Herengracht 40
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: De Vergulde Lely
Adres: Herengracht 40a
Architect:
Bouwtijd: 1627
Opdracht: Pieter de Koocker

Het is een koopmanshuis met trapgevel met grote trappen. De gevel heeft een breedte van 8,5 meter.
In 1615 wordt het huis bewoond door Balthasar Coymans (1589-1657). Hij trouwt in 1641 met Maria Trip (1619-1683), dochter van Elias Trip. Ook zijn broer Johannes Coymans (1601-1657) in 1634 getrouwd met Sophia Trip (1615-1679) woont in dit huis. In 1625 laten de broers een groot dubbelpand bouwen aan de Keizersgracht 177.
In 1744 is Margaretha Catharina van Droogenhorst (?-1789) eigenaar en bewoonster.
In 1790 met 40b samengebracht tot nummer 40, zie hier onder.

Naam: Gelderland (1615), De Liefde (1737)
Adres: Herengracht 40b
Architect:
Bouwtijd: 1615
Opdracht: Jan Hendricksz Rotgans

Het is een koopmanshuis met trapgevel met grote trappen. De gevel heeft een breedte van 4,6 meter. Jan Hendricksz Rotgans gaf de opdracht tot de bouw. Hij verdiende zijn geld op de Amsterdamse beurs waar hij handelaar was.
In 1616 is Cornelis Pietersz Cat bewoner.
In 1630 is Hester Willems bewoner.
In 1639 is Dirck Pietersz (Bontepaert)(1578-1642) bewoner. Hij is in 1603 getrouwd met Truytgen Pietersdr, dochter van Pieter Pietersz en kleindochter van Pieter Aertsz. Hij woonde toen in de Kalverstraat in een huis waaraan hij zijn naam Bontepaert heeft ontleend.
In 1703 heeft Johannes van Droogenhorst het pand gekocht. Zijn zoon Johannes van Droogenhorst (1727-1792) trouwt in 1750 met Margaretha Hendrina van Tarelink (1729-?). Zij zijn volle neef en nicht. Uit dit huwelijk wordt Hendrina (1754-1795) geboren. Zij trouwt met Tjaerd Anthony van Iddekinge die in 1790 de bouwheer wordt van het nieuwe pand op 40.
In 1710 volgt een verbouwing waarbij de halsgevel wordt geplaatst.
In 1737 is Catharina van Tarelink (1695-1743) in 1714 getrouwd met Elias de la Croix bewoner.
In 1744 is Margaretha Catharina van Droogenhorst (?-1789) eigenaar, zij woont in 40a.
In 1790 met 40a samengebracht tot nummer 40, zie hier onder.

Naam: Residence Lebrun
Adres: Herengracht 40
Architect: toegeschreven aan Jacob Otten Husly
Bouwtijd: 1790-1791
Opdracht: Jhr.Mr. Tjaerd Anthony van Iddekinge

De eerste steenlegging voor het huidige pand, toegeschreven aan Jacob Otten Husly, vond plaats op 5 juni 1790 door Johannes van Iddekinge, de zoon van de bouwheer, ter vervanging van twee zeventiende-eeuwse huizen. Tjaerd van Iddekinge (1756-1837) was een Gronings jurist die in 1780 naar Amsterdam was gekomen waar hij commissaris bij de Admiraliteit werd en in 1789 bewindhebber van de West-Indische Compagnie. Tussen 1790 en 1795 was hij de laatste directeur van de Sociëteit van Suriname. Voorts was hij lid van de Vroedschap (vanaf 1803) en talrijke comités die in de roerige jaren van de Bataafse Republiek een nieuwe staatsinrichting voorbereidden. Tjaerd was in 1780 getrouwd met Hendrina van Drogenhorst (1754-1795) die het oude huis op nummer 40, De Vergulde Lelie uit 1628, met het buurhuis had geërfd van haar vader Johannes van Drogenhorst. In de Franse tijd zou Johannes van Iddekinge wethouder en waarnemend burgemeester van Amsterdam worden. Tjaerd van Iddekinge en zijn nakomelingen worden in 1816 in de adelstand verheven.
Herengracht 40 werd een fors pand met een strak vorm gegeven zandstenen gevel met diepe horizontale groeven. Een in die tijd nieuw element waren de naar binnen draaiende zogenaamde Franse ramen die op de hoofdverdieping halfrond beëindigd worden. De ornamentiek in Lodewijk XVI-stijl is naar de smaak van de tijd ingetogen en verfijnd van uitvoering. Ook in het interieur zijn typische Lodewijk XVI-elementen te herkennen. Eén van de oorspronkelijke stijlkamers werd in 1907 in het Stedelijk Museum opgeslagen vanwaar het in 1975 naar de stedelijke depots van het Amsterdams Historisch Museum verhuisde. Tot de oorspronkelijke elementen behoren behangselschilderingen met arcadische landschappen, marmeren schouwen met hoge spiegels, en de betimmering met een onderverdeling door Ionische pilasters waarin bloemmotieven zijn verwerkt. De in depot opgeslagen beschilderde behangsels uit 1791 van Jurriaan Andriessen werden na verbouwing tot appartementen in 1996 teruggeplaatst op de oorspronkelijke plaats, in de nissen van de achterkamer op de hoofdverdieping.
In 1808 werd het pand door de Nederlandse staat aangekocht. Na de inlijving bij Frankrijk in 1810 diende het als verblijf van de Franse gouverneur generaal Charles François Lebrun, hertog van Piacenza. Na de Franse tijd bleef het huis rijkseigendom.
In 1831 vestigde de Nederlandsche Handel-Maatschappij hier haar hoofdkantoor. De handelsmaatschappij was in 1824 opgericht en zetelde aanvankelijk in Den Haag. Herengracht 40 was het eerste huis aan de gracht dat geheel als kantoorpand werd ingericht. Pas aan het einde van de negentiende eeuw zou deze functieverandering van het grachtenhuis een hoge vlucht nemen. In 1856 verhuisde de Nederlandsche Handel-Maatschappij naar Herengracht 466 en vervolgens, in 1926 naar het kolossale kantoorpand aan de Vijzelstraat dat als De Bazel bekend staat. Van 1864 tot 1881 diende Herengracht 40 als huisvesting van de Bibliotheek Athenaeum Illustre, vervolgens als school en vanaf 1943 wederom als kantoorpand waarbij het gebruikt werd door textielfirma's, een meubelbedrijf en een verzekeringsbedrijf. In 1990 herkreeg het huis zijn oorspronkelijke woonbestemming en wordt sinds 1996 als zodanig gebruikt. Achter het pand ligt, met 750m2, de grootste keurtuin van Amsterdam. Tot 1875 strekte de tuin zich zelfs nog uit achter de panden Herengracht 36-38.

Charles François Lebrun
Als classisist op leeftijd die in zijn jongere jaren Homerus nog had vertaald, was Charles François Lebrun beslist geen staatsman. ‘Hij was niet op zoek naar macht, het was de staatsmacht die op zoek was naar iemand als hij’ staat op een herdenkingsmedaille uit de latere negentiende eeuw over hem geschreven. Hoewel in Nederland nog steeds gerespecteerd om zijn zorgvuldig bestuur en hervorming van staatsinstellingen, trok hij zich in 1813 gedesillusioneerd terug op zijn Franse landgoed, waar hij in 1824 overleed. Louis Bonaparte werd op bevel van Napoleon, zijn broer, onverwacht koning van Holland in 1806. Hij hield niet van de Nederlanden maar besloot, uit respect voor het ambt er het beste van te maken. Tweehonderd jaar het onderwerp van anekdotes en pesterige citaten kunnen niet verhullen dat zonder zijn persoon en zijn werk aan het centraliseren en moderniseren van het Nederlandse staats-apparaat, de vorming van een Oranje-monarchie in 1813 vermoedelijk ondenkbaar zou zijn geweest. Als gevolg van meningsverschillen met Napoleon vluchtte hij in 1813 in ballingschap, op de dag dat in Amsterdam de douanehuisjes in brand werden gestoken en de gevangenen uit de Jan Roodenpoortstoren bevrijd. Later zou hij zich in Italië vestigen, waar hij in 1846 in Livorno overleed. Twee jaar later zou zijn, in de Amsterdamse jaren geboren, zoon verkozen worden tot president van Frankrijk, een president die zich nog weer twee jaar later zou laten kronen tot Keizer Napoleon III.

Hoewel er in de bijna 200 tussenliggende jaren meerdere instellingen waren gevestigd vermeldt een naambordje bij de entree nog steeds ‘Residence Lebrun’. De huidige bewoners (2012), Jos en Lieke Koets, die al zestien jaar het achterhuis bewonen, en oud-notaris Aart Heering en echtgenote Brigitte, wilden de lange, kale entreehal die na enkele verbouwingen was ontstaan, wat meer rijkheid, ornament en ruimtelijkheid teruggeven. Verder wilden ze graag dat met name de relatie met de Franse tijd naar voren zou komen. Ze vroegen kunstenaar Peter Korver hier vorm aan te geven, die hiervoor in 2010 en 2011 vijf schilderingen ontwierp.
Hij heeft niet alleen Lebrun, Napoleons ‘plaatsvervanger’ in Nederland vereeuwigd in de gang, maar ook Napoleons broer Lodewijk, Koning van Holland, en Bonaparte's enige zoon die hij ‘Koning van Rome’ had gedoopt. Lebrun in een drieluik, de andere twee in een enkel schilderij. Napoleon zelf, de duidelijke schakel tussen de drie, is bewust niet in beeld gebracht. Korver: ‘Uiteindelijk is door de keuze voor ‘de Zoon’, ‘de Vriend’ en ‘de Broer’ een veel spannender, omcirkelend, beeld ontstaan. Een beeld van bijrollen.’ Het werd een entreehal met een verhaal onder de noemer ‘Histoire Naturelle’.

Peter Korver over zijn schilderingen.
Naast de als eieren op hun kant liggende portretmedaillons, het borstbeeld van Lodewijk en wat andere historische memorabilia, is de voorgrond op deze trompe-l'oeil schilderingen met name bevolkt door een veertigtal vogels, daar direkt achter vormen de lijnen en ornamenten van 18e-eeuwse architectuurtekeningen het lineaire traliewerk van een volière. Volières waarvan de deur echter wijd open staat. en waar om onduidelijke redenen de vogels vrijwillig binnen blijven zitten. Ze lijken druk met allerhande bezigheden maar niets belet ze naar buiten te stappen en het weide landschap in te vliegen dat zich achter de tralies aftekent. Korver: ‘Ik vond het een mooi beeld in verband met de zaken rondom de Franse Revolutie, de Nederlandse Patriottentijd, de hele Franse periode hier te lande en de ambivalentie wijze waarop mensen überhaupt met vrijheid lijken om te gaan.’
In de achtergrond verwijzen de beelden naar de traditie in het achttiende en negentiende eeuws Amsterdamse interieur van behangselschilderingen met uitzichten op de Vecht. In die lijn besloot ik de 18e-eeuwse theekoepels, die Amsterdammers bij hun buitenplaatsen langs diezelfde Vecht lieten bouwen, om te toveren tot een typisch 18e-eeuwse volière galerij. Dat theekoepels van nature vaak een zekere vogelkooivorm hebben, was natuurlijk een prettige bijkomstigheid.
Met de vogels lijkt Korver zijn beelden in een zeventiende eeuwse Hollandse schildertraditie te plaatsen; het genre van de zogenaamde ‘neerhoven’ of ‘hoenderhoven’ van Frans Snyders, Melchior de Hondecoeter, Marghareta de Heer, Jan Fyt en Joris Hoefnaghel. Afbeeldingen van verschillende vogels op een binnenplaats, een boerenerf of in de tuin van een rijker buitenhuis.
Enige tijd na de plaatsing van de eerste drie werken kreeg Korver in 2011 het verzoek een vervolg te maken voor het verlengde van de entree. Er werd besloten om een groot vierde werk te baseren op het Amsterdamse stadhuis dat tijdens de Franse periode door Napoleons broer Lodewijk werd verbouwd tot Koninklijk Paleis, om vervolgens na een periode als LeBrun’s Gouvernementeel werkpaleis te transformeren tot Paleis voor Koning Willem I. Een kleiner vijfde werk zou de door diezelfde Willem I opgerichte Nederlandsche Handel Maatschappij betreffen, die sinds 1831 hier gevestigd is geweest.
Op het enorme drieluik ‘Hôtel de Ville’ gewijd aan de Oranje omwenteling van november 1813, staat de gevel van het voormalig Stadhuis op de Dam volledig open en toont een wijds maritiem vergezicht. De voorgrond is gevuld met rondscharrelende zeevogels op en tussen een golf van matrassen en meubilair van vertrokken bewoners. Een achttiende eeuwse kopergravure van een Oranje Rotshaan hangt als een pamflet aan de tralies. De gravure is nog niet ingekleurd maar heeft alleen een veeg oranje inkt gekregen, de ingelijste zilveren rijksdaalder die er onder hangt, toont het portret van ‘koopman-koning’ Willem I.
‘De Handel Mij’, het vijfde werk, wordt gedomineerd door een monumentale Javaanse Neushoornvogel. De vloer is hier gevuld met Delfts blauwe scherven, een grote kraantjeskan en een aantal gietvormen voor chocolade-eieren. Het traliewerk toont de gevel van het huis waarin de schilderingen zich bevinden met op de achtergrond een Indisch landschap. De openingen in het traliewerk zijn hier echter klein; alleen vogels van een veel geringer formaat, en muizen, kunnen deze volière in en uit. Het enorme economisch herstel van de Nederlanden, dat de NHM in de negentiende eeuw mede mogelijk maakte (de zogenoemde ‘koloniale baten’ liepen in die jaren geregeld op tot ruim dertig procent van de rijksbegroting) betekende grote onvrijheid elders in de wereld. Koning Willem I’s gedroomde doorstart van de VOC, die uiteindelijk zou opgaan in de huidige ABN-AMRO Bank, zou het doel worden waarop Multatuli’s ‘Max Havelaar of De koffieveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij’ in 1860 zijn pijlen richtte.

Meer lezen:
Andriessen, Jurriaen
Bewindhebber WIC
Burgemeester
Husly, Jacob Otten
Korver, Peter

Voor het laatst bewerkt:05-jan-2018