Reguliersbreestraat 26-28 (Tuschinski Theater)
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Tuschinski Theater
Adres: Reguliersbreestraat 26-28
Architect: Hijman Louis de Jong - D.C.Klaphaak, Kees Doornenbal (Rappange & Partners)
Bouwtijd: 1919-1921, 2002
Opdracht: Abraham Icek Tuschinski, Pathé

Abraham Tuschinski
Abraham Icek Tuschinski (in 1886 geboren in het in Polen gelegen Brzeziny, vermoord op 17 september 1942 te Auschwitz) is de zoon van koopman en kleermaker Wolf Tuszynski en Faige Taube Rotmann. Ook hij wordt kleermaker. Hij trouwt in 1904 op 17-jarige leeftijd met Mariem (Manja) Estera Ehrlich (1885–1942). Kort hierna vertrekt Abraham uit Polen om naar de Verenigde Staten te emigreren. Hij reist zonder zijn vrouw vooruit naar Rotterdam om daar op de boot te stappen. Hij vindt in Rotterdam echter werk als vestenmaker bij een kleermaker en gidst immigranten door Rotterdam. Zo verdient hij in korte tijd genoeg geld om zijn vrouw te laten overkomen. Samen zetten zij ‘Polski’ op, een logement voor landverhuizers, hoofdzakelijk gericht op Oost-Europese Joden. De landverhuizers hadden, in afwachting van de boot naar de Nieuwe Wereld, behoefte aan betaalbaar en goed onderdak. Aan de Nadorststraat richtte hij een hotel in met een op land- en geloofsgenoten berekende keuken. De passanten betaalden vijf cent per nacht voor logies en konden ervan verzekerd zijn dat de spijswetten werden nageleefd. Tot de gasten behoorden kleermakers en bontwerkers als Adolph Zuckor, Carl Laemmie, Joseph Schenck en Samuel Goldfish (Samuel Goldwyn), die later een belangrijke rol zouden spelen in de Amerikaanse filmindustrie.

Enige jaren later verdiept Tuschinski zich in een nieuw fenomeen: de bioscoop. In 1909 had Jean Desmet Cinéma Parisien geopend, de eerste echte bioscoop van de stad. Desmet kreeg al snel concurrentie, in 1911 gingen er zeven nieuwe bioscopen open. Eén van deze theaters was opgezet door Tuschinski: Thalia en ondergebracht in de oude voor de sloop bestemde Zeemanskerk aan de Coolvest. In 1912 moet de kerk verlaten en heeft Tuschinski een pand aan de Hoogstraat bemachtigd waar hij een echte filmtempel met comfortabele stoelen en vrij uitzicht op het filmdoek vanaf iedere plaats realiseert. Tuschinski had hierbij grote steun van zijn zwagers Herman Gerschtanowitz en Herman Ehrlich. Ehrlich had een artistieke inslag, Gerschtanowitz was zakelijk ingesteld. Gezamenlijk bouwden zij de bioscooponderneming uit tot een klein lokaal imperium. Eerst namen zij het slecht lopende Royal over van Desmet, daarna volgde de overname van de exploitatie van het Scala Theater en de koop van Verhaars Olympia. Tuschinski koesterde een groot enthousiasme voor de filmkunst en behoefte aan het grote gebaar dat soms in strijd was met zijn zakelijk-financiële belangen. Hij wilde bepaalde films waarvan hij de vertoningrechten had verkregen, voorzien van een kostbare toneelshow met bekende sterren van film, music-hall of variété, koor, ballet en dure decors. Omdat hij bepaalde films perse wilde hebben, lieten filmverhuurders hem regelmatig te veel betalen.
In de ingangshal van het theater werd in 1949 een herdenkingsplaquette onthuld voor de grondlegger en voor zijn eveneens in de oorlog vermoorde compagnons Ehrlich en Gerschtanowitz.

Theater Tuschinski
Het wordt tijd voor de sprong naar Amsterdam, waar in eerste instantie wordt geprobeerd een pand aan de Dam in handen te krijgen. Als dit niet lukt wordt verder rondgekeken en vinden ze in de Reguliersbreestraat enkele winkelpanden die met de achterzijde grenzen aan de Duivelshoek, enkele steegjes waarin ruim dertig krotten elkaar behoeden voor instorten. Door een verspreking van een makelaar hebben de bewoners en eigenaren al snel in de gaten dat er wat te verdienen valt en zo verhuizen ze van de ene bouwval in de andere zonder echt te verdwijnen. Ook hier geldt al doende leert men, dus wordt bij een volgende verhuizing een pand direct onbewoonbaar gemaakt. In 1919 is het gehele complex in eigendom en kan de bouw van een 'wereldtheaterpaleis' beginnen. Tuschinski had toen al 600.000 gulden geïnvesteerd om met zo’n twintig verschillende huiseigenaren tot overeenstemming te komen en de grond bouwrijp te maken. De beoogde 'tempel gewijd aan de cinematische kunst', wordt op 28 oktober 1921 als Theater Tuschinski in gebruik genomen in aanwezigheid van 1500 genodigden. De krant Het Vaderland is lyrisch en schreef bij de opening ’Den monumentalen Tuschinski-gevel, fraai van lijn, mooi van steen, dadelijk verradend dat hier een lichtspel zijn triomfen viert’. Het Tuschinski Theater is een ontwerp van de architect Hijman Louis de Jong die echter de bouw niet zou voltooien, zijn samenwerking met Tuschinski, die niet voor niets de 'Napoleon van de Duvelshoek' werd genoemd, eindigde in ruzies en een proces. De bouw werd daarop voltooid onder leiding van ingenieur D.C.Klaphaak. Tuschinski modelleerde het gebouw geheel naar eigen smaak en trok decorateurs aan als Chris Bartels, Willem Kromhout, Pieter den Besten, Jaap Gidding en Dirk Jan van der Laan die ieder een eigen stempel op het gebouw zouden drukken. De bouwkosten bedroegen ongeveer 4 miljoen gulden. Voor die prijs was ook een revolutionaire verwarmings- en ventilatiesysteem aangebracht dat op alle plekken in het theater de temperatuur gelijk kon houden en de binnenruimten vrij van sigarettenrook. In die tijd mocht er nog binnen gerookt worden en met 1500 zitplaatsen in de zaal was een goede ventilatie geen overbodige luxe. Het gebouw heeft een bijzondere architectuur en inrichting, tot op het schellinkje luxueus en rijk ingericht, bedoelt om altijd één van de mooiste bioscopen in Nederland te blijven. Tuschinski streefde naar eigen zeggen altijd naar ‘het grootste van het grootste’ zodat men met recht van een Tuschinksistijl kon spreken, synoniem voor flamboyant, weelderig, extravagant en ambitieus. In het blad Tuschinski Nieuws vertelde hij later: ‘Amsterdam heeft vele theaters, maar als ik er een bouw, dan moet het alle andere ver overtreffen [….. ] grootsch als een tempel en fraai als een paleis, een theater dat zijn weerga in Europa nog niet heeft, en zelfs het verwende Amsterdamsche publiek paf doet staan van bewondering’.

Bouwmoeilijkheden
Het was in de roerige jaren na de Eerste Wereldoorlog vaak lastig aan bouwmaterialen te komen. Zo mochten de 1200 heipalen die Tuschinski in Duitsland had besteld het land niet uit. Daarop reisde de doortastende bioscoopondernemer zelf naar Wiesbaden om er ter plekke op toe te zien dat de palen tot houtvlotten gebundeld werden en afgedekt met de Nederlandse vlag de Rijn konden afzakken. Opslag vond plaats in de Herengracht.
Voor de bouw worden twee miljoen stenen gekocht, maar de steenfabriek wordt door watersnood getroffen. Tuschinski en Klaphaak rijden in een gehuurde boerenwagen naar Kesteren waar ze toch de levering voor elkaar weten te krijgen.
De gewapend houten overkapping met rubberoid van Stephan’s Dach Hallbau Gesellschaft blijkt plotseling niet op tijd leverbaar. Tuschinski en architect Klaphaak snellen naar Düsseldorf en belanden midden in een vuurgevecht. Op de grond liggend in de eetzaal van het Park Hotel informeert Tuschinski wat er aan de hand is. De ober antwoord: ’Ach, gar nichts, das sind die Spartakisten die Revolution machen. Das dauert schon einige Tage.’ Maar revolutie of niet de zaken worden geregeld.
De bouw van het theater gebeurt in eigen beheer en tegen daglonen, want niemand wil in deze onzekere tijd iets tegen een vaste prijs aannemen. Het gevolg is dat de kosten volledig onvoorspelbaar zijn.
Abraham Tuschinski had gehoord van het overweldigende succes van een orgel in Amerikaanse theaters en moest en zou zo’n orgel hebben voor zijn zaal. Wurlitzer kon echter onmogelijk op tijd leveren. Het was Abraham echter ter ore gekomen dat een soortgelijk orgel in Brussel was geïnstalleerd. Hij besloot het orgel vandaar over te kopen en kwam met de eigenaar tot een vergelijk ten koste van 50.000 gulden en veel overredingskracht. Hij nam alvast enkele vitale onderdelen mee naar Amsterdam, voordat ze zich zouden bedenken. Het theaterorgel was net op tijd geplaatst.


                             
                             fragment uit The Broadway Melody (1929)

Hoe gaat het verder?
Ook na de opening werd in het gebouw verder gewerkt. Eigenlijk was het theater onder het bewind van Tuschinski nooit af. De trendgevoelige bioscoopmagnaat liet het interieur voortdurend veranderen. Voor 'filmkoning' Tuschinski gingen de kosten vanzelfsprekend voor de baat uit. Zo was hij er als de kippen bij om de geluidsfilm te vertonen, toen die in 1927 een doorbraak had beleefd. Op 10 mei 1929 werd in Tuschinski de eerste geluidsfilm getoond, The Broadway Melody. De komst van de geluidsfilm noopte tot enkele aanpassingen ter bevordering van de akoestiek. In 1930 introduceerde hij de galapremière, waarbij alle acteurs aanwezig waren en handtekeningen konden uitdelen aan het publiek. De vernieuwingsdrang kwam in de aanloop naar het tienjarig jubileum van het theater in 1931 tot een climax. Vele in het oogspringende elementen in het huidige interieur dateren uit die tijd. Tuschinski was op het toppunt van zijn succes.
Het blijft geen rozengeur en maneschijn. In 1936 werd het Tuschinski theater failliet verklaard. De zakelijke leiding gaat over in handen van het Duitse Tubem met de joodse hoofddirecteur Van Santen. Tuschinski blijft nog wel de directeur, maar nu in dienstverband. Toen Tuschinski de zakelijke leiding uit handen had moeten geven, onderging het theater gaandeweg een versobering. Kort na het begin van de Tweede Wereldoorlog worden Van Santen en de bedrijfsdirecteuren Abraham Tuschinski, Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz op staande voet ontslagen. Meester Koop Blom, die in 1936 de overname van de Tuschinski Theaters door Tubem regelde, wordt benoemd tot hoofddirecteur. Het theater wordt verhuurd aan het Duitse filmverhuurkantoor Tobis, een nog altijd op dit gebied actieve firma in Duitsland.

Op 31 augustus 1940 vindt er een vreemde gebeurtenis plaats in het theater.
Het illegale Parool van 17 september 1940 beschrijft wat er gebeurt: 'Een vreemde vlaggendemonstratie. Op den verjaardag van onze Koningin (Wilhelmina) bleken er 's ochtends in de vroegte twee vlaggen te hangen aan den gevel van het bekende Theater Tuschinsky te Amsterdam. Het waren onze eigen driekleur en de vlag van onzen Britschen bondgenoot. De vroege voorbijgangers zagen deze demonstratie met groote instemming. Spoedig bleek evenwel, dat men hier met een zeer zonderlinge geschiedenis te doen had. Van Duitsche zijde werden de vlaggen namelijk verwijderd, waarna vrijwel het geheele personeel van de bioscoop gearresteerd werd; zelfs werden personeelleden, die buiten met vacantie waren, opgepakt en opgesloten, ofschoon zij konden aantoonen den nacht tevoren niet in Amsterdam te zijn geweest. Verder wordt bepaald, dat het theater voor den tijd van drie maanden gesloten moet worden. In bioscoopkringen wordt aangenomen, dat het hier een streek betreft, die uitgehaald is om Tuschinsky aan den rand van het bankroet te brengen, waarna het heel gemakkelijk moet vallen het populaire theater voor een appel en een ei op te koopen. Het Duitsche Tobis-concern is namelijk sinds eenigen tijd bezig Nederlandsche bioscopen op te koopen en het schijnt, dat men Tuschinsky ook in handen wil zien te krijgen.' De twee vlaggen die aan de gevel wapperden blijken afkomstig te zijn van de rekwisietenzolder van het theater. Alleen insiders weten van de aanwezigheid van de vlaggen op die plek af. Dit lijkt een bewijs dat onbetrouwbare elementen onder het personeel de hand in het incident hebben.
Abraham Tuschinski wordt niet opgepakt omdat hij in Rotterdam is op het moment van het incident. Hij reist af naar Amsterdam waar zijn personeel vast zit in het huis van bewaring aan de Weteringschans. Hij doet daar alles wat in zijn macht ligt om zijn mensen vrij te krijgen, en dat lukt. Maar het theater mag niet eerder geopend worden dan wanneer het aan de Duitsers is overgedragen. De opzet slaagt. Het theater opent pas weer op vrijdag 15 november als de hele Tuschinski-exploitatie is overgedragen aan International Tobis Cinema NV. De naam Tuschinski verandert op 1 november 1940 in Tivoli. In de volksmond kreeg die naam al snel de betekenis: ‘Tuschinski Is Verkocht Of Liever Ingepikt’. Vanaf dat moment draaien in Tivoli alleen nog Duitse films. Na de vernedering van zijn ontslag heeft hij in januari 1941, op hetzelfde moment dat voor Joden het bioscoopbezoek verboden werd, een volmacht moeten tekenen waarin hij de heer K.Blom het recht geeft: 'om zijne belangen waar te nemen, voor zijne rechten op te komen en hem daarbij te vertegenwoordigen'. Uit de beverige handtekening onder deze verklaring spreekt de wanhoop en de onmacht van de bioscoopkoning aan wie alles is ontnomen. Op 29 juli 1945 keert de naam Tuschinski terug op de gevel.

Vrijdag 18 juli 1941 is er brand in Tivoli in de twee zalen van cabaret La Gaîté waarbij alle originele schilderingen van Pieter den Besten verloren gingen. De reden van deze brand, een ongeluk of een verzetsdaad, is tot op heden onbekend gebleven. Het gevolg is dat de zalen gesloten worden en een langdurige renovatie op last van de Duitse directie plaatsvindt. De bovenzaal wordt geheel afgesloten, de vide, die de twee zalen verbindt wordt dichtgemaakt waardoor de benedenzaal als enige cabaret overblijft. Alle losse beelden in het theater zijn gestolen en de kostbare Western Electric projectoren zijn vervangen door Duitse apparatuur. Pieter den Besten krijgt geen nieuwe opdracht de zaal te decoreren. Het is de Nederlandse kunstenares Corrie Helman die de carnavaleske schilderingen voor het nieuwe Tivoli-cabaret ontwerpt. Bijna anderhalf jaar na de brand heropent het cabaret op feestelijke wijze op vrijdag 13 november 1942, maar er treden alleen nog maar Duitse artiesten op in La Gaîté dat is omgedoopt tot Tivoli cabaret. Pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd de ruimte verbouwd tot bioscoopzaal: Tuschinki 2.

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog was sprake van onttakeling en zijn vele kostbare inventarisstukken uit het theater verdwenen. De nevenruimten die verschillende vormen van amusement hadden geboden werden in de jaren zeventig tot kleine filmzalen omgebouwd. Aansluitend op de opening van het nieuwe Pathé de Munt onderging Tuschinski in 2000-2002 een grondige opknapbeurt onder de leiding van architect Kees Doornenbal van Rappange & Partners. Men herstelde zowel de gevel als het interieur. De leidende gedachte achter de restauratie was het theater niet in de oorspronkelijke toestand van 1921 terug te brengen, maar ook de door Tuschinski zelf aangebrachte veranderingen te respecteren. De restauratie ging dus feitelijk terug tot de situatie van 1936, het moment dat Tuschinski door het faillissement de zeggenschap uit handen werd genomen. Ook het fraaie masker, een werkstuk van Jaap Kaas, werd hersteld evenals de door hem ontworpen tekst Theater Tuschinski.

Exterieur
De rijk gedecoreerde gevel in de opvallende, geheel eigen bouwstijl heeft de uitstraling van een kathedraal met twee torens en is geheel bekleed met geglazuurde tegels en keramische sculpturen (afkomstig uit de Plateelaardewerkfabriek Delft), her en der verfraaid met smeedijzeren decoraties en lampen van de hand van Barend Jordens. De oosters aandoende architectuur van de voorgevel heeft met zijn markante torens een adverterende functie: het was bedoeld om het publiek feestelijk binnen te leiden in een illusoire wereld, waar het weelderige interieur diende als passende omgeving voor de onder begeleiding van theaterorgel en orkest getoonde filmbeelden en variéténummers. Het resultaat is een mix van verschillende stijlen: Amsterdamse School, Jugendstil en Art Deco. Toenmalige architecten spraken neerbuigend over 'pruimentaartarchitectuur'.
Het exterieur is in 1998 gerestaureerd (tegelijk met Nöggerath) door Rappange & Partners.

Interieur
Het gebouw is onderverdeeld in een rechthoekige voorbouw waarin de ingangshal met daarboven een variétézaal, La Gaîté, is opgenomen; een tussengedeelte met garderobe, toiletten, trappen en overloop; de grote zaal en aan de zijde van de Reguliersdwarsstraat een toneelgebouw. Het gebouw wordt gedragen door een betonskelet, maar daarvan is niet veel te merken in het interieur waar alles schuilgaat achter tropische houtsoorten, marmer, wandbespanningen, fijn geslepen glas, brons en koper. Toch is niet alles goed gegaan: bij het ontwerpen is de projectiecabine in de grote zaal vergeten. In eerste instantie werd er noodgedwongen vanachter het doek geprojecteerd en pas ‘in januari 1922 werd de timmerwerkplaats op de hoogste verdieping aan de voorkant van het gebouw ingericht als filmcabine’. De projectie vindt hierdoor plaats onder een extreem schuine hoek, waardoor een vertekend beeld ontstaat dat aan de bovenkant ook niet helemaal scherp is (er wordt scherpgesteld op de ondertitels). Het vroegere projectiescherm was 12,5x8,5 meter groot. Het huidige scherm meet 12,8x9 meter.

De ontvangsthal, grotendeels ontworpen door Jaap Gidding, straalde een vorstelijke allure uit, die de bezoeker direct uit de sfeer van alledag wegvoerde naar een sprookjeswereld vol klatergoud. Op de vloer lag een dik tapijt met sprankelende warme kleuren, vervaardigd door de Koninklijke Vereenigde Tapijtfabrieken in Deventer. De gekroonde adelaar die in het tapijt is verwerkt, is een verwijzing naar Tuschinski’s geboorteland Polen. De ontvangstruimte was bedoeld als wachtruimte waar u op de toegangskaartjes wachtte die door de gastheer voor u bij de kassa gehaald werden. U moest het gevoel hebben uit te zijn en dus geen beslommeringen van kaartjes kopen en naar uw plaats zoeken. In de zaal waren het de ouvreuses die deze zorgen van u overnamen en u uw plaats aanwezen. Een bescheiden tip hoorde daar natuurlijk wel bij.

Een regelmatig terugkerend motief op de al even kleurige wandschilderingen is dat van in art-decostijl gestileerde pauwen. De lambriseringen en afwerkingen zijn van marmerplaten en tropische houtsoorten. In de rand van de plafondkoepel zijn verschillende kleurenlampjes aangebracht die beurtelings oplichten. De glas-in-lood vensters in de erkers en de vele reliëfs zijn ontwerpen van Chris Bartels.

Pauwen en vlinders
Een groot deel van de decoraties bestaat uit gestileerde pauwen en vlinders, volgens zeggen een bewuste keuze van Tuschinski. Het vlees van de pauw is zo hard dat het moeilijk rot en met koken hard blijft. Claudius Galenus, een Grieks/Romeins arts, vermeldt dat ze moeilijk te verteren zijn. Augustinus, kerkvader, beweert dat pauwenvlees niet verrot, maar wel een jaar lang goed blijft. Vanwege het idee dat pauwenvlees niet vergaat kwam men tot het gebruik van de pauw als symbool van onsterfelijkheid. Een pauw kan vijfentwintig jaar oud worden en is om zijn pronkerige aard bij uitstek het symbool van hovaardij, hoogmoed en ijdelheid.
De vlinder vinden we op vele manieren terug in het gebouw, als rups getekend, maar ook lamparmaturen die de vorm van een rups hebben. Verder als echte vlinder afgebeeld en gestileerd zoals in de filmzaal waar de lampen een vlinderlichaam en -vleugels verbeelden in hun vorm van twee keer drie lampen boven elkaar (de vleugels) gescheiden door een langwerpige lamp (het lichaam). De vlinder wordt gezien als symbool van schoonheid.

Japanse kamer
Deze ruimte ingericht in Japanse stijl was oorspronkelijk bedoeld als garderobe en ligt links van de ingang aan de wandelgang naar de filmzaal. Een paneel met een voorstelling van een geisha die door bedienden gekleed wordt, verwijst naar de oorspronkelijke functie van de Japanse zaal. Nu verleent de Japanse Kamer, ingericht door Den Besten, toegang tot het zalen 4, 5 en 6 en de voormalige Nöggerath bioscoop.

Moorse kamer
Deze ruimte is ingericht in Moorse stijl en oorspronkelijk bedoeld als een intieme zithoek. Ze ligt, enigszins verscholen, rechts van de ingang aan de wandelgang naar de filmzaal. In de Moorse kamer worden middels de decoratie de sprookjes van 1001 Nacht tot leven gebracht. Wie de decoratie voor deze ruimte heeft ontworpen is niet bekend.

Filmzaal
De grote zaal, met een capaciteit van, toen, 1600 zitplaatsen, is in bewuste wedijver gebouwd met gerenommeerde theater-en schouwburgzalen. Ook hier zijn zijbalkons, loges, toneellijst en orkestbak aanwezig. Tuschinski wilde van de film een volwaardige amusementsvorm maken, net zo respectabel als de traditionele kunstvormen muziek en toneel. Geen van de theaters en schouwburgen in Amsterdam kon echter bogen op zo een spectaculaire hangconstructie van de balkons als in het Tuschinski Theater. Hoewel de balkons zeven meter de zaal insteken zijn gezichtsbelemmerende zuilen en pijlers achterwege gebleven. De dragende balken rusten op kolommen in de scheidingswand tussen zaal en foyers, en worden over de wandelgangen heen verlengd tot aan de zijgevel en andere draagmuren. De komst van de geluidsfilm noopte tot enkele wijzigingen ter bevordering van de akoestiek. Daartoe werd onder andere de lambrisering hoger opgetrokken.

De rand boven het toneel heeft een symbolische decoratie. In het midden zijn Thalia 1 en 2 afgebeeld, een verwijzing naar de eerste bioscoop van Tuschinski in Rotterdam achtereenvolgens op de Coolvest en de Hoogstraat. Thalia is één van de drie Gratiën. Verder zijn de vier elementen weergegeven, links van Thalia water en lucht door afbeeldingen van een vis en een vogel, rechts vinden aarde en vuur met afbeeldingen van een slang en een vulkaan. Tenslotte is nog de bliksemschicht voor elektriciteit, noodzakelijk voor het projecteren van films, weergegeven.

Via de wandelgang kon men naar de toiletgelegenheden in het souterrain afdalen waar zich tevens een kinderopvangruimte bevond. Ook hier was Tuschinski uiterst vooruitstrevend want de jongste kinderen konden hier ook verschoond worden met statiegeldluiers van het theater. Men werd geacht de luier thuis te wassen en terug te brengen waarna het statiegeld terug werd betaald. De achterliggende gedachte was: wellicht kopen ze nog weer een kaartje voor een volgende film.

Het opvallendste onderdeel in de grote zaal is de reusachtige stalen spinlamp, ontworpen door Chris Bartels. Ze wordt omgeven door sjabloonschilderingen met pauwenmotieven, vermoedelijk van de hand van Willem Kromhout. Pieter den Besten schilderde in 1931 langs de bovenrand van de wanden achttien, meer dan levensgrote vrouwenfiguren die tijdens de restauratie van 2001-2002 weer aan het licht zijn gekomen en in oude luister hersteld door Rappange & Partners.
Voor het toneel bevond zich de orkestbak. Het Tuschinski Theater-orkest o.l.v. Max Tak, die ook het grote orgel bespeelde, stond tijdens het interbellum bekend als het beste theaterorkest van Nederland. Met de komst van de geluidsfilm zijn de theaterorkesten geleidelijk verdwenen. In Tuschinski werden echter nog tot 1969 filmvoorstellingen door levende muziek begeleid wat extra cachet gaf aan een avondje uit.


                             
                             John Atwell op het Tuschinski theaterorgel Be my guest

Orgel
Het 850 orgelpijpen tellende instrument werd het wonderorgel genoemd omdat het alle mogelijke geluiden kon imiteren, van arresleebellen en vogelgeluiden tot en met de menselijke stem, hoewel critici er eerder een kruising tussen een misthoorn en een bromvlieg in meenden te horen. Het orgel had 4 stemmen maar werd al in 1923 vervangen door een groter Wurlitzer orgel van 6 stemmen en dit maal wel direct van de fabriek. Door de goede akoestiek van de zaal is dit genoeg. De orgelpijpen bevinden zich onder het toneel in een deel van de orkestbak. Deze is later dichtgemaakt maar wel voorzien van te openen wanden en vloerdelen in het podium zodat het orgelgeluid de zaal kan bereiken. In 1940 volgt een uitbreiding tot 10 stemmen.
Bespelers van het orgel waren bij de opening de Amerikaanse organist Stevenson en de Belgische organist Beers, die tot 1922 de vaste organist bleef. Toen werd hij opgevolgd door Pierre Palla samen met Max Tak. Rond 1940 is Cor Steyn de vaste organist. Van 1946 tot 1976 wordt het orgel bespeeld door Jan Mekkes. In 1976 komt Rene de Rooij, afkomstig van het City Theater, hem assisteren tot in de loop van 1977 ook hier het doek valt voor de pauzemuziek.

La Gaîté
Op de gang op de eerste verdieping was, als in de foyer, een ondiepe koepel met verschillende kleurenlampen. Tegen de muur bevindt zich een bronzen fontein met vissenkop. Hier bevond zich boven de ontvangsthal een dancing annex variété- en cabaretzaal, La Gaîté (nu filmzaal 2). Het was een geliefde nachtclub in het Amsterdamse uitgaansleven tijdens het interbellum (1921-1940). Een smeltkroes vol cabaretiers, muzikanten en variété-artiesten, onder de bezielende leiding van opnieuw Abraham Tuschinski. De bioscoopmagnaat liet zich inspireren door het bloeiende nachtleven in steden als Berlijn en Parijs. In een weelderig, door Pieter den Besten, gedecoreerd zaaltje, op de eerste etage van zijn filmtempel, schitterden ontelbare grote namen in zijn ‘Soirée Dansant Chantant’. Tijdens de opening van Theater Tuschinski, op 28 oktober 1921, ging ook de programmering van Cabaret La Gaîté van start. Artistiek leider van het cabaret was Henri Wallig. Tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog kende de nachtclub vele pieken, maar ook dalen. Als het tijdens warme zomers wat minder ging had Abraham Tuschinski altijd wel een nieuw plan klaar liggen, waarmee hij publiek wist te trekken. Zoals de revue ‘Gek Hè’ geschreven door Max Tak en gepresenteerd door Henri Wallig, waarin het beroemde lied ‘Onder de bomen van het plein’, een grote hit werd. En Tuschinski wist artiesten, die eigenlijk alleen voor de grote zaal waren geboekt, zover te krijgen dat ze onder het genot van een versnapering ook nog even acte de presence gaven in zijn intieme cabaret.


                             
                             Louis Davids 'Moeder is dansen'

Dansverbod
Er bestaat in Nederland en dus ook in Amsterdam een dansverbod. De burgemeester van Amsterdam, de streng protestanse Willem de Vlugt, handhaaft net als zijn voorgangers het dansverbod. Al sinds 1893 verstrekt de gemeente geen dansvergunningen meer. Wie het verbod overtreedt loopt het risico zijn muziekvergunning kwijt te raken. Pas in 1924 krijgen de eerste Amsterdamse instellingen weer een dansvergunning toegewezen. Er mag weer gedanst worden – ..behalve op zondag natuurlijk. Ook La Gaîté verandert daardoor in een danspaleis, waar men terecht kon voor een Thé Dansant en ‘s avonds voor een ‘Soirée Dansante’. In 1926 werden ook bekende dansorkesten als The Ramblers aangetrokken. Mede dankzij deze programmering van The Ramblers in La Gaîté kreeg Amsterdam een nieuwe dansinjectie.
In de dertiger jaren steeg weer de interesse in het cabaret uit de jaren twintig en haalde Tuschinski, op aanraden van Louis Davids, het Berlijnse cabaret van Rudolf Nelson (‘De Nelson Revue’) in huis, met talentvolle joodse artiesten op de vlucht voor het opkomende naziregime. Om de week zorgden ze voor een nieuw programma, zodat het publiek nooit uitgekeken raakte en terugkeerde. La Gaîté leeft nog slechts voort in een liedje van Louis Davids ‘Moeder is dansen’.

VIP-ruimte
Omstreeks 1977 wordt op de eerste verdieping in de oude artiestenkleedruimte, gelegen achter het grote projectiescherm van de filmzaal, een VIP-ruimte gecreëerd. In eerste instantie een tamelijk eenvoudige ruimte maar met de renovatie van 1998-2002 wordt ook deze ruimte gemoderniseerd en van meer allure voorzien. Dit past geheel bij de upgrading van het eerste balkon in de filmzaal waar vanaf nu een luxe business-club is ondergebracht. De panelen achter de bar zijn geënt op het voormalige cabaret La Gaîté.

Restauratie
Kees Doornenbal van Rappange & Partners heeft in 1998 de leiding van de uitgebreide restauratie van het theater die tot 2002 zal duren. De buitengevel ondergaat groot onderhoud. Wat het interieur betreft is vooral de entreehal schoongemaakt. Hierbij zijn de oorspronkelijke kleurschakeringen weer aan het licht gekomen die onder een dikke nicotinelaag verborgen gingen. Het huidige handgeknoopte tapijt is het vierde exemplaar op rij en werd in 1984 vervaardigd door tapijtweefsters in Marrakech. De grootste ontdekking was echter dat in de zaal de verloren gewaande schilderingen van achttien tot het plafond reikende vrouwenfiguren weer aan het licht kwamen. Van de grote ‘spinnenweblamp’ uit 1921 in de zaal zijn de latere perspex-aanvullingen weer vervangen door plaatjes getint glas. De sjabloonschilderingen met pauwenmotieven daaromheen van de hand van Willem Kromhout werden schoongemaakt en deels gereconstrueerd. Het eerste balkon werd ingericht als een luxe business-club. De capaciteit van de grote zaal is hierdoor teruggebracht tot 850 zitplaatsen. Het voormalige Nöggerath is via inwendige doorbraken verbonden met het Tuschinski Theater.
Tegenwoordig maakt het theater onderdeel uit van het Pathé-concern, dat aansluitend aan de Vijzelstraat een nieuwe bioscoopcomplex heeft gebouwd, Pathé de Munt. Het complex bevat na de heropening van het gerestaureerde Tuschinski in totaal 19 zalen en ruim 3850 stoelen.

Memorabilia
In 1927 werd op initiatief van Abraham Tuschinski en zijn zwager Herman Gerschtanowitz (1887-1942; de overgrootvader van Winston Gerschtanowitz) door de toenmalige Bioscoopbond de stichting Bio-Vacantieoord opgericht. Deze stichting exploiteerde sinds 1931 het landhuis Russenduin in Bergen aan Zee als een vakantieoord voor ziekelijke kinderen en kinderen uit arme gezinnen. Het is opgevolgd door het BIO Kinderrevalidatiecentrum Arnhem dat in 1952 is opgericht als ‘Bio-Herstellingsoord’ of ‘Bio-vakantie Oord’ door de stichting Bio-Vacantieoord. Bio had naast de kinderrevalidatie ook een eigen mytylschool, op eigen terrein gebouwd en later uitgebreid tot een grote moderne school, die in 1980 opgeleverd werd. De stichting collecteerde tot in de jaren 90 in alle Nederlandse bioscopen.

Meer lezen:
Bartels, Christiaan
Besten, den, Pieter
Doornenbal, Kees
Gidding, Jaap
Jong, de, Hijman Louis
Jordens, Barend
Kaas, Jaap
Klaphaak, D.C.
Kromhout, Willem
Laan, van der, Dirk Jan
Vlugt, de, Willem

Voor het laatst bewerkt:02-mrt-2019