst van een nieuwe gebruiker van de Lakenhal wordt besloten de zes aanwezige schilderijen te verplaatsen en zo komen ze via het Stadhuis op de Dam bij het Rijksmuseum terecht. In 1806 wordt de kerk uit de Lakenhal verdreven en wordt hier het Zijdewindhuis naar toe gebracht. Het Zijdewindhuis was een werkhuis voor (wees)meisjes en sinds 1682 gevestigd op de zolders van het Stads-Artilleriehuis op het Singel. Omdat de Franse overheerser in 1810 hier een keuringslokaal van de militie wil onderbrengen (nu nog bekend als Militiezaal) moet het Zijdewindhuis wijken. In 1827 wordt deze instelling opnieuw verplaatst, nu naar het Beterhuis aan de (Wetering)Schans.
De Lakenhal aan Groenburgwal 42 werd in 1827-1829 drastisch verbouwd voor opnieuw de Engelse Episcopale kerk. In het toen nog bestaande oude huis aan de gracht voor de Lakenhal heeft Hendrick de Keyser gewoond. De huidige gevel aan de straat is de neogotische opvolger van de voorgevel van dat huis. De eigenlijke ingang van de kerk ligt aan een binnenplaats achter het huis, het voorhuis is ingericht tot pastorie en concistoriekamer. De Lakenhal moest een grote kerkzaal worden en daarom werd de zolder uitgebroken en de vergaderzaal van de staalmeesters erbij getrokken. Het interieur van de kerk is, in tegenstelling tot het exterieur, voor het overgrote deel niet in neogotische, maar in classicistische stijl. Boven het met fraai beeldhouwwerk versierde altaar staat het Engelse wapen, geflankeerd door de leeuw en de eenhoorn. Het orgel, een rijksmonument, dateert uit 1829 en werd gemaakt door Leonard van den Brink. De verbouwing werd geleid door architect J.Jansen, maar het staat niet vast dat hij ook de voorgevel heeft ontworpen. De totale kosten bedroegen circa fl. 8.000,-.

Het grootste deel van het interieur is van na 1895. Rond die tijd liet de kapelaan James Chambers het meubilair restaureren en hij liet eveneens neogotische betimmeringen en lambriseringen aanbrengen.
De vier gebrandschilderde ramen van ontwerper Fik Abbing uit 1929, vervaardigd door de firma W.Bogtman, stellen taferelen uit het leven van stadhouder Willem III van Oranje en zijn vrouw Maria Stuart (1688-1694) voor. Dit raam is een geschenk geweest van een aantal Amsterdamse bankiers en kooplieden en symboliseert de historische verbondenheid tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland. In een tweede raam staan regimentswapens van de Northumberland Fusiliers en het Royal Warwickshire Regiment afgebeeld. Deze twee legereenheden hebben onder Willem III gediend. Een derde raam is in 1930 geschonken door een vriendenvereniging uit de Verenigde Staten. Het raam toont broederschap der volkeren, ook staan de woorden van Johannes 15:12 op het raam: 'Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad'. Het vierde raam werd nog een jaar later geplaatst. Dit raam werd aangeboden door de stad Londen. Het raam is gewijd aan Bonifatius en Willibrord, twee Britse missionarissen, die in wat nu Nederland is, het evangelie verspreidden. In dit raam zijn ook de wapens van Londen en Amsterdam afgebeeld.
In 1966 wordt het zeventiende eeuwse huis aan de gracht gerestaureerd door architect Jacob Dunnebier.
Van 1999 tot 2001 vond een algehele restauratie van de kerk plaats.
De Episcopale of Anglicaanse kerk ontstond als gematigd katholieke geloofsgemeenschap in 1534, toen de Britten zich door een samenloop van omstandigheden afscheidden van Rome. Toenmalig regerend vorst Hendrik VIII wilde van zijn vrouw scheiden en hertrouwen. Daar stemde bisschop Thomas Cranmer, de aartsbisschop van Canterbury, mee in. Dat hij vervolgens door de Paus werd geëxcommuniceerd, kwam Hendrik goed uit. Hij wilde als staatshoofd ook de macht over de kerk naar zich toetrekken. Zo groeide een zelfstandige stroming die soepel omgaat met het huwelijk, het celibaat afschafte en sinds de 20e eeuw ook vrouwen opleidt tot priester en bisschop. Wel handhaafden ze de hiërarchische structuur. Het Engelse koningshuis staat nog steeds aan het hoofd en de aartsbisschop van Canterbury komt daarna.

Naam: Zijdehal
Adres: Groenburgwal 44
Architect: Daniël Stalpaert? of Adriaen Dortsman?, B.de Greef
Bouwtijd: 1641, 1856
Opdracht: -, Gemeente Amsterdam

Dit deel van het complex heeft door zijn uitstraling aan het Staalhof de grootste allure gegeven.
Het is gebouwd aan de Groenburgwal 44 met aanpalend de knechtswoning. Als bouwmeester wordt mogelijk Daniël Stalpaert of Adriaen Dortsman genoemd. De middelste ingang was naar de Lakenhal, later de Engels Episcopale Kerk tot een nieuwe ingang gereed was. De deur links geeft toegang tot de woning van de tweede knecht van de Saaihal, de deur rechts leidt naar de Zijdehal met het comptoir voor de keurmeester, de ontvanger en boekhouder. Boven deze ingang was een afbeelding van een zijdeworm op een moerbeiblad bij een schaal en enige strengen zijde. Hier zetelden de hoofdmannen van de Zijdehal, maar ook de overlieden van het zijdeweversgilde. De hoofdmannen van de Zijdehal waren er zes, twee zijdehandelaars, twee zijdenlakenkopers en twee zijdeververs. Deze keuringshal moest bedrog bij de fabricage van en de handel in zijde tegengaan. De keuringen waren verplicht voor een ieder die in zijden goederen handelde. Wie de keuring van zijn waren verzuimde verbeurde de niet aangegeven goederen en duizend gulden.
Rond 1827 werd ook de Zijdehal aan de Groenburgwal 44 verbouwd om daarna te dienen als kantoorruimte voor gemeentelijke diensten waaronder de politie. Vanaf 1850 tot 1890 was het pand in gebruik als Chemisch Laboratorium van de Gemeente Universiteit. Architect Bastiaan de Greef gaat in 1856 voortvarend te werk met het aanpassen van de gevel aan de moderne tijd waarbij de bovenzijde wordt gesloopt, de poortjes verdwijnen en de gevel strak gepleisterd wordt. Intern worden de ruimte van de politie en het kantoor van de Stedelijke Impost op het Gemaal (een accijns op het broodkoren) grondig verbouwd.
In 1878 breidde het Chemisch Laboratorium nogmaals uit waarbij het carré-vormige binnenplein met de galerijen werd volgebouwd. In 1885 vertrekken zij naar de Roetersstraat.
Vanaf 1890 wordt het gebouw in gebruik genomen door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Ook in 1890 was in het Paleis voor Volksvlijt een ‘Tentoonstelling ter bevordering van veiligheid en gezondheid in fabrieken en werkplaatsen’. Deze tentoonstelling leverde zoveel positieve reacties dat op 1 jan 1893 een permanent veiligheidsmuseum opende in deze voormalige Zijdehal. Het museum verhuisde in 1914 naar Hobbemastraat 22 in een voor hun gebouwd pand van Ed.Cuypers. In 1952 veranderde de naam in Veiligheidsinstituut, in 1987 ontstaat hieruit het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA).
De GGD blijft het pand gebruiken tot 2006 en het pand is dan het bekendst als polikliniek geslachtsziekten.

Naam: Saaihal
Adres: Staalstraat 7
Architect: Pieter de Keyser, B.de Greef, W.A.van der Velde, A.A.Kok
Bouwtijd: 1641, 1856, 1881, 1919
Opdracht: -, Gemeente Amsterdam, Gemeente Amsterdam, Gemeente Amsterdam

De Saaihal is in 1641 verhuisd naar de verlaten Stadssteenhouwerij, waar ze in een nieuw gebouw van twee verdiepingen aan de Staalstraat 7 terecht kwam, gebouwd door Pieter de Keyser. Saai was een groene licht gekeperd wollen weefsel (met een diagonaal patroon) van een minder bewerkelijke soort dan laken en gebruikt voor gordijnen, het bekleden van binnendeuren en kleding van goedkopere kwaliteit. In de Saaihal op de middenverdieping was het vertrek van de keurmeesters. Hier hing een groot schilderij uit 1643 met vier van de eerste hoofdlieden der Saaien en een knecht.
Links van de Saaihal was een ruime toegangspoort waarop een Agnus Dei (Liggend Lam) met vendel. De eerste knecht had zijn woning beneden achter de toegangspoort.
Aan de rechterkant van de Saaihal was een poort met de tekst ‘Int Tarhof’. Dit zou oorspronkelijk ‘’t Aar-hoff’ moeten zijn en vermoedelijk bedoeld als ’t Andere Hof waarheen het laken na afkeuring in de Saaihal vanwege de gebreken was verwezen om door de tarrameesters behandeld te worden. Het Tarhof was geordonneert terzake van vergoedingen der laken die te kort, te smal, met krimpelen, banden, vulkreuken of gelijksoortige gebreken gevonden werden, daartoe ghestelt zijn de tarra-meesters, nevens een notaris om alle gebreken te boek te stellen. Op basis hiervan werden de kortingen, de tarra, berekend. Tarhof kan dus een verbastering zijn van de benaming ‘’t Aar-hoff’ of verband houden met het tarreren. Bij het tarreren werden de wollen lakens nat gemaakt, opgemeten en gekeurd. Dit was onderdeel van het keuringsproces. De naam boven de poort zou later zijn aangebracht.
Met de afschaffing van de gilden in 1798 kwamen de gebouwen leeg te staan.

Circa. 1810-1816 maakt de nieuw opgerichte Raad van Discipline gebruik van het gebouw. Met het vertrek van de Fransen wordt ook de Raad opgeheven.
Vanaf 1817 trekt het Chemisch Laboratorium van de Gemeente Universiteit in de gebouwen aan de Staalstraat.
1848 De politie trekt in een deel van het gebouw.
In 1856 wordt het Chemisch Laboratorium uitgebreid met desastreuze gevolgen voor de Staalhof. De Tarhof was al volgebouwd en de gevel aan de straatzijde voorzien van een driehoekige bekroning met rond venstertje. De lokalen in gebruik bij de politie werden grondig verbouwd. De toegangspoort met de Agnus Dei werd gesloopt en vervangen door een gelijke gevel als de Tarhof. Daarna werd de gehele gevel gepleisterd, dit alles onder de bezielende leiding van gemeente-architect Bastiaan de Greef.
In 1881 vinden er veranderingen aan de onderpui van het perceel plaats onder leiding van architect W.A.van der Velde.
In 1885 vertrekt het Chemisch Laboratorium naar de Roetersstraat.
In 1897 wordt de linkergevel aan de Staalstraat met een verdieping verhoogd.
De Bond Heemschut stelt in 1918 restauratie van de Saaihalgevel, het ontdoen van de pleisterlaag, bij de gemeente aan de orde. Architect A.A.Kok krijgt hiervoor in 1919 de opdracht. Hij herstelde de oude luister met kruiskozijnen en luiken. Van die tijd dateren ook de glas-in-lood panelen in de bovenlichten van glasschilder W.Bogtman en ze stellen de geschiedenis van de Saaihal voor.
In 1954 komen er verschillende gemeentelijke diensten naar de Staalstraat en worden in de beide zijgebouwen toegangen aangebracht.

Meer lezen:
Abbing, Frederik Hendrik (Fik)
Bogtman, Willem
Classicisme (Hollands)
Dunnebier, Jacob
Greef, de, Bastiaan
Jansen, J.
Keyser, de, Hendrick
Keyser, de, Pieter
Kok, Abel Antoon
Neo-classicisme
Neo-gotiek

Voor het laatst bewerkt:08-jun-2020