Dam (protest en geweld)
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Wederdopersoproer
Aansprekersoproer
Pachtersoproer
Taptoeschandaal
'Bevrijdingsfeest' 7 mei 1945
Damslapers

Bovenstaande onderwerpen is een keuze uit de veelheid van protesten en demonstraties die op de Dam werden en worden gehouden, of hier hun oorsprong of einde vonden. Wel kan je de vraag stellen of de vele tientallen demonstraties per jaar van de laatste decennia allemaal Dam-waardig zijn of dat ze ook bij toerbeurt een plek zouden moeten krijgen op een centraal plein in één van de stadswijken.

Wederdopersoproer
De sekte van de wederdopers ontstaat rond 1520 in het Zwitserse Zürich met de opvattingen van Ulrich Zwingli die redelijk overeenstemmen met die van Maarten Luther. Ook Zwingli verzette zich tegen de paus en de aflaathandel. Hij keerde zich tegen de katholieke praktijken als het vasten, het celibaat, de overdaad aan afbeeldingen en misvieringen in de kerk. Terwijl hij priester was had hij de brutaliteit te trouwen en binnen dat huwelijk kinderen te verwekken.
De wederdopers vinden dat alleen een volwassene oprecht kan geloven en dat je dus pas als volwassene gedoopt moet worden. Ook zijn zij ervan overtuigd dat het einde der tijden is gekomen. En dat Jezus Christus spoedig vanuit de hemel op aarde zal neerdalen om recht te spreken over de doden en de levenden. Daarna zal alleen voor de uitverkorenen nog plek zijn in dit nieuwe hemels koninkrijk op aarde. En om tot die uitverkorenen te behoren dien je als volwassene opnieuw gedoopt te worden. Dit wederdopen wordt door de heersende machten, lees de aanhangers van de Rooms-katholieke kerk, beschouwd als ketterij, en dus bestraft met de doodstraf.
'Ik zag uit de hemel een heilige stad naar beneden komen, het nieuwe Jeruzalem. Die stad kwam bij God vandaan. De stad was helemaal van goud gemaakt, zo zuiver en glanzend als glas. De Heer, de machtige God, is zelf in de stad, samen met het lam.' Openbaring 21.
De wederdopers denken eerst dat met deze stad het Duitse Münster bedoeld wordt. Maar als God daar ook na een half jaar nog niet is neergedaald slaat de twijfel toe. Ze komen tot de conclusie dat Amsterdam de stad is die ze moeten hebben. Amsterdam is het Nieuwe Jeruzalem.
De aanhang van de wederdopers was vooral te vinden onder de boeren en lage burgerij. Door de aanhoudende werkloosheid en de daaruit voortvloeiende armoede zochten zij steun bij een beweging die de gemeenschap van goederen als een van de fundamenten van een eerlijke maatschappij zag.
De landsheer Karel V had inmiddels opdracht laten geven de wederdopers op te pakken en op het schavot te brengen. Amsterdam weigerde. De stad had al 200 jaar het privilege om zelf te berechten en was niet van plan dat uit handen te geven. ‘Dat maken we zelf wel uit’, was de reactie naar de stadhouder en Brussel. Amsterdam had al een rijke traditie van het aan de laars lappen van door de stadsregering opgelegde maatregelen en evenzo had de stad een traditie dat de stadsregering daar niet tegen optrad. Tenzij … de orde werd verstoord.

Dat was het geval toen in maart 1534 enkele wederdopers met getrokken zwaarden door de straten renden met uitroepen van ‘De dag des Heren komt, doet boete, doet boete’. Een typisch gevalletje van ordeverstoring, vond de stadsregering en de zwaardlopers werden onthoofd.
De aanloop tot het oproer vond plaats op 11 februari 1535 in de Zoutsteeg. Aegje Jans schoot midden in de nacht wakker. Een indringende rooklucht vulde de kamer, Aegje besefte onmiddellijk: brand! Zij schoot de kamer uit, keek om zich heen, maar ontdekte dat het onheil van boven kwam. Aegje stormde de trap op, duwde de deur open en stond stomverbaasd oog in oog met elf poedelnaakte mensen. In het haardvuur lagen kleren, halskettingen, een helm, een mes en geweer, de vlammen sloegen hoog op. De zeven naakte mannen en vier vrouwen waren anabaptisten, wederdopers, die na uren van gebed in een soort trance waren geraakt. De leider van het groepje, de profeet, had zijn medestanders voorgehouden dat de ‘naakte waarheid’ aan de Amsterdamse bevolking moest worden getoond. Hij had zijn kleren in het vuur geworpen en zijn volgers deden hem dat na. Ook Aegje gooide haar nachthemd in de vlammen en even later renden twaalf naakte mensen over de Nieuwendijk naar de Dam roepende ‘Wee, wee, de wraecke Gods, wraeck, wraeck’.
Het zonderlinge schouwspel was van korte duur, de schutters namen de naaktlopers snel gevangen en voerden hen naar het stadhuis. Tijdens hun verhoren werden veel adressen van andere wederdopers bekend. Het resultaat: de naaktlopers en de meeste opgepakte wederdopers kregen de doodstraf. De mannen werden opgehangen, de vrouwen verdronken in het IJ. Alleen Aegje kreeg een andere straf, zij werd naast haar deuropening in de Zoutsteeg opgehangen.

Het oproer
Jan van Geel was vanuit Münster naar Amsterdam gezonden om een opstand te organiseren en zo de stad in handen te krijgen. Onder valse voorwendselen wist Van Geel vertrouwen te winnen van de stadsregering en Brussel. Brussel gaf Jan van Geel een vrijgeleide om zich ongehinderd in Amsterdam te bewegen. Hij begon onmiddellijk de Amsterdamse dopers te organiseren, nota bene vanuit de meest aanzienlijke herberg van de stad ‘In Spanje’ ( Nieuwendijk 154). Van Geel werd niet lastig gevallen en regelde op de zolder, de Rederijkerskamer van de Waag, een wapenarsenaal. Bij het veroveren van het stadhuis zouden de burgemeesters van de kussens worden verjaagd waarna bij het luiden van de stadhuisklok de wederdopers massaal uit hun schuilplaatsen zouden komen om naar de Dam te trekken en Amsterdam tot de stad van God verklaren.
Het wordt 10 mei 1535, de dag van het Heilige Kruisgilde, een jaarlijks terugkerend feest. De burgemeesters kwamen dan bijeen in het stadhuis om uitbundig met grote maaltijden en veel drank het feest te vieren. De schutters waren dan overwegend dronken en de met brandende pektonnen verlichte Dam trok veel publiek.
’s Avonds verzamelde Jan van Geel bij zijn tijdelijk adres in de Pijlsteeg zijn medestrijders. Met de wapens uit de Waag bestormde hij met 40 opstandelingen het stadhuis. De feestvierende burgemeesters wisten ternauwernood via een achteruitgang te ontkomen. Burgemeester Pieter Colijn, die zoveel sympathie koesterde voor de wederdopers, snelde naar buiten om de overvallers op andere gedachten te brengen. Hij werd direct gedood. De bezetting van het stadhuis was vlug verlopen, maar het klokgebeier dat de verscholen wederdopers moest activeren bleef uit door een mankement.

Op de ochtend van de elfde mei staan drie kanonnen gericht op het stadhuis. Kogels versplinteren de deuren en de schutters overrompelen de wederdopers. Jan van Geel vlucht naar de bovenste toren, waar hij in het nauw gedreven vanaf springt. De bezetting was voorbij.
Tijd voor het gerecht. De overval had aan 28 wederdopers en 30 burgers het leven gekost. De gedode wederdopers hingen snel aan de galg op de Volewijck. De overlevende dopers stond een gruwelijke terechtstelling te wachten. Op de Dam werd hun hart ‘levendig uit het lichaam gesneden en in hun aangezicht geworpen’. Daarna werden zij gevierendeeld, de lichaamsdelen aan de stadspoorten gehangen en de hoofden op staken gestoken. Vrouwelijke wederdopers werden met een bootje het IJ opgevaren en daar overboord gegooid.

Aansprekers- of Biddersoproer
Aanleiding voor dit oproer vormde de door de Staten van Holland ingevoerde belasting op trouwen en begraven, die tot doel had de hoge kosten voor de sinds 1688 slepende oorlog met Frankrijk te verlichten. Om de heffing te kunnen innen vaardigde het stadsbestuur een keur uit die tegelijkertijd het gehele begrafeniswezen reorganiseerde. Met deze regeling zou de stad er een aardige inkomstenbron aan over houden en de burgemeesters een aantal banen om te verdelen onder hun relaties of personeel. Deze maatregelen leidden tot grote onrust.
Aansprekers waren burgers die, vaak als bijverdienste, begrafenissen organiseerden. Op 10 januari 1696 kondigde het Amsterdamse stadsbestuur (de vroedschap) aan dat een beperkt aantal van 72 aansprekers en lantaarndragers benoemd zou worden die het stadsmonopolie op het regelen van uitvaarten ging krijgen, onder toezicht van vier commissarissen, die het werk moesten regelen en de financiële administratie zouden voeren. Een grote groep mensen van ca. 300 particuliere aansprekers werd hiervan de dupe. Verder werden de begrafenissen, omdat er belasting op geheven ging worden, een stuk duurder. Dit besluit leidde tot een hoop onrust onder het uitgesloten deel van de beroepsgroep.

Er worden geruchten de wereld in geholpen. Zo zouden de armen, die volgens het voorstel gratis zouden worden begraven, na hun overlijden nu als oud vuil worden behandeld. Opgejut door de aansprekers gingen tal van armlastigen woedend de straat op, op de dag (31 januari) dat de nieuwe regeling en belasting op het begraven in werking zou treden en ook de aansprekers zouden worden geïnstalleerd. 's Ochtends stroomde het volk naar de Dam. Eerst betoogde men bij het stadhuis op de Dam waar een parodie werd gegeven op de nieuwe wijze van begraven. Daarna ging de groep naar het Aalmoezeniershuis op de Prinsengracht, de plek waar de gemeentelijke aansprekers werden benoemd. Hier werd met stenen gegooid naar de schutters onder leiding van kapitein Martinus Spaaroog. Zij vluchtten naar hun wachthuis op het Leidseplein. 's Middags trok het volk naar het huis van de burgemeester Jacob Boreel (1630-1697) aan de Herengracht, die met zijn zoon als stadssecretaris het voorstel had geïntroduceerd. Toen Spaaroog een van de demonstranten hier eigenhandig neerstak liep de betoging uit de hand.
De voordeur werd ingebeukt en de inboedel verdween in de gracht. De zwaarlijvige Boreel, die al jaren ziek was en met jicht op bed lag, werd door de buren over de schutting gesleurd en in veiligheid gebracht. Het volk vertrok naar de overkant van de Herengracht, naar François de Vicq. De stad zette de musketiers van de schutterij in om demonstraties neer te slaan, het was geen succes. Toen was het huis op de Reguliersgracht van Martinus Spaaroog, het hoofd van de schutterij, aan de beurt. Hij bleek naderhand negentig schilderijen waaronder zeven van Philips Wouwerman, een Jan Steen, vier Van Ostades en vier Ruisdaels te hebben verloren. (Spaaroog werkte als suppoost bij de Bank van Lening). In een verslag uit die tijd wordt gememoreerd: ’de boomen voor de deur en daaromtrent waren heel widt van de veeren, alsof dat haar gewoonelijcke vrugt was dat zij voortbrachten’. Toen de schade getaxeerd was, sprak men er schande van dat de middelmatige familiestukken van burgemeester Boreel hoger geschat waren dan de keurige collectie van kapitein Spaaroog, een eenvoudig militair.

Burgemeesters Joan Corver en Nicolaes Witsen waren vastbesloten in het stadhuis te blijven. Jacob J.Hinlopen, een voormalige burgemeester en schout, wist het volk te bedaren. Oud-burgemeesters Jeronimo de Haze en Joan de Vries zagen kans de woedende menigte af te leiden door geld op straat te gooien. Joan Huydecoper van Maarsseveen (junior) werd voor zijn huis op het Singel uitgemaakt voor landverrader. Tot slot werd ook het Pintohuis leeggeplunderd.
Op 1 februari 1696 greep de schutterij succesvol in. Er werden in totaal 48 mensen aangehouden, 22 zijn veroordeeld, sommige werden naar Suriname verbannen. Twaalf ‘roervincken’ zijn opgehangen bij het raam van de Waag op de Dam en vier slachtoffers van de rellen kwamen, hangend aan hun benen, op het galgenveld van de Volewijck terecht.
De burgemeesters waren geschrokken van de opkomst en de nieuwe regel werd voor zes weken uitgesteld. Hoewel het Aansprekersoproer snel voorbij was hadden de Amsterdamse begrafenisondernemers hun doel bereikt, want de belasting voor aansprekers werd uiteindelijk niet ingevoerd.

Pachtersoproer
Het oproer begon in Groningen op 17 maart 1748. Aanleiding waren de hoge belastingtarieven die door de pachters gevraagd werden. Wat is de situatie? De overheid in de Republiek stelde wel belastingen in en een gewenste opbrengst, maar voerde het innen niet zelf uit. Dat innen werd verpacht aan particulieren. Zo'n belastingpachter betaalde de overheid een van tevoren vastgesteld bedrag, en alles wat hij verder aan belasting inde, was voor hemzelf. Een voor de overheid profijtelijk systeem, de opbrengst was gegarandeerd, het eraan verbonden werk nihil. Doordat de pachters tegen elkaar opboden was het pachtbedrag meestal (te) hoog. Meestal waren het rijke gezeten kooplieden uit de regentenklasse die het ambt pachtten. Ze werden vaak schatrijk van de vele extraatjes die zij met het innen van de belasting opstreken. Natuurlijk ergerden de inwoners zich aan de relatief hoge belastingtarieven die zo tot stand kwamen en op allerlei producten werden geheven. Tel daarbij de economische neergang na 1740 samen met de Oostenrijkse Successieoorlog en alle ingrediënten voor een oproer zijn aanwezig.

Voor de rellen uit Groningen en Friesland bereikten was het 17 juni, toen de Staten van Holland op de Dam hun afkeuring van de ongeregeldheden bekend maakten. Hierop drong op de Botermarkt een menigte samen die zulk een dreigende taal uitsloeg dat de collecteurs van de boterimpost zich gedwongen zagen hun kantoor enige uren eerder dan normaal te sluiten. De echte opstand brak op maandagochtend 24 juni pas echt los op de Botermarkt. Relschoppers mishandelden daar enkele belastingambtenaren. Een vrouw tilde haar rokken op en toonde haar achterwerk aan de schutters. Die schoten vervolgens 'dat vrouwmens in haar blote fondament'. Toen de vrouw aan haar verwondingen overleed, brak de hel los. De straat werd opengebroken en er werd met stenen gegooid. Vervolgens liep het volk de huizen van de pachters af. Alles werd stukgeslagen, opengebroken en opgezopen. Kisten met geld en kostbaar porselein werden vanaf de bruggen in het water gegooid. Er zijn 36 huizen geplunderd. Er vielen drie doden en daarnaast gewonden.

De rellen duurden tot dinsdagavond. Op woensdagochtend werd alle pacht voor de periode van een halfjaar opgeschort. Op vrijdag 28 juni zouden aanstichters van de rellen, twee mannen en een vrouw, visverkoopster Marretje Arents, opgehangen worden vanuit het raam van de Waag op de Dam. Het volk begon te dringen om alles beter te kunnen zien. Plotseling werd er geschoten vanuit de Kalverstraat. Opnieuw vielen er doden. Veel mensen zochten een goed heenkomen en sprongen in het water van het Damrak.
Abraham Braatbard, een joodse kroniekschrijver, vermoedt dat er tweehonderd man zijn vertrapt of verdronken.

Taptoeschandaal
Pieter Willem Steenkamp had een opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda gevolgd. Hierna trad hij in dienst van de gemeente Amsterdam om het eerste beroepsbrandweerkorps in te stellen. Na vier jaar werd hij hoofd van de politie in Amsterdam. In deze hoedanigheid was hij betrokken bij de organisatie van een taptoe op de Dam ter ere van het bezoek van de Duitse keizer Wilhelm II aan Amsterdam in juli 1891. De keizer en keizerin van Duitsland bezochten op 1, 2 en 3 juli onze koninginnen Emma en Wilhelmina. Wilhelm II was toen 3 jaar keizer van Duitsland en koning van Pruisen. Amsterdam had een mooi project opgezet als ontvangst voor de keizer en zijn vrouw. Op de eerste dag was de aankomst per schip vanuit IJmuiden. Aansluitend een rit door de stad en bezoek aan het Rijksmuseum gevolgd door een gala-diner in het paleis op de Dam. Tenslotte een muziekuitvoering door 20 muziekkorpsen met in totaal meer dan 1000 orkestleden. Volgens plannen zou de Dam tegen 9 uur ontruimd zijn en de korpsen opgesteld. De keizer en keizerin en de koninginnen zouden op het balkon van het paleis komen. Hoe de afzetting van de Dam geregeld moest worden was onderwerp van langdurig overleg tussen de stedelijke en militaire autoriteiten. De militaire autoriteiten waren van mening dat de Dam geheel leeg moest zijn ten behoeve van het defilé, de stedelijke autoriteiten vreesden een chaos omdat dan niemand iets kon zien op de Dam, en televisie was nog niet uitgevonden. Zoals gewoonlijk kwam er ook nu een compromis welke door PW werd uitgevoerd en bestond uit een afrastering die een middenveld vrij liet. De politie kreeg de beschikking over een sectie van 291 agenten, brigadiers en inspecteurs. Commissaris Stork kwam tegen kwart voor acht op de binnenplaats van het stadhuis (Oudezijds Voorburgwal) voor inspectie en laatste instructies. Hij verbood het gebruik van wapens en stokken en maande tot kalmte. De inspecteurs kregen op papier aanwijzingen waar ze moesten gaan staan. Ze kregen echter geen informatie over wie zij het bevel voerden.
Had men om 7 uur nog eenvoudig de Dam kunnen afzetten, om 8 uur was het onmogelijk geworden door de grote hoeveelheid toegestroomd publiek, die gedeeltelijk ook binnen de afrastering stonden.
Vanaf nu begonnen de fouten, de politie maakte voor het paleis front tegen het publiek en begon de massa terug te dringen. Dit gelukte even, maar al spoedig stond alles stil. Nu trok de politie alsnog de wapenstok en ging over tot een gewelddadige ontruiming. De taptoe ging onderwijl gewoon door met op het balkon de keizer, de keizerin en de koninginnen.

Een gemeenteraadslid had van een kennis vernomen dat commissaris Stork bij het toenmalige Commandantshuis had gestaan met 40 manschappen en had geroepen: “Hak er gvd maar op in.” Uiteindelijk kostte een en ander de koppen van Stork en hoofdcommissaris Steenkamp.
Hierna werd het taptoeschandaal onderwerp in de revuevoorstelling 'Doofpot'.
Acteur Gerard Pilger kreeg grote bekendheid door zijn creatie van de slome Agent Foezel in Reyding's revue 'Doofpot' (250 voorstellingen). Foezel liet alles over zijn kant gaan en zag de burger slechts als vee om op los te ranselen. Het politie-abc was het volgend onderdeel van de revue.
C is de charge ongeveer om half negen
D is de Dam dien zij schoon wilden vegen
G is de goederenkar, midden op den Dam
H is de herrie die niet gauw een einde nam
K is de hoofdkommissaris, ook boud
L is ‘t lawaai van wie weerloos werd geknauwd
O dat ‘s de order: niet slaan, ‘t zijn geen honden
P zijn de pleisters, rijksdaalders op wonden
R is het rossen, dat ieder nu zag
S is ‘t schandaal wellicht gevolgd door ontslag
T is de taptoe, hartroerend te laat
U is de uitspraak van de leden van den raad

In de afsluiter over dit onderwerp werd het politie-examen afgenomen. De Commissaris vraagt, het Koor der Agenten onder leiding van Foezel antwoordt:
V: vertel me agenten hoe gij bij de taptoe handlen wilt?
A: Er hoort een ouverture bij, waar elk van beeft en rilt.
V: Wordt door u vroeg genoeg de Dam behoorlijk afgezet?
A: Als altijd komen wij te laat, en dan begint de pret.
Pats, pats, pats,
Je dondert er maar door!
Zoo wordt de rust door ons bewaard
Waar anders zijn wij voor?
Pats, pats, pats,
Je hakt er maar op in,
Zoo ranslen wij de burgerij
Heel opgeruimd van zin!
V: Wanneer gij zo de rust bewaart, slaat gij dan niemand dood?
A: De stok is maar van mattenriet, de knop is maar van lood.
V: Maar is nu 't plein zoo volgepropt, dat elk moet blijven staan?
A: Wij slaan ze van de sokken af, laat ons maar stil begaan
V: Maar oefent gij uw hand wel? Met het rossen zijt gij vlug.
A: Geen beter oefenschool, meneer, dan op een burgerrug.
V: Maar gaat zo’n grote schoonmaak wel altijd even best?
A: De burgerij is mak genoeg, we slaan ze op hun test!
Vervolgens het refrein:
Zoo dikwijls hoort men veel geschreeuw,
Dat dit of dat niet klopt,
En eensklaps wordt weer alles stil.
Waar is het ingestopt?
In den Doofpot.

'Bevrijdingsfeest' 7 mei 1945
Op 7 mei was het feest op de Dam in Amsterdam. De dag begon zo mooi met vele honderden mensen die zich hier hadden verzameld om de Canadese bevrijders te verwelkomen, die op deze dag verwacht werden. Muziek klonk uit draaiorgel ‘Het Snotneusje' en mensen dansten in het rond. Wat gebeurde er?
4 Mei hadden de geallieerden een wapenstilstand met de Duitsers gesloten, waarin onder meer was vastgelegd dat alleen de geallieerden de Duitsers in West-Nederland zouden ontwapenen. De Binnenlandse Strijdkrachten, onder leiding van prins Bernhard, was daarom opgedragen geen Duitsers te ontwapenen en zich niet gewapend op straat te vertonen. De stad was echter nog vol met gewapende Duitse militairen en milities van de Binnenlandse Strijdkrachten die eigen ideeën hadden.

WOII-onderzoeker Gerard de Boer schrijft hierover: ‘Terwijl de Dam volstroomde met feestgangers om de komst van de Canadezen te vieren begonnen met stengun gewapende BS’ers Duitse soldaten te provoceren en hardhandig aan te houden en te ontwapenen. Toen er later ook nog eens een Duitse soldaat werd neergeschoten, die had geweigerd zijn wapen af te geven, brak er een vuurgevecht uit tussen de Duitsers en de BS. Achteraf is gebleken dat na het eerste schot door de BS in de Paleisstraat door een tweetal BS’ers, die achter een draaiorgel stonden, direct in de richting van de Duitse matrozen op het balkon van De Groote Club werd geschoten.’

De vreugde op de Dam veranderde in paniek toen de Duitsers vanuit De Groote Club met allerhande wapens terugschoten. De menigte probeerde zichzelf in veiligheid te brengen door naar het Damrak en de aanliggende straten te rennen, waarbij een aantal van hen in het schootsveld terechtkwam of onder de voet werd gelopen. Een aantal mensen zocht dekking achter lantaarnpalen, een tweetal kleine kiosken en het draaiorgeltje. Bij onderzoek in 2013 is vastgesteld dat er zeker 32 dodelijke slachtoffers waren bij de twee uur durende schietpartij. Het aantal gewonden is niet exact bekend maar zou tussen de 100 en 120 liggen.
Volgens de voordracht voor de Militaire Willems-Orde heeft de Nederlandse majoor Carel Frederik Overhoff, Gewestelijk Commandant van het strijdend gedeelte der Binnenlandse Strijdkrachten, Gewest 10, te Amsterdam, met gevaar voor eigen leven tijdens de schietpartij ingegrepen. Hij heeft het vuren door beide partijen doen staken en de orde hersteld. Volgens een andere bron (Vrij Nederland, 28 maart 1981) heeft een van oorsprong Oostenrijkse immigrant, de embryoloog dr.H.A.L.Trampusch, voordat Overhoff was gearriveerd al het schieten weten te beëindigen. Trampusch zou de commandant in De Groote Club aan de telefoon hebben gekregen en deze gedreigd hebben met de krijgsraad als het schieten niet ophield.

7 Mei 1947 en 7 mei 2016 werden door Amsterdamse burgemeesters monumenten onthuld ter nagedachtenis aan de slachtoffers. In 1947 betrof het een plaquette aan het gebouw van De Groote Club; in 2016 straatstenen met namen van slachtoffers in de stoep tussen Damrak en Nieuwendijk.

Damslapers
Manschappen van het Korps Mariniers en van de Koninklijke Marine waren de zogenoemde Damslapers helemaal zat. De dag na ingang van het gebiedsverbod, op 25 augustus 1970, besloten ze in te grijpen. Een groep van ongeveer 80 mariniers en matrozen ging met knuppels en koppelriemen naar Amsterdam om de hippies te verjagen. Wat ging er aan vooraf?
In de zestiger jaren ontstonden wereldwijd bewegingen die zich afzetten tegen de maatschappij. Het was in Nederland de tijd van de Provo's, Kabouters, de huizenkrakers en hippies. Veel jongeren met lang haar en gitaar trokken naar Amsterdam. Veel geld hadden ze niet, dus overnachtten ze op de Dam aan de voet van het Nationaal Monument. Dat werd ook internationaal bekend en in de tweede helft van de zestiger jaren trokken steeds meer buitenlandse jongeren naar Amsterdam. In de winter als het te koud was vertrokken ze om in volgende zomer weer terug te keren. Het enige dat deze jongeren deden was blowen, muziek maken, discussiëren en de liefde bedrijven in hun meegebrachte slaapzak. Deze hippies beschouwden Amsterdam als een ‘vrijstad’ waar ze elkaar konden ontmoeten en als een plaats waar nieuwe ideeën geboren konden worden. De beelden van deze ‘Damslapers’ werden over de hele wereld verspreid. Het gemeentebestuur wist eigenlijk niet goed wat ze met deze jongeren aanmoest.

In augustus 1970 vond de gemeente Amsterdam het welletjes, de openbare orde en hygiëne waren in het geding. Toenmalig burgemeester Ivo Samkalden besluit dat er vanaf 23 augustus een slaapverbod van kracht is voor de Dam. Toen dit door de politie in meerdere talen aan de aanwezigen werd medegedeeld, braken rellen uit die drie dagen duurden. Politievoertuigen werden omgegooid, de banden werden lek gestoken of de ruiten werden eruit geslagen. Kortom de zaak was ernstig uit de hand gelopen. De hippies moesten weg, maar bleken niet van plan braaf gehoor te geven aan die opdracht. Dit verandert pas als een groep mariniers uit Den Helder en Doorn als knokploeg op eigen houtje besluiten de Dam 'schoon te vegen'. Onder het mom dat hun vriendinnen en verloofdes lastiggevallen werden als ze na het afscheid van het Centraal Station naar huis gingen, kwam een groep van jonge mariniers de politie ‘te hulp’. Op 25 augustus 1970 sloegen de mariniers de hippies met knuppels en koppelriemen van de Dam, een actie van 10 minuten.
Na de beelden van de ‘Damslapers’ gingen ook deze beelden via de televisie over de wereld.
Velen waren geschokt bij het zien van deze beelden, maar bij anderen kon de actie op sympathie rekenen. De leger- en marineleiding namen afstand van de actie, brachten enkele collega’s voor de krijgsraad en deelden incidenteel een boete uit. Het dagblad Het Vrije Volk sprak van ‘Terreur in wapenrok’. De Telegraaf uitte zich milder, stelde wel dat de actie eigenlijk niet door de beugel kon, maar voegde daaraan toe: ‘Wanneer maatregelen tegen deze marinemannen worden overwogen, dan verdienen deze mensen in ieder geval de grootste clementie. Want het Nationaal Monument was al maandenlang een zwijnestal. De burgemeester […] kan de zaken niet aan of hij wil het niet. En dan gebeurt zoiets.’

Ook in de Nederlandse huiskamers werd er veel over gediscussieerd. Het is een voorbeeld van die tijd waarin het conflict tussen twee groepen burgers centraal staat. Aan de ene kant was er de ‘nette burgerij’ die achter de mariniers stonden en aan de andere kant een groep van ‘vrijdenkers’ die voor de hippies waren. Oud-strijders spraken zelfs van het ontheiligen van het Nationaal Monument.
De hippies durfden niet meer terug te keren naar de Dam en vestigden zich voortaan in het Vondelpark. En hoewel ze ook daar met regelmaat voor de nodige overlast voor de omwonenden zorgden, werden ze verder met rust gelaten.

Meer lezen:
De Groote Club

Voor het laatst bewerkt: