Dam (nationaal plein)
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Het kleine plein aan de westkant van de sluis in de Amstel geeft plaats aan een waaggebouw en de eerste marktkooplieden die de inwoners van waren voorzien. Met de groei van het inwonertal van de stad is er ook meer ruimte nodig voor de markt, ruimte die er niet is. Hierop wordt besloten de markt op te splitsen in kleinere deelmarkten, het moment dat De Laene ruimte biedt aan de kalvermarkt en daarnaar Kalverstraat gaat heten. De resultaten van deze spreiding is nog altijd in de naamgeving terug te zien. Denk maar aan nog bestaande namen als Oude Turfmarkt, Kalkmarkt, Zandhoek. En aan verdwenen namen als Appelmarkt, Schapenplein en Varkensmarkt. De enige twee markten die lang op de Dam blijven zijn de zeevismarkt en de riviervismarkt, maar zij stonden aan de oostkant van de Amstel. Zij zullen pas in de 19de eeuw definitief verdwijnen naar een nieuwe locatie.
Eén van de oudste gebruiken op de Dam was Koppermaandag. Koppermaandag is de eerste maandag na Driekoningen (6 januari). Op die dag hielden de gilden traditioneel een feestdag. De gildebrieven werden voorgelezen en de privileges die de leden van het gilde genoten, werden opgesomd. Vervolgens trokken de gildelieden de stad in om geld in te zamelen dat vervolgens werd verbrast. Zo sloten zij de donkere periode rond de kortste dag af. Koppermaandag wordt al in de eerste helft van de 15e eeuw genoemd, maar is waarschijnlijk nog ouder. In Amsterdam mochten op Koppermaandag en de dag erna de leprozen de stad in, wat normaal streng verboden was. In optocht ging het naar de Dam. Vervolgens werd geld ingezameld voor het Leprozenhuis en kregen de leprozen een maaltijd aangeboden. Vanaf 1604 werd de optocht verboden omdat die te veel overlast veroorzaakte.
Met het afbranden van het stadhuis in 1652 wordt het plein aan de westzijde van de Amstel al een stuk uitgebreid, het nieuwe stadhuis staat veel meer naar de Nieuwezijds Voorburgwal. Met deze verruiming van het plein biedt het ook meer mogelijkheden voor het houden van manifestaties.

Al sinds september 1793 waren de Nederlanden in oorlog met Frankrijk. In 1795 trokken Franse troepen en patriotten onder leiding van Charles Pichegru en Hendrik Willem Daendels de Nederlanden binnen. Op 19 januari 1795 riepen ze in het stadhuis van Amsterdam de Bataafse Republiek uit. Hervormingsgezinde patriotten roken hun kans en namen in de Republiek de macht over. Het was een fluwelen revolutie met nauwelijks geweld: de orangisten bewaarden de rust en droegen de machtsfuncties over aan de patriotten. De Bataafse Republiek was geboren. Op tientallen plaatsen in Nederland verschenen op stadspleinen vrijheidsbomen, ook op de Dam, en patriotten dansten met Franse soldaten een intieme Franse dans: de valeta.
De vrijheidsbomen en danspartijen vormden een rituele overgang naar een nieuwe, hervormingsgezinde maatschappij zonder stadhouder. Economisch was de Franse Tijd een afgang: de Bataafse Republiek moest de Franse bezetting zelf betalen, de buitenlandse handel van de Republiek viel stil en het scheepsverkeer in de havens halveerde binnen een jaar. De waarde van Nederlandse staatsaandelen op de beurs daalde in de jaren 1795 tot 1797 naar 20 procent van de aanvankelijke waarde en de VOC ging failliet.
Staatkundig kregen we een nieuwe grondwet (1798). Deze stond in 1848 voor een aanzienlijk deel model voor de liberale grondwet van Johan Rudolph Thorbecke. Enkele van de belangrijkste bepalingen uit de grondwet van 1798, waar zelfs nu door sommige partijen nog aan getornd wordt, waren: Elke inwoner van de Republiek is gelijk voor de wet, zonder onderscheid ‘van geboorte, bezitting, stand of rang’. Er kwam vrijheid van meningsuiting, pers, vergadering en religie. en Immigranten waren welkom, aldus artikel 50: De maatschappij ontvangt alle vreemdelingen, die de weldaaden der vrijheid vreedzaam wenschen te genieten in haar midden verleenende denzelven alle zekerheid en bescherming.

Inmiddels is er aan de Dam weinig veranderd. Het plein is nauwelijks groter geworden en dat zal nog geruime tijd zo blijven. Omdat Nederland in de Franse tijd enkele jaren een koninkrijk was onder de broer van Napoleon, Lodewijk Napoleon, en deze ook ergens moest wonen was het stadhuis afgestaan als paleis. Op zijn aandringen verdween de Waag van de Dam, hij wilde graag een vrij uitzicht op het levendige Damrak hebben. Met het vertrek van de Franse overheerser en de komst van koning Willem I kreeg Amsterdam het paleis in 1813 weer terug als stadhuis. Hier was men niet onverdeeld gelukkig mee. Niemand stond te springen om hier weer met de gemeenteadministratie naar toe te verhuizen en dus bleef het stadhuis-paleis leeg. In 1815 nam koning Willem I het gebouw alsnog als paleis in gebruik. In 1844 werden er vier imposante lantaarnpalen van de hand van M.G.Tétar van Elven voor gezet.
Met de in gebruik name als koninklijk paleis vindt er ook regelmatig een feestje plaats als er een koninklijk huwelijk of een inhuldiging te vieren valt. Over de inhuldigingen in 1840 en 1849 is niets te vinden. In 1874 wordt het 25-jarig regeringsjubileum gevierd met versieringen op de Dam. Dat is ook het geval tijdens het koninklijk bezoek in 1879 en de kroningsfeesten van 1898.

Vanaf 1900 wordt het plein levendiger. We gaan er kennis maken met de eerste toeristenbus in 1911. Al sinds 1893 staat de poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn op de Dam. Begin jaren 1920 kreeg de kiosk op het plein een openbare telefoon, waarbij het begrip privacy nog ver te zoeken was. In de dertiger jaren doet de sneltekenaar zijn intrede op de Dam. Ook het draaiorgel was regelmatig op de Dam aanwezig en met toenemend verkeer komt ook de verkeersagent met zijn stopbord op het plein het verkeer regelen. Officieel stond op het bord Stop, Halt dateert uit de bezettingstijd.

Damplantsoen
Vanaf het begin van de vorige eeuw was de verkeerscirculatie op de Dam een steeds terugkerend onderwerp in de gemeentelijke politiek. In 1907 resulteerde dit in een gezamenlijk door de Maatschappij ter Bevordering der Bouwkunst, het Genootschap Architectura et Amicitiae en de gemeente Amsterdam uitgeschreven stedenbouwkundige prijsvraag. Winnaar werd de destijds jonge architect J.M.van der Mey, die van het Damrak tot het Rokin een 200m lange gevelwand ontwierp, een ontwerp dat uiteindelijk niet werd uitgevoerd.
Door verkoop van het kavel van de voormalige Beurs van Zocher aan de Bijenkorf in 1909 en kort daarna het kavel aan de zuidzijde waar gebouw Industria zou verrijzen, bleef van het prijsvraaggebied alleen de Middendam over. Door afbraak van het Commandantshuis en de percelen aan de westzijde van de Warmoesstraat was het plein sinds 1912 aanzienlijk vergroot. Maar plannen voor nieuwe bebouwing hiervan zouden zich decennialang voortslepen. Van 1912 tot 1925 was de Middendam een armzalige en veel besproken modderpoel, waar flora en fauna welig tierden. In afwachting van een definitieve beslissing over de geplande bebouwing werd in 1925 voorlopig een zo genoemd Damplantsoen aangelegd. Talloze plannen bleven de revue passeren tot de onverwachte Duitse inval van mei 1940. Een laatste ontwerp behelsde in 1939 dat van architect Willem Dudok voor het verzekeringspaleis ‘Huis 1845’.

Waar de Dam bij vorige gelegenheden rond verloving, huwelijk en geboorte binnen het koningshuis nog altijd een beperkt stadsplein was, is dat in 1937 geheel niet meer het geval. Het plein is sinds het allereerst ontstaan ruim 4 maal groter geworden en kan daarmee ook meer bezoekers van festiviteiten kwijt. De politie heeft er bij de verloving van prinses Juliana met prins Bernhard de handen vol aan. Nog hetzelfde jaar komt het tot een huwelijk waarbij de Dam feestelijk wordt versierd. In 1938 is de volksoploop massaal bij de geboorte van prinses Beatrix.

Bevrijding
Op 9 mei 1945, enkele dagen na de overgave van nazi-Duitsland, wordt er op initiatief van het gemeentebestuur voor het eerst een dodenherdenking gehouden op de Dam. Er wordt een minuut stilte gehouden om de gevallenen te herdenken.
Van 26 tot 28 juni 1945 werd het Damplantsoen de locatie voor het mausoleum, de Fenix en de bevrijdingsfeesten.

Nationaal Monument
Al snel komt er een voorstel van twee voormalige Nederlandse militairen om hier een Nationaal Monument op te richten. De gemeente Amsterdam gaat hiermee akkoord. Het plantsoen maakte in 1947 plaats voor een tijdelijk monument en vanaf 1956 voor het definitieve Nationaal Monument. Het tijdelijk monument bestaat uit een columnade met daarin elf urnen met aarde van de fusilladeplaatsen uit de elf provincies. Later wordt ook een urn met aarde uit Nederlands-Indië toegevoegd. Het Monument werd medio december 1947 onthuld.

Het tijdelijk Monument zal pas in 1955-1956 definitief verdwijnen door realisatie van het huidige Nationaal Monument van architect Jacobus Johannes Pieter Oud. Hij werkt hiervoor samen met Johannes Anton Rädecker die de beelden hakt en Paul Grégoire die de reliëfs verzorgt. Op 4 mei 1956 onthult koningin Juliana het Nationaal Monument. Het monument staat sinds die tijd centraal bij de jaarlijkse Nationale Dodenherdenking op 4 mei die ook altijd wordt bijgewoond door het staatshoofd.

Het monument bestaat uit een tweeëntwintig meter hoge zuil, gemaakt van wit Italiaans travertin, geplaatst op een vierkant voetstuk. Op de voorkant van de zuil is een reliëf van vier geboeide mannenfiguren te zien. Zij verbeelden de ellende van de oorlog. Aan weerszijden van dit reliëf staan twee beelden van mannen met aan hun voeten huilende honden. Deze mannen staan symbool voor het verzet van intellectuelen en arbeiders terwijl de honden ‘smart’ en ’trouw’ verbeelden.
Op de pilaar boven de vier mannen bevindt zich een groot reliëf van een vrouwenfiguur met een kind op haar arm. De vrouw heeft een krans om haar hoofd en ze wordt omringd door duiven. Dit zijn symbolen van overwinning, vrede en nieuw leven. Op de achterzijde van de zuil zijn omhoog vliegende duiven te zien die verwijzen naar de bevrijding. De achterzijde van het monument bestaat uit een halfronde gedenkmuur, eveneens gemaakt van wit natuursteen. In de nissen van deze muur zijn de verschillende urnen met aarde bijgezet.
Het Nationaal Comité 4 en 5 mei zegt hierover: ”Met het zand dat afkomstig is van plaatsen waar Nederlanders zijn gemarteld en vermoord, wordt het nationale karakter van het monument benadrukt.”

In de binnenzijde van de gedenkmuur zijn dichtregels van Adriaan Roland Holst uitgehakt in een door Jan van Krimpen ontworpen belettering:
“Nimmer, van erts tot arend, was enig schepsel vrij onder de zon,
noch de zon zelve, noch de gesternten.
Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens.
Uit die eersteling daalden de ontelbaren.
Duchtend zijn hoge blik
deinsden hun zwermen binnen de wet terug
en werden volkeren en stonden elkander naar het leven,
onder nachtgewolkten verward treurspel, dat wereld heet.
Sindsdien werd geen mens vrij dan ontboden van boven zijn dak,
geen volk dan beheerst van boven zijn torens.
Blijve ons dat bij,
verlost als we werden uit het schrikbewind van een onderwereld.
Niet onbeheerst, doch enkel beheerst van boven de wereld
blijft vrijheid ons deel.”

In 1995 valt een deel van het voetstuk waarop de centrale vrouwenfiguur rust naar beneden. Onderzoek wijst uit dat het monument is verzwakt doordat er regenwater in de holten van het beeld is binnengedrongen. Twee jaar later wordt besloten het beeld grondig te restaureren. Het gehele monument wordt gedemonteerd en de beelden worden vervolgens met kunsthars geïmpregneerd. Het bakstenen binnenwerk van de zuil wordt daarnaast vervangen door een kern van beton. In april 1998 is de restauratie voltooid.
Het oorlogsmonument verleent het plein het karakter van gedenkplaats. Daarmee was de transformatie van onbetekenend marktplein naar monumentaal stadsplein voltooid.

In 2001 kreeg de Dam een opknapbeurt, betaald uit de gelden, verkregen door de verkoop van het Gemeentelijk Energie Bedrijf. Veel asfalt verdween en er werd een tapijt van Portugese keitjes van gevel tot gevel gelegd, omlijnd door een natuurstenen rand om meer eenheid te verkrijgen. Ook kwam er nieuwe verlichting. De herinrichting was een van de ideeën van wethouder Guusje ter Horst, die onder het motto ‘mooi, schoon en leeg’ in de hele binnenstad de openbare ruimte probeerde op te schonen. Dankzij het goed doordachte herinrichtingsplan van stedelijk ontwerper Simon Sprietsma leek het plein visueel opeens een stuk groter geworden.
De herinrichting van 2001 kan beschouwd worden als de bekroning van de vroeg-twintigste-eeuwse aanleg. Het plaveisel bestaat sinds de grondige opfrisbeurt uit zo'n 2,5 miljoen keitjes. Ze zijn afkomstig uit een groeve bij Porto (Portugal). Voor de trottoirbanden en zebrapaden is wit graniet gebruikt uit een groeve bij Madrid. De markeringen op de rijbanen, zoals de haaientanden, zijn gemaakt van Italiaans wit marmer. Het zwarte graniet van de zebrapaden is afkomstig uit China en het graniet voor de banken uit Frankrijk. Door de keien van gevel tot gevel te leggen met een lichte bolling lijkt het plein visueel groter.
Vlakbij het nationaal Monument bevindt zich tussen de keien een herdenkingsmonumentje met de tekst: '03-08-2001 Margit Widlund, 27 jaar'. Op deze plek werd Margit Widlund over het hoofd gezien door een afslaande vrachtwagen en overreden. Dit ongeluk leidde tot de verplichtstelling van de dodehoekspiegel voor vrachtwagens. Widlund was de dochter van schrijfster Anna Enquist.

De Dam is het nationale plein van ons land. Wat sommigen het meest stoort is het gebrek aan respect, zeker voor het Monument. Er zijn teveel lawaaiige evenementen op de Dam waarvan de kermis het meest sprekende voorbeeld is.
De Oostenrijkse stedenbouwkundige Camillo Sitte (1843-1903) meent dat pleinen, in de traditie van de oude cultuursteden in Italië, besloten ruimtes moeten zijn, als huiskamers of zalen waar mensen kunnen samenkomen. In zijn opinie zijn doorgaande wegen funest voor deze beslotenheid. Standbeelden en fonteinen moesten zoveel als mogelijk aan de rand worden geplaatst. Uitgaande van deze stedenbouwkundige opvattingen is de Dam aan het begin van de twintigste eeuw, min of meer bij toeval, gevormd aansluitend bij deze ideeën.

Kerstboom
Al of pas in 1846 plaatste bakker Nölken een kerstboom voor zijn winkel op de Dam. Met deze reclamestunt stond de hij aan de wieg van een lange traditie. Sindsdien staat er (bijna) elk jaar een de kerstboom op de Dam, eerst bij de bakker later georganiseerd door de gemeente. Nu is er zelfs een apart luik tussen de steentjes waar de boom geplant kan worden.
Vele jaren stonden de Heilssoldaten van het Leger in december op de Dam bij de kerstpotten. In de potten werd geld ingezameld om het Leger in de gelegenheid te stellen een kerstviering te organiseren voor minder bedeelden en dak- en thuislozen. Waar komt de kerstpot vandaan? Het is 1891 in de Amerikaanse stad San Francisco. De Verenigde Staten hadden zwaar te lijden onder een hevige economische crisis waardoor de scheepvaart zo goed als stil lag en duizenden zeelieden en havenarbeiders werkloos waren. Joseph McFee, gezagvoerder van een zeeschip voordat hij heilsofficier bij het Leger des Heils werd, kreeg van zijn bevelvoerend officier een klein bedrag om een soepkeuken en een eenvoudig logement te openen. Hij moest er zelf voor zorgen de boel draaiende te houden.

Hij herinnerde zich hoe op Stage Landing Liverpool, waar de boten binnen kwamen varen, een grote stalen ketel genaamd 'Simpson's Pot' stond waar mensen geld in konden gooien om de armen te helpen. Een idee was geboren. Kort voor kerst, passeerde McFee een winkel van een handelaar in scheepsartikelen. In de etalage stond een driepoot waaraan een grote zwarte pot hing. McFee kocht de driepoot met bijbehorende pot en vroeg toestemming aan de lokale autoriteiten in San Francisco Stad om de pot en statief te plaatsen op de oprit van de veerboten naar Oakland en Almeda, het drukste punt van de stad. Aan de top van de driepoot hing een bord met de tekst: keep the pot boiling (houd de pot aan de kook). Ondertussen riep McFee de voorbijgangers toe. ‘Help hongerige zeelieden!’ Al spoedig vielen de eerste munten in de pot. De kerstpot van het Leger des Heils was een feit.

Sint Nicolaas
Een nieuwkomer in vergelijking met de kerstboom is de intocht van Sinterklaas in Amsterdam. De eerste groots opgezette intocht dateert van 1934 met een aankomst per boot en vervolgens een rit te paard door de stad waarbij de Dam wordt aangedaan en een groet gebracht aan de afbeelding van Sinterklaas in het huis De Bisschop. Tussen 1952 en 1963 werd deze intocht uitgezonden op de televisie.

Poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn
Jan Claesen werd geboren rond 1634 en zou een trompetter in het leger van Frederik Hendrik zijn geweest. Daarna gaf hij met zijn vrouw Katrijn poppenkastvoorstellingen. Een muzikale weergave van dit verhaal is een song van Rob de Nijs, het lied Jan Klaassen de trompetter.
Volgens een andere overlevering gaat het om Jan Klaassen en Katrijn Pieters, twee inwoners van de Jordaan. Catharina woonde in de Tuinstraat, Jan in de Anjeliersstraat. Zij trouwden in 1686. Ze hadden een rumoerig huwelijksleven wat niet in de laatste plaats te wijten was aan hun eigen gedrag. Katrijn dronk, en Jan hield niet van hard werken. Jan Klaassen begon een poppenkast en vermaakte de kijkers met de uitbeelding van zijn huwelijksleven. Hun huwelijk kende echter zoveel wantoestanden dat de kerkenraad van de Amsterdamse hervormde gemeente op 21 januari 1706 besloot het stel ter verantwoording te roepen en hen onder toezicht stelde. Of hij echter de eerste poppenspeler is, is twijfelachtig. In het Stadsarchief komt namelijk al een tekening van 1652 voor waar een poppenkast is afgebeeld.

Het poppenspel met Jan Klaassen is zeer waarschijnlijk gebaseerd op de figuur Pulcinella uit de Italiaanse commedia dell'arte en had oorspronkelijk hetzelfde uiterlijk, een hoge bochel en een puntige buik. Hij heeft een grote, snavelachtige neus die rood is van de drank. De kin is naar de neus toe gebogen. Hij draagt een hoge puntmuts die naar voren hangt, met een belletje of kwast aan de punt. Zijn voeten steken in klompen. Hij is een dommig personage met een gouden hart. Hij betrekt het publiek vaak bij het spel. Zo zal hij hen vragen op een bepaald voorwerp te letten en hem te roepen als er wat mee gebeurt. Dat dit verkeerd afloopt staat bij voorbaat al vast.
Natuurlijk worden de verhalen aangevuld met nieuwe avonturen waarbij Jan Klaassen en Katrijn nog altijd de hoofdrol spelen.
Vanaf de negentiende eeuw zijn de poppenspelers bekend. Antoon A.van Hemert speelt vanaf 1886 op de Dam en krijgt daar in 1893 niet-bijtend gezelschap bij van Janus A.Cabalt. Zij zijn zwagers en spelen om beurten. Cabalt in 1935 opgevolgd door Appie Roebersen, zijn schoonzoon. Ook F.R.Valk is familie en speelt gedurende de oorlogsjaren. In 1950 neemt de kleinzoon van Cabalt, Daan Kersbergen, de vergunning van Roebersen over. Hij zal de volgende 30 jaar op de Dam spelen. Dan eindigt een familietraditie. Wim Kerkhove zal het poppenspel samen met Klaas Bakker voortzetten. In 2000 stopte Wim Kerkhove met de poppenkast op de Dam. Zijn leerling Misha Kluft volgde hem op, hij speelde tot 2008. Dan stopt het tot 2012 als de poppenkast weer zijn plaats op de Dam inneemt, echter met nog maar één speelmiddag. Op zondagmiddag van mei tot oktober is er nog van Jan Klaassen en Katrijn te genieten.

Sinds 1990 wordt het toerisme in Amsterdam elk jaar een stuk drukker. Die toeristen moeten natuurlijk ook geamuseerd worden en zo verschijnen er koetsjes en allerhande straatartiesten. En die kiezen allemaal de Dam als werkplek of vertrekpunt.
Op 30 april 2013 vond de troonsopvolging plaats waarbij Willem-Alexander koning werd en Maxima koningin. Op die dag was koningin Beatrix precies 33 jaar koningin geweest na de regeringsoverdracht door haar moeder koningin Juliana. De overdrachtspapieren worden in het Paleis op de Dam getekend, waarna het tijd is voor de balkonscene.
Op de derde zaterdag van januari wordt Nationale Tulpendag gehouden. Het is de opening van het tulpenseizoen en op de Dam staan vele duizenden tulpen op bol gereed om met de bol te plukken.

Meer lezen:
Beurs van Zocher
Bijenkorf, De
Bisschop, huis De
Commandantshuis
Grégoire, Paul
Industria, gebouw
Krimpen, van, Jan
Oud, Jacobus Johannes Pieter
Rädecker, Johannes Anton (John)
Roland Holst, Adriaan
Sprietsma, Simon
Tétar van Elven, Martinus Gerardus

Voor het laatst bewerkt:

Bronnen:
poppenkastopdedam.nl
wikipedia.nl
immaterieelerfgoed.nl/nl/page/4482/kerstpot-leger-des-heils
amsterdamsebinnenstad.nl