Kalverstraat 71
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Burgerweeshuis; De Keizerskroon; -
Adres: Kalverstraat 71
Architect: -; Jan Joosten?; -; -;
Bouwtijd: ca.1520; 1568; 1725; 1911
Opdracht: stadsbestuur; -; stadsbestuur; Klaas en Hendrik Pander

Omstreeks 1523 maakt de stadsregering een reglement bekend waarin ‘in korte jaren een huis en woning geordineert is, daer inne schamele en arme weeskinderen onderhouden werden bij hantreyckinge van goede menschen: 't welck een godlijk ende goedertieren werck is dat men wel behoort te vorderen, ten eynde dat dit goede werck te bet synen voort-ganck sal mogen mogen hebben, als mynen Eersamen Heeren van den Gerechte gaerne sien souden’. Het eerste weeshuis is een feit maar van die vroegste periode is niet veel bekend. In 1553 werd er wekelijks ‘met de schel’ gecollecteerd voor het weeshuis; dit deed een bellenman, gekleed in een half rode, half zwarte mantel (de kleuren van de weeskleding). Een andere inkomstenbron was de schouwburg, die in bezit was van de regenten van het weeshuis. Van de opbrengsten kwam twee derde ten goede aan het weeshuis en een derde aan de oudemannen- en oudevrouwenhuizen. Het weeshuis was bestemd voor wezen van Amsterdamse burgers van wie beide ouders overleden waren, die niet boven de 10 jaar oud waren (vanaf 1564 negen jaar en vanaf 1584 twaalf jaar) en uit een wettelijk huwelijk geboren waren.
Rond het midden van de 16e eeuw neemt het aantal wezen sterk toe. 200 wezen nopen tot een uitbreiding van het weeshuis. Achter het pand aan de Kalverstraat worden vier huizen aan de Amstelzijde toegevoegd. De uitbreiding wordt onder meer betaald uit de opbrengsten van loterijen. Achter Kalverstraat 71 loopt de Moorensteeg. Een steegje met nog altijd zeer herkenbare problemen: er werd in dit steegje geplast, beroofd en vleselijk geconverseerd, al met al geen plaats om 's nachts even een ommetje te maken.

Al na enkele jaren moeten de panden aan de Amstel het weer ontgelden. Tussen de Gapersteeg en de ‘Heilige Stede’ wordt een kade aangelegd. De ruimte voor die kade gaat niet ten koste van de rivier, maar komt op de plaats waar een deel van de huizen staat. De huizen dienen ‘in te rukken’, vandaar de naam ‘Ruck-inne’ dat later Rokin zou gaan heten. Het is zeer waarschijnlijk dat deze operatie de aanzet was om het hele complex te herbouwen. In 1568 is in de Kalverstraat een aanzienlijk pand met een fraaie renaissance voorgevel gebouwd. In de top zijn medaillons aangebracht waaruit de bestemming van het pand moet blijken. Op twee wapenschilden het wapen van Amsterdam en een wapen dat bijna gelijk is aan dat van Amsterdam. De drie kruisen zijn vervangen door mogelijk een tweekoppige adelaar. De bouwkosten werden betaald uit de opbrengst van een succesvolle loterij. Dat geldt voor de werkzaamheden aan het Rokin en vermoedelijk ook de Kalverstraat. Als bouwmeester wordt gedacht aan Jan Joosten, de metselaar van het Burgerweeshuis. In 1580 verhuizen de wezen naar het voormalige Sint Luciënklooster.
Na het vertrek van de wezen werd het pand, nog geruime tijd het ‘Oude Weeshuis’ genoemd, verhuurd, eerst aan particulieren en vermoedelijk van mei 1614 af aan een herbergier. Kalverstraat 71 blijft eigendom van het Burgerweeshuis en gaat, na een interne verbouwing, dienst doen als herberg. Herbergier Pieter Meulemans laat in 1616 een keizerskroon boven de deur aanbrengen waarmee de naam van de herberg is gevestigd: ’De Keizerskroon’. De Keizerskroon is al snel een gerenommeerde herberg. Dankzij de aantrekkelijke locatie is De Keizerskroon ook een verkooplokaal van wijn, een ontmoetingsplaats voor kunstenaars, kunstverkoop en, zoals gebruikelijk voor herbergen, een veilinghuis. De bekendste gedwongen veilingen, publieke verkopingen, zijn die ten laste van Rembrandt. Het waren er maar liefst zes tussen 1653 en 1658. Slechts twee van zijn talloze schuldeisers krijgen uiteindelijk hun volle bedrag terug, onder wie burgemeester Cornelis Witsen. Tot aan zijn dood in 1669 heeft Rembrandt zijn schulden niet betaald. Een andere aansprekende veiling is die van boeken en prenten van de overleden Frans Coerten (1600-1668) in 1688. Coerten was een vermaard ‘afsetter’, een prentenkleurder.
Na het overlijden van Pieter Meulemans in 1634, zetten eerst zijn weduwe en daarna zijn schoonzoon Christoffel Poock het bedrijf voort. Op 1 november 1640 nam Barent Schepermans de huur over. Deze Barent Schepermans woonde in 1639, toen hij 29 jaar oud met de 26-jarige Grietje Barents van Bentheim trouwde, op de Doelen, net zoals zijn bruid. Barent Schepermans overlijdt in 1642. Grietje hertrouwde in 1643 met de 27-jarige Jan van Mel. Van Mel wordt in 1646 begraven. In 1648 ging zij weer naar het stadhuis, nu met een weduwnaar uit Weesp, Arent Jansz van Outshoorn. Net als de vorige echtgenoten zette hij een keurige handtekening; zij bracht het nooit verder dan een kruisje. Alle huurcontracten, die tussen 1640 en 1664 werden gesloten, de huur steeg in die tijd van fl.1100.- tot fl.1350.- per jaar, stonden op naam van Grietje of een van de echtgenoten. In 1664 vond op verzoek van de huurder een verbouwing plaats. In 1667 komt er na het overlijden van Grietje en Arent Jansz een nieuwe herbergier.
Een dochter van herbergier Simon Barbier ‘La Montagne’, van de Keizerskroon, Françoise Barbier de la Montagne, trouwde met Jean Cartel, de waard van het Groot Schild van Frankrijk of Plaats Royaal (Kalverstraat 13). Evenals Barbier La Montagne en hun huisbaas was het echtpaar Cartel-Barbier katholiek: ze lieten hun kinderen dopen in de Franse Kapel aan de Nieuwezijds Voorburgwal. In 1674 werd het vermogen van Cartel geschat op tweeduizend gulden. Na zijn dood in 1677 hertrouwde zijn weduwe met een Duitse chirurgijn. Ze verhuisden naar de Keizerskroon, waar ze als herbergierskoppel aan de slag gingen.
Wat betreft de veilingen werd ten voordele van het Burgerweeshuis op 16 januari 1700 bepaald, dat alle publieke verkopingen van wijnen, brandewijnen en azijnen voortaan in de Keizerskroon gehouden moeten worden. Herman Cramer huurde het gebouw toen voor fl.1000.- per jaar, maar dat werd met aanvang van mei 1701 verhoogd tot fl.1800.-. Voortaan verhuurden de regenten niet alleen het gebouw, maar ook het recht van de verkopingen van wijnen etc. Aan de eigenlijke herberg deden die verkopingen geen kwaad. In 1725 werd de herberg afgebroken, maar een onbekende tekenaar legde toen eerst de oude Keizerskroon vast. Men ziet daar, hoe passanten in de Kalverstraat naar de aangeplakte veilingbiljetten kijken.

De sloop en nieuwbouw in 1725 in opdracht van het stadsbestuur en uitgevoerd door de eigenaar, de regenten van het burgerweeshuis, kost fl. 27.650,-. Hun opdracht is dat het een gebouw wordt met ‘een cierlijke voorgevel’, vooral wegens de plaats waar het gebouw staat: ‘Int midden der stadt en ’t considerabelste van de passagie’. Het ‘cierlijkste’ van het gebouw is de top, de bekroning. Hier wordt de afstamming van het oude weeshuis benadrukt, twee weesjongens aan weerszijde van een cartouche waarin een witte duif met gespreide vleugels. Het topstuk is van de beeldhouwer Ignatius van Logteren. De duif symboliseert de Heilige Geest, het embleem van weesen gasthuizen. De naam De Keizerskroon verschijnt in letters op de gevel en de kroon verdwijnt. De functie blijft echter herberg, verkooplokaal van wijnen en brandewijn, ontmoetingsplaats van kunstenaars. In 1787 is het gebouw bovendien de zetel van de Orangisten, de tegenhanger van de Vaderlandsche Sociëteit, die op Kalverstraat 8 bijeenkomsten houdt. Nieuw is het organiseren van concerten, met als merkwaardigste een concert in 1765 op een glasharmonica, een instrument met een rij glazen schalen van verschillende grootte, dat geluid voortbrengt door er met een natte vinger over te wrijven.
In 1776 was een van de gasten Honoré Gabriel de Riqueti, graaf van Mirabeau samen met Marie Thérèse 'Sophie' Richard de Ruffey, markiezin van Monnier met wie hij naar Amsterdam was uitgeweken. Onder de naam graaf en grafin de Saint-Mathieu kwamen ze daarna bij de kleermaker Le Quesne in de Sint Luciënsteeg te wonen. Om geld te verdienen verrichtte Mirabeau vertaalwerk vanuit het Engels. Toen de ware identiteit achter het paar Saint-Mathieu werd ontdekt, liet de raadspensionaris Pieter van Bleiswijk hen door de schout Jan Bernd Bicker arresteren. Mirabeau en zijn vriendin werden in mei 1777 op transport gesteld naar Frankrijk. De zwangere Sophie werd naar een gevangenis in Parijs gebracht; Mirabeau werd opgesloten in het Château de Vincennes, waar ook zijn achterneef de markies de Sade gevangen zat. Hier schreef Mirabeau onder meer de Erotica Biblion.
Met ingang van 1 mei 1789 was de herberg verhuurd aan Jaques Amand Baudelet. Hij trof in enkele kamers kasten en een collectie boeken die hier voor een veiling in 1786 waren ingebracht en waarvoor fl. 80,- per maand werd betaald. Het betrof de veiling van de Bibliotheca Ploosiana, afkomstig van Albertus Ploos van Amstel.

In 1886 verkoopt het Burgerweeshuis het pand. De nieuwe eigenaren, Klaas en Hendrik Pander, verbouwen het gebouw tot winkel en besluiten in 1911 het gebouw helemaal nieuw op te trekken. Tijdens die bouw ontstaat een brand die het pand nagenoeg totaal verwoest. Pander is van veel markten thuis. De firma verkoopt meubels, maar krijgt algemeen grote waardering door het inrichten van het Vredespaleis in Den Haag, het Amsterdamse Tropeninstituut en de luxe passagiersschepen Johan van Oldenbarnevelt en de Nieuw Amsterdam. Pander begint in 1924 ook een vliegtuigfabriek. Vliegtuigen worden dan nog voornamelijk van hout gemaakt en Pander past de houtbewerkingstechnieken uit de meubelbouw in de vliegtuigen toe. Pander ontwikkelt in 1933 onder meer een ‘postjager’, een speciaal ontworpen toestel voor postvervoer. Echter bij een tussenlanding breekt het landingsgestel in stukken, later raakt het toestel bij de start een tractor en vliegt in brand. Het vliegavontuur van Pander is meteen afgelopen, terwijl er spottend wordt gezegd: ’Koop je meubels bij Pander en je vliegtuig bij een ander’. Ook het meubileringsbedrijf van Pander houdt het niet vol. In 1985 sluit het bedrijf de deuren.
Vanaf 1985 is het pand een winkel in de categorie ‘13 in een dozijn’.

In Amsterdam bestaan verschillende typen weeshuizen. Al vanuit een zeer oude bepaling stamt het principe dat de burgemeesters de ‘overste voogden’ waren van wezen en weduwen. Dit hield in dat zij hiervoor ook de zorg moesten dragen. In ieder geval tot aan 1795 bevatte de eed die burgemeesters moesten afleggen de tekst: ’Dat sweert ghy, dat ghy goede Poortmeesters ende beraders van de stede wesen sult; der goede eer, ende renten bewaren sult, als uwes selves goede; der stede der Poorteren, Weduwen ende Weesen beschutten ende beschermen sult, metter stede handvesten ende rechten; nae uwen beste vermoghen; ende dit niet te laten om eenigherhande saken’. Naarmate de stad groeide, konden de burgemeesters niet al hun taken zelf meer uitvoeren en werden steeds meer taken uitbesteed aan regeringscolleges. Een van de oudste van dergelijke colleges is de weeskamer. De weeskamer werd vanuit de stadsregering bestuurd en overzag de zorg van de wezen. De kosten hiervan werden onder andere vergoed vanuit de erfgelden van de wezen, waarover de gemeente (als overste voogd) de zeggenschap had. De weeskamer hield echter alleen toezicht op kinderen die iets (hoewel soms weinig) bezaten. Kinderen zonder enig bezit werden vaak uitbesteed aan huiszittenmeesters en door hen aan het werk gezet. Aan het begin van de 16e eeuw ontstonden hiervoor echter steeds vaker burgerweeshuizen, maar ook die hadden een beperkte taak. Zo nam de Amsterdamse weeskamer alleen kinderen van stadsburgers (poorters) op. Voor de kinderen wier overleden ouders het zowel aan bezit als burgerrechten ontbrak, bestonden er vanuit verschillende geloofsgemeenschappen ook weeshuizen. Het Amsterdamse regeringscollege ‘De weeskamer’ heeft bestaan van 1466 tot 1811.

Het weeshuis aan Kalverstraat 71 werd in januari 1566 getroffen door een mysterieus verschijnsel. Een groot deel van de kinderen werd opslag compleet gek. Ze schoten voor ieders voeten langs, rolden door het stof en klommen tegen muren op. Dat alles ging gepaard met gevloek en vreemde kreten en het opbraken van vreemde voorwerpen. Vingerhoedjes kwamen uit hun monden, naalden zelfs. Hun ogen puilden uit, ze schuimbekten en ook droop er donker bloed langs hun lijfjes. Laurens Reael beschreef in een kroniek dat ’70 knechjens en meyskens onder de arme weeskinderen van Amsterdam met den boosen geest beswaart wierden door welcke men sag en hoorde veel wonderwercken.’ Dat is tenminste wat we weten uit de overgeleverde gedenkschriften van korenkoper Laurens Jacobszoon Reael.
Iedereen stond perplex, maar vond het ook reuzeboeiend. Ramptoeristen trokken naar de Kalverstraat en geleerden bogen zich over het vreemde gedrag van de kinderen. Een verklaring bleef uit en de kinderen raasden door als wilden. De nieuwe schout moest het flink ontgelden. Hij trad op 1 april aan en belandde midden in de chaos, geen idee wat hij met de situatie aan moest. Hij gaf de kinderen koeken om ze zoet te houden, maar de wezen hadden zijn onmacht door en maakten hem uit voor Lange Deventer Koek. Eén iemand trof het nog slechter dan de schout: Jacoba Jacobsdochter Bam, Bametje genoemd. Een katholieke dame die haar dagen biddend doorbracht. Zo vroom als ze was, de kinderen gaven haar de schuld van hun gekheid. Zij had tovenarij en hekserij gebruikt om hen te bezweren zo vertelden ze. Een deel van de weesjes werd opgesloten in het Sint Paulusbroedersklooster, om daar verpleegd te worden. Ondanks ferme sloten op de deuren wisten ze uit het pand te breken en de boel weer op stelten te zetten. De situatie liep compleet uit de hand. Eén van de jongens vond de weg naar het atelier van de vermaarde beeldhouwer Joost Janszoon Bilhamer, ook aan de Kalverstraat. De man had net zijn versie van het Laatste Oordeel voltooid, waarna de jongen als een wervelstorm huishield en het beeld aan diggelen sloeg. De terreur hield maanden aan. Het letterlijke hoogtepunt was wel de dag waarop de kinderen als kleine katjes de toren van de Oudekerk beklommen. Een angstaanjagend gezicht was het en eenmaal boven zouden ze luid gebruld hebben dat ze niet naar beneden kwamen eer Bametje in het vuur zou staan. Een weesjongen drong zelfs haar huis binnen en dreigde haar in elkaar te slaan ware het niet dat de ´Grote Man´ (God) het hem verboden heeft. Uiteindelijk hoefde Bametje het vuur niet in. Ze werd zelfs officieel vrijgesproken van hekserij. Ook de kinderen kwamen weer naar beneden en werden uiteindelijk weer normaal.
Wat hen mankeerde?
De geleerden van toen repten over bovennatuurlijke krachten.
Maar ook: katholieken en gereformeerden probeerden elkaar als het even kon zwart te maken en betichtten elkaar van hekserij en tovenarij.
Historicus Jan Wagenaar schrijft in de 18e eeuw dat er geen reden was om aan bemoeienis van de duivel te denken en dat het klimmen langs wanden zich vaker voordeed bij krankzinnigen. Hij dacht dat de gereformeerden de kinderen tot hun daden hadden aangezet.
Volgens sommigen konden de kinderen uit het goed beveiligde Paulusbroedersklooster breken door hulp van buitenaf.
In de 20e eeuw kwam sociaal geneeskundige Arie Querido met een verklaring. Volgens hem werden de weesjes zo gek door het eten van voedsel met daarin vergiftigd roggemeel. Dit zou ergotisme, ofwel kriebelziekte, kunnen veroorzaken.
In 1994 werd het kasboek van het Burgerweeshuis uitgeplozen en daaruit kon worden opgemaakt dat de weeskinderen in de eerste maanden van 1566, een mager voedseljaar, bijna alleen maar hennepkoeken te eten kregen. En ja, daar komen geestverruimende stoffen bij vrij. Een hennepkoekdieet klinkt hiermee plausibel genoeg als verklaring voor dit vreemde gedrag.

Meer lezen:
Joosten, Jan
Bilhamer, Joost Janszoon
Burgemeester
Franse Kerk
Huiszittenmeester
Kalverstraat 13
Logteren, van, Ignatius
Orangisten
Renaissance
Vaderlandsche Sociëteit
Weeskinderen

Voor het laatst bewerkt:16-jun-2020