Nes 57, Enge Lombardsteeg 4, Oudezijds Voorburgwal 300
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Bank van Lening
Adres: Nes 57, Enge Lombardsteeg 4, Oudezijds Voorburgwal 300
Bouwjaar: 1550
Opdracht: Huiszittenmeesters

Op de kaart van Cornelis Anthonisz uit 1544 is noordelijk van het Sint Maria Magdalenaklooster een sloot met een bruggetje te zien. Tot 1354 was deze sloot de grens van de stad, maar daarna niet meer van belang binnen de stad. De zuidgrens is dan door stadsuitbreiding opgeschoven tot de Grimburgwal. Ook in 1550 kampte de stad met een gebrek aan bouwgrond en zo werd besloten tot demping en verkoop ten behoeve van bouwruimte. Het Sint Maria Magdalenaklooster krijgt recht van eerste koop maar heeft geen geld. De Huiszittenmeesters, een instelling voor armenzorg, ziet wel kans het terrein te kopen. Zij startten in juni 1550 met de bouw van een groot turfpakhuis direct tegen de noordvleugel van het klooster. De Oudezijds Huiszittenmeesters vragen aan de stadsregering een vrijstelling van belasting op kuyt (een licht bier) voor de arbeiders die aan het heien zijn. De stadsregering weigert. Hoewel er geen onderzoek is gedaan naar de fundering wordt aangenomen dat deze bestaat uit 1,5 tot 5 meter lange paaltjes van elzen- of berkenhout die nagenoeg aaneengesloten verticaal werden ingeslagen. Deze zogenoemde slieten zogen zich vast in de blubberige bodem en zorgden voor grondverdichting. Ter versterking werden ze in een roosterwerk bijeen gehouden.

Aan de noordzijde kwam het gebouw op de oude kade, de Huiszittensteeg nu Enge Lombardsteeg, te liggen. Aan de zuidzijde werd gebruik gemaakt van de al bestaande noordmuur van het Sint Maria Magdalenaklooster. Wat is er nog te zien van deze bouwactiviteiten? Direct bij binnenkomst van de Lommerd aan de Nes 57 links zijn er nog de 16de eeuwse muurankers in de binnenmuur van de noordvleugel. Met deze muurankers werd het turfpakhuis bij de bouw vastgeklonken aan het bestaande gebouw.
De kelder was in oorsprong ongedeeld. De kruisgewelven worden in het midden ondersteund door 14 vierkanten kolommen. Aan de zijde van de Lombardsteeg zijn hoog kelderlichten aangebracht. Het gebouw is nu, op het paleis na, de grootste bewaarde overwelfde ruimte in de stad. De huidige scheidingswanden zijn van latere datum. Op de kelder kwamen drie verdiepingen bestaande uit een eikenhouten houtskelet. Een houtskelet geeft een aanzienlijke gewichtsreductie. De muren en gevels konden relatief dun zijn.

De kapconstructie bestaat uit drie bouwlagen. Op de bovenste zolder zijn op de balken vele timmermansmerken en telmerken terug te vinden. Op een afbeelding uit 1663 heeft het pand aan de Oudezijds Voorburgwal een middeningang met stoep. Tegen 1700 is de ingang verplaatst naar de hoek bij de steeg. Casparus Commelin laat een overeenkomst met het Magdalenaklooster uit 1550 zien waaruit blijkt dat de Huiszittenmeesters geen ruimte zullen verhuren aan herrie makende beroepen of een ‘dubieuze’ herberg. Kuipers, goudsmeden of buskruitmakers werden hiermee geweerd. Het klooster had bedongen dat slechts oude vrouwen hun intrek in het woongedeelte zouden nemen.

Het turfpakhuis was met zijn gigantische afmetingen (60 meter diep) na de Oude en Nieuwe kerk het grootste bouwwerk in de stad. Dat was ook wel nodig want er was een groeiend aantal gezinnen dat voor bedeling in aanmerking kwam. Overigens besloeg de opslag niet alleen turf maar ook veel andere goederen.
Tussen 1610-1613 lieten de Huiszittenmeesters het Arsenaal (Waterlooplein) bouwen. Het complex verving het turfpakhuis van de Huiszittenmeesters aan de Oudezijds Voorburgwal.

In 1614 was de Stadsbank van Lening opgericht door de stad als antwoord op de woekerpraktijken door particuliere leenbanken. Particuliere beleners vroegen met een gerust geweten een rente van 30 tot 35%.
De bankmedewerkers die onderpanden aannamen en geld verstrekten, moesten schepen van de stad zijn geweest. Bij de opening van de bank bedroeg de rente 16 stuivers per maand voor elke 100 gulden bij het belenen van goederen met een waarde van 100 tot 475 gulden. Voor goederen met lagere of hogere waardes golden andere tarieven. In 1656 werd de rente met 20% verlaagd. Behalve goud, zilver en juwelen, mocht men vroeger ook kleding (vroeger een kostbaar goed) en allerlei koopwaar als onderpand aanbieden. Werd een pand niet binnen een jaar ingelost dan kwam het op de veiling. De opbrengst was voor de bank waarbij de eigenaar recht had op de eventuele winst onder aftrek van rente. Werd dit bedrag niet opgeëist dan kwam het ten goede aan de armenzorg.

Eén van de bekendste woekeraars was Winner Grypal. Hij handelde onder de naam Sion Luz en woonde aan de Grimburgwal, in de voormalige brouwerij De Sleutel, waar hij een bank van lening hield. Hij is als lommerd actief geweest in Dordrecht, Schiedam, Leiden, Haarlem, Amsterdam en Breda. Sion Luz werd in hogere kringen vaak geprezen als weldoener en man van aanzien. Hij rekende ‘slechts’ een duit per geleende gulden per week. Een duit is eenachtste stuiver en dat komt neer op een rente van 32,5% op jaarbasis. Volgens zijn zeggen waren er ook lieden die 20x zoveel vroegen. Dat waren pas woekeraars of Lombarden, hijzelf werd liever aangesproken met ‘Ome Jan’. Toch was het ook bij Luz niet pluis want in de meeste plaatsen probeerde men hem zo snel mogelijk weer pandjesbaas af te laten zijn.
De Stadsbank van Lening werd ondergebracht in het turfpakhuis van de Huiszittenmeesters, niet geheel toevallig in de buurt van Sion Luz. Voor gebruik van het turfpakhuis betaalde de stad jaarlijks fl. 2000,- aan de Huiszittenmeesters.

Op de kaart van Balthasar Florisz (1625) is een nagenoeg onveranderd Maria Margarethaklooster te zien. Toch hebben er wel veranderingen plaats gevonden. Na de Alteratie in 1578 is het klooster officieel in 1579 opgehouden te bestaan. De gebouwen gingen over in handen van het Leprozenhuis en de zusters werden uitgekocht. Zij kregen de beschikking over de noordwest hoek van het klooster om te wonen. Na vertrek van de laatste zusters werd ook dit deel verbouwd tot huurhuizen. De noordvleugel van het klooster tegen het turfpakhuis was opgesplitst in twee riante huizen aan Nes en Oudezijds met daartussen drie kleinere woningen.
In 1616 kocht de stad deze vleugel ‘tot vergrooting des huys van leeninge’ van de Leproosmeesters voor een bedrag van fl. 33.000,-. Er werd verbouwd met gebruikmaking van bestaande materialen. De kap werd voor een deel herbouwd met uit het klooster afkomstige balken. Het pand heeft geen houtskelet maar is geheel van steen. Bij de verbouwing is het op de zelfde hoogte gebracht als het turfpakhuis. In de zuidelijke gevel bevinden zich twee middeleeuwse uit een geheel bestaande vensters die uit het klooster afkomstig zijn en boven een regenpijp is nog een dichtgemetseld boogvormig gat te zien.

Hoewel er geen geschreven bronnen ter ondersteuning zijn wordt algemeen aangenomen dat Hendrick de Keyser nauw bij de verbouwing betrokken was. Er wordt zelfs verondersteld dat de steen met de sierlijk gehakte tekst over de eerste belening van zijn hand is.

In 1664 is het weer raak. De bank kampt opnieuw met ruimtegebrek en moet worden uitgebreid voor de opslag van de vele beleende panden. De behoefte aan deze instelling was dus aanzienlijk. De financiële positie van de bank was prima. Elk jaar werd er geld afgedragen aan de stedelijke kas waaruit onder meer voorzieningen voor de armen werden betaald. Aan het eind van de zeventiende eeuw vermeldt geschiedschrijver Commelin dat de bank over een miljoen gulden kan beschikken. De bij de stichting aangegane leningen voor het startkapitaal zijn al in 1682 volledig afgelost.

Voor de oplossing van het ruimtegebrek is er nog nagedacht over verplaatsing naar de toenmalige rand van de stad en een geheel nieuw gebouw. Uiteindelijk werd besloten dat de bank centraal moest liggen in het centrum want daar was de meeste klandizie te verwachten. In 1664 werd besloten om enkele panden van het Maria Magdalenaklooster die nog in handen waren van het Leprozenhuis te verbouwen. Het moest wel op een koopje want de stadskas was nagenoeg leeg door de forse investeringen voor de stadsuitbreidingen, havenvoorzieningen en het nieuwe stadhuis op de Dam. Desondanks verrees aan de Oudezijds Voorburgwal 300 een nieuw imposant gebouw in Hollands classicistische stijl. Als ontwerper (architect) wordt Gerrit Barentsz Swanenburgh (1605-1669) genoemd, die in 1654 de leiding had gekregen over het stadsfabriekambt, de voorloper van Publieke Werken. Opvallend is dat op dat moment Daniël Stalpaert stadsbouwmeester is, maar hij lijkt geen bemoeienis met deze bouw te hebben gehad.

Het gebouw, dat als hoofdgebouw van de bank zou gaan functioneren, bestaat uit een lage benedenverdieping met daarboven de hoofdverdieping (bel-etage) gevolgd door twee lagere verdiepingen en twee zolderlagen. De toegangspoort kan nog deels afkomstig zijn van het voormalige klooster. De houten deuren zijn vermoedelijk nog uit het midden van de zeventiende eeuw. Het hang- en sluitwerk is origineel. Het gedicht boven de toegang is van Balthazar Huydecoper en in 1740 geschreven. De bank heeft tot 2007 deze gebouwen in gebruik gehad, hoewel enkele kelders verhuurd zijn geweest. Aan het eind van de negentiende eeuw kwam er aan de Nes nog een gebouw (nummer 57b) bij. Sindsdien zijn er veel interne verbouwingen geweest waarbij vele ruimten andere bestemmingen kregen.

In de zijgevel aan de Enge Lombardsteeg bevindt zich een toegangspoortje met gebogen fronton en een vroeg-17de-eeuwse reliëfvoorstelling van de lommerd in bedrijf gehakt door Willem de Keyser, waarboven een oeil-de-boeufvenster (circa 1670) omlijst door twee hoornen van overvloed. Hier was lange tijd de publieksingang van de Bank van Lening.

Het in 1892 naar ontwerp van Willem Hamer gebouwde pand Oudezijds Voorburgwal 302 met klokgevel maakt geen deel meer uit van het in 1964 gerestaureerde Bank van Leningcomplex.
De bekendste persoon die ooit bij de Bank van Lening heeft gewerkt is Vondel. Van 1658 tot 1668 was Joost van den Vondel hier in dienst als boekhouder. Zijn zoon had een enorme schuld opgebouwd en vader Vondel zou daar uiteindelijk voor opdraaien. Hij moest de klanten met ontbloot hoofd te woord staan, in die tijd een vernedering voor iemand van enige betekenis. Zijn ‘bureaustoel’ is bewaard gebleven.

Eind twintigste eeuw werd de lommerd wel genoemd als de goedkoopste fietsenstalling van Amsterdam. Wat was de truc? Je dure (race)fiets gedurende de winter op straat laten staan was geen optie. De fietsenstalling op de hoek was duur. Maar je fiets belenen (dat ging toen nog) was een optie. Je kreeg een beleensom en de fiets werd ergens in de lommerd opgeslagen tot je in het voorjaar terugkwam, beleensom en rente betaalde en je weer vrolijk fluitend fietsend naar huis kon.
Naast de Bank van Lening, die nu nog uitsluitend sieraden en juwelen aanneemt, is onder ander de verzekeringsafdeling (VGA) van de gemeente Amsterdam in het complex ondergebracht (2021).

Meer lezen:
Hamer, Willem
Hollands Classicisme
Huiszittenmeesters
Huydecoper, Balthazar
Keyser, de, Hendrick
Keyser, de, Willem Hendrickszoon
Nes
Schepen
Sint Maria Magdalenaklooster
Swanenburgh, Gerrit Barentsz
Vondel, van den, Joost

Voor het laatst bewerkt: