Nieuwe Keizersgracht 58
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Josephus Jittahuis
Adres: Nieuwe Keizersgracht 58
Architect: -
Bouwtijd: ca.1725, Lodewijk XVI-stijl
Opdracht: Benjamin Nuñes Henriques

Voor de bouw van dit dubbele grachtenpand kocht Benjamin Nuñes Henriques, een van de financiers van de VOC, twee kavels. Het gaf al direct een indruk van de rijkdom van de eerste bewoner die hier in klassieke stijl een dubbel woonhuis met souterrain liet bouwen. Opvallend aan de toegang is de naar binnen halfronde dubbele deur. Om deze goed te kunnen openen moet de hal breder zijn dan de deur en dus heb je meer marmer nodig voor de afwerking. Marmer is een duur materiaal en hiermee staat er bij de ingang al aangegeven: pas op, ik ben ontzettend rijk. Ook het interieur was rijk versierd; zo verschijnt in de salon een rococo-plafondschildering, gemaakt door bekende schilder Jacob de Wit.
De volgende bewoner was Abraham Henriquez de Ferrera, een oom van Rachel die een dochter is van Benjamin Nuñes Henriques. Abraham was grootaandeelhouder van de VOC.
Rachel trouwde in 1734 met Isaac de Pinto (1717-1787), filosoof tijdens De Verlichting en bewindhebber bij de VOC, en kreeg een bruidsschat mee van 217.570 gulden. Isaac groeide op in de Sint Antoniesbreestraat, in het pand, bekend als Huis De Pinto. Zijn vader David was eigenaar van de hofstede Tulpenburgh aan de Amstel. Zijn moeder was Lea Ximenes Belmonte, alias Schoonenberg. Isaac woonde destijds al in dit pand bij Rachel's voogden.
1853, 01 juni. De nieuwe bewoner is Simon Wolf Josephus Jitta ook wel Sim genoemd. Simon is de zoon van Wolf Jitta die is getrouwd met Etta Simon Cohen en een geslaagd handelaar is. Wolf (1792-1850) is de zoon van Nathan Joseph Jitta (Bamberg, 1739-Amsterdam, 1829) en Jutche Aron van Dorth (Judith Arons) met wie hij in 1778 is getrouwd. Bij het vastleggen van de familienamen tijdens de Bataafse Republiek in 1812 zorgde Nathan ervoor de familienaam Josephus Jitta werd.
Sim Josephus Jitta (1818-1897) was in 1840 gehuwd met met Nanette Zadok Dresden. Nanette voldoet aan drie belangrijke criteria. Ze is joods, hoogduits en komt uit een familie met geld en contacten. Haar vader is al overleden en Nanette neemt als bruid een bruidschat een bedrag mee wat tegenwoordig een waarde van € 400.000,– zou vertegenwoordigen. Bij het huwelijk waren belangrijke joodse families vertegenwoordigd, zoals de families Van Raalte, Dresden, Oppenheim, Keijzer en Embden.
Na de dood van Wolf in 1850 gaan zijn drie zoons (Alfred, Simon Wolf en Josephus) verder met het bedrijf onder de naam W.Josephus Jitta & Zonen, of soms, als dat voor de handel beter uitkwam, W.Josephus Jitta et Fils. Ze leverden juwelen aan verschillende vorstenhuizen. Zo was koningin Sophie (1818-1877 getrouwd met koning Willem III) vaste klant, en daarna werden haar nicht princesse Mathilde Bonaparte en haar schoonzus Königin Olga von Württemberg ook klant. In 1860 krijgen de broers een brevet waarin ze tot hofleverancier van Hare Keizerlijke Hoogheid Mathilde worden benoemd. Mathilde was dol op sieraden, een mooi gegeven voor Josephus Jitta. In 1877 is Sim de enige van de drie broers die nog in leven is en taxeert het bedrijf de juwelen van de net overleden koningin Sophie.
Naast zijn werk bekleedde Sim ook een aantal maatschappelijke functies, vaak ook reden om vooraan in de sjoel een plaats te krijgen. Hij was lid van de kerkenraad, zat in het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland, was voorzitter van de Permanente Commissie tot Behartiging der Belangen van de Israëlieten in Nederland en hij leidde het bestuur van het Nederlands Israëlitisch Seminarium.
Sim streefde naar een verkleining van de kloof tussen christenen en joden en wilde samen met Ahasverus Samuel van Nierop in 1859 zelfs aanpassingen in de joodse eredienst laten doorvoeren. Sim werd ook geaccepteerd bij niet-joodse organisaties en hij werd lid van de Groote Club. In 1865 hij voorzitter geworden van de in 1863 opgerichte Amsterdamse Kanaalmaatschappij, de organisatie die moest zorgen voor het Noordzeekanaal. Op 29 april 1870 werd de eerste steen gelegd voor de Oranjesluizen bij Schellingwoude, op 1 november 1876 werd het kanaal geopend in aanwezigheid van koning Willem III. Sim werd op 16 juli 1867 gemeenteraadslid in Amsterdam wat hij tot 1895 bleef, hij moest toen om gezondheidsredenen stoppen.
Bij zijn overlijden staat Sims huis vol met meubelen, schilderijen, kunst, bustes, heiligenbeelden, een altaarkruis en dergelijke. Het huis staat zo vol het veilinghuis Frederik Muller een aparte catalogus laat maken.

Wat er tussen het overlijden van Sim in 1897 en de Tweede Wereldoorlog met het pand gebeurt is niet bekend.
In september 1941 huist er een handelsmaatschappij in, NV Handelsmaatschappij Nedigepha, een pharmaceutisch bedrijf en een dochter van het Duitse Bayer.
Op 25 oktober 1941 trekt de Joodsche Raad in dit pand en wordt dit haar hoofdkantoor.
In alle bezette gebieden zetten de nazi’s al snel ‘Judenräte’ op, joodse raden waarin de toonaangevende joodse leiders en rabbijnen zitting moesten nemen. Zo’n joodse raad werd de enige geaccepteerde vertegenwoordiger namens de joodse gemeenschap die met de overheid en de bezetters mocht communiceren. Gaandeweg kregen de joodse raden echter ook allerlei taken en opdrachten opgelegd en werden ze verantwoordelijk gemaakt voor onder meer religie, zorg en onderwijs.
De Joodsche Raad voor Amsterdam werd in februari 1941 opgericht na een aantal gesprekken met de Beauftragter des Reichskommissars für die Stadt Amsterdam, Hans Böhmcker. De Joodsche Raad, onder voorzitterschap van diamantair Abraham Asscher en professor David Cohen, vertegenwoordigde de joodse gemeenschap bij de Duitse en Nederlandse overheid. Zij aanvaardden deze functie omdat ze dachten op die manier de besluiten van de nazi’s te kunnen vertragen en door onderhandelingen erger te voorkomen. Verder was de Raad belast met de uitvoer van maatregelen ten aanzien van joden die door de Duitse autoriteiten werden afgekondigd. Hoewel de naam anders doet vermoeden vertegenwoordigde de Raad alle Nederlandse joden.
Al in het voorjaar van 1942 moest de Joodse Raad gaan meewerken aan het organiseren van de deportaties van joden uit Amsterdam. Doordat de Joodse Raad gaandeweg vrijwel volledige zeggenschap kreeg over de joodse gemeenschap, ontstond een grote bureaucratie. Er moest voor de wezen gezorgd worden, voor de joodse scholen, ‘Het Joodsche Weekblad’ werd uitgegeven: allemaal taken waar veel mensen voor nodig waren. Alle werknemers van de Joodse Raad kregen een ‘Sperr’, een tijdelijke ontheffing van deportatie. Eind 1941 werden ook buiten Amsterdam Joodse Raden opgericht, die in de praktijk onder de Amsterdamse bestuurders vielen. Zij kregen vergelijkbare taken opgedragen als de Amsterdamse Joodse Raad. Het werk van de Joodse Raden kwam in de loop van 1942 steeds meer in het teken te staan van de deportaties: die moesten voorbereid worden, maar ook moesten de Joodse Raden de keuze maken wie precies gedeporteerd werden. Op die manier maakten de nazi’s in het hele bezette gebied de Joodse Raden medeplichtig. Sommigen gebruikten de kennis van binnenuit om zoveel mogelijk mensen te redden. Walter Süskind, chef bagage- en ordedienst van de Joodse Raad, wist met het verzet zeker 600 kinderen van deportatie te redden en op onderduikadressen onder te brengen.
In juli 1942 werd het bekend dat de Joodsche Raad tijdelijke vrijstellingen voor de deportatie naar het oosten verstrekte. Voor nummer 58 verzamelde zich een menigte wanhopige mensen. De bereden politie stond tot aan het Waterlooplein om de massa in bedwang te houden. De eerste oproepen werden verspreid, waaronder aan Margot Frank. De familie Frank verhuisde zodoende op 6 juli naar hun onderduikadres. Mirjam Bolle was secretaresse bij de Joodsche Raad en verhaalt in haar boek "ik zal je beschrijven hoe een dag er hier uitziet" over de onmogelijkheid van de Raad om iets te doen tegen de Jodenvervolging: "Tijdrekken en marchanderen met namenlijsten waren de enige mogelijkheden tot verzet, en dit werd gedaan tot het moment dat ook dat geen zin meer had en de medewerkers van de raad eveneens op transport werden gesteld. Dat was op 29 september 1943 toen de leiding van de Raad, met familie, vrienden en betrekkingen, werd afgevoerd naar Westerbork. Aus der Fünten informeerde daar Asscher en Cohen dat de Raad was opgeheven."
Behalve het secretariaat waren op het hoofdkantoor onder meer de kasafdeling, de boekhouding, de centrale inkoop en het magazijn, de afdelingen Evacuatie en Sociale Zaken gevestigd. Op vrijdag vergaderde hier de centrale commissie samengesteld uit de voornaamste afdelingsleiders. Volgens een lijst in “Het Joodse Weekblad” van 17 juli 1943 werkten er bij de Raad 1091 mensen (409 met, 682 zonder salaris). Personeel van de Joodse Raad en hun gezinnen waren voorlopig vrijgesteld van deportatie.
De Joodse Raden waren zeer omstreden. Al tijdens de oorlog was er scherpe kritiek op het beleid dat werd gevoerd. Na de bevrijding stelde de joodse gemeenschap een ‘Joodse Ereraad’ in die tot een oordeel moest komen. Beide voorzitters van de Joodse Raad werden veroordeeld en mochten hun leven lang geen functies meer uitoefenen in de joodse gemeenschap. Er wordt achteraf gesproken van het Joods Verraad als de Joodse Raad wordt bedoeld.

Het pand heeft nu verschillende bestemmingen, zo heeft er jaren een praktijk voor alternatieve geneeswijzen gezeten.

Meer lezen:
Bewindhebber VOC
Wit, Jacob de


Voor het laatst bewerkt:12-apr-2018