Herengracht 412
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Hendrickszhuys (2018)
Adres: Herengracht 412
Architect: Philips Vingboons, Eduard Cuypers, A.A.Kok, architectenbureau J.van Stigt
Bouwtijd: 1667, 1910, 1921, 2016
Opdracht: Guillaume Belin la Garde en Bregitta Ysbrandsdr. van der Hem, NV Wiegman's Bank, Mendelssohn & Co, Domus Magnus zorghotel

Tussen 1664 en 1667 wordt dit dubbel woonhuis van 14,80 meter breed gebouwd in opdracht van Guillaume Belin la Garde en zijn vrouw Bregitta Ysbrandsdr. van der Hem. Vingboons ontwierp een gevel met voor die tijd een zeer moderne indeling met een lage ingangsverdieping. De zandstenen gevel kreeg een middenrisaliet, een vooruitspringende middenpartij, met twee pilasterorden en driehoekig fronton waarin het alliantiewapen van La Garde-Van der Hem. Het hoge schilddak werd door vier schoorstenen bekroond. Onder de middelste vensters van de derde verdieping zijn guirlandes aangebracht.
Philips Vingboons vermeldt over dit huis ‘de geheele Voorgevel ‘t eenemael van witte Bentemer Hartsteen, ofte bij sommige Arduyné steen genoemt, curieus en net gewerckt door Mr. Pieter Pietersz van Kuyck, alsmede de cieraden, en alles wat daeraen gesien wordt; d’Achtergevel is geheel gemaeckt van graeuwe Leckse Moppen klinckert, Perfect en schoon uyt de handt gewerckt, en vertoont hem van de Keyzersgracht heel verheven’.
Latere wijzigingen, waarschijnlijk rond 1734 door Paulus Loot van Schooten, brachten twee siervazen op een nieuw aangebrachte attiek en dakvensters met balustraden. Aan de straat kwam een meer geaccentueerde ingangspartij en stoephekken.

De bakstenen achtergevel is eveneens met een middenrisaliet uitgevoerd en zijvleugels die vanuit de tuin toegankelijk zijn door een enkele paneeldeur met een gedecoreerde omlijsting.
Inpandig zijn de voor- en achterkamers van elkaar gescheiden door het trappenhuis, een brede bordestrap, goed verlicht door de tegenoverliggende binnenplaats. Aan de achterzijde lagen de privévertrekken. De hoge pronkvertrekken aan de voorzijde hadden cassetteplafonds en waren prachtig verguld en beschilderd.

Het in baksteen en bergsteen opgetrokken symmetrisch speel- of tuinhuis op rechthoekige grondslag bestaande uit een bouwlaag onder een plat dak is verbouwd in de stijl van Lodewijk XIV en dateert van ongeveer 1734. De voorgevel van de drie traveeën brede middenpartij is in bergsteen uitgevoerd, de zijvleugels ter breedte van drie smallere traveeën in baksteen. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst. De licht naar voren staande bergstenen middenpartij is voorzien van geblokte pilasters en een gebeeldhouwde koepelachtige opbouw met een ingezwenkte met rolwerk en vazen versierde gevelbekroning. Boven de dubbele entreedeur in de middentravee, is een halfrond fronton geplaatst met in het boogveld een alliantiewapen met gekroonde wapenschilden gevat tussen symmetrische acanthusbladeren. De zijvleugels zijn vanuit de tuin toegankelijk door een enkele paneeldeur met een gedecoreerde omlijsting en uitgevoerd in schoon metselwerk. In het middengedeelte van het tuinhuis een vlakke balkenzoldering met beschildering en tegen de linkerzijwand een zeventiende-eeuwse met figuren en maskerkoppen gedecoreerde schouw. De vloer is afgewerkt met Öland tegels (Öland is een Zweeds eiland in de Oostzee, de kleur van de tegels is grauwblauw). In de plattegrond van het tuinhuis staat geschreven: Cam., Hoenderhock en Was Huys. In het 'tuinhuis' bevond zich dus een kamer, een kippenhok en een ruimte waar men de was kon doen. Evenals het lustprieel of tuinhuis is de tuin rond 1734 veranderd waarbij de bleekveldjes op de schop gingen voor een tuin met een elegant patroon van slingerende buxushagen in Lodewijk XIV-stijl.

Eigenaren (E) en bewoners (B)
1667 (EB) Guillaume Belin La Garde, een koopman uit Sainte Malo (Fr.), woont in 1655 op de Koningsgracht (Singel). Hij koopt in 1664 voor fl. 9780.- en fl. 9900,- twee erven aan de Herengracht voor de bouw van een dubbel woonhuis. Hij is gehuwd met Bregitta (Ysbrandsdr.) van der Hem. Helaas zal Guillaume overlijden kort na de oplevering van zijn nieuwe huis.
1683 (EB) In 1668 hertrouwt Bregitta van der Hem (1624-) met Gerbrand Ornia, heer van Vrijenes, Sluipwijck, Ravensbergen, Oud en Nieuw Gravekoop en Vrouwmade, een voornaam en schatrijk koopman. Hij had een groothandel in ijzer. Hij was katholiek en lid van het Sint Cecilia Collegie in de Boomskerk. Bregitta was regentes van het R.C.Maagdenhuis en een dochter van IJsbrand van der Hem, regent van het R.C.Oude Armen Kantoor. Haar moeder was Geertruid, dochter van dichter Hendrick Laurensz. Spieghel, wiens zuster Maria het Maagdenhuis heeft gesticht.
Bregitta bracht het huis mee in het huwelijk en het bleef bijna 20 jaar in gebruik als woning van dit voorname echtpaar. Ornia had eerst gewoond op de Herengracht 136 ‘in het Keyserrijck’. Op 8 November 1686 verkocht hij, met machtiging van zijn vrouw, het huis met het tuinhuis aan Maria van der Wiele van de Werve voor fl. 48.010.-. Hij overleed in 1692 en liet een vermogen na fl. 647.000,-.

1686 Maria van der Wiele van de Werve–Wuijtiers (EB) is weduwe van Govert Wuijtiers. Getrouwd woonden zij Herengracht 370 (één van de kleine Cromhouthuizen). Zij zette de handel van haar echtgenote vanuit het nieuwe huis voort. Wie is Maria van der Wiele van de Werve (1630-1693)? Zij is de dochter van Willem van der Wiele van de Werve en Elisabeth Jacobsdr Poppen. Zij trouwt in 1654 met haar buurman, de 36-jarige koopman Govert Wuijtiers. Dit huwelijk is eigenlijk een motje, want haar eerste dochter Elisabeth is dan al een jaar oud. Zij is geen slechte partij. Maria’s grootvader was Jacob Poppen, destijds de rijkste man van Amsterdam, en haar grootmoeder was Levina Wuijtiers, de zus van Dirck Wuijtiers. Bij het overlijden van haar vader erft Maria het landgoed Te Werve bij Rijswijk.
De zus van Govert, Margaretha Wuijtiers, was getrouwd met Jacob Cromhout. Jacob Cromhout is één van de twintig rijksten van de Gouden Eeuw met een vermogen van één miljoen gulden. Jacob liet de Cromhouthuizen bouwen.
Govert Wuijtiers en Maria krijgen vier kinderen: Elisabeth, Dirck, Catharina en Josephina Adriana. Elisabeth (1653-1717) trouwt met haar neef Dirck Cromhout (1647- 1716). Naiveu maakte in 1672 een schilderij van het huwelijksaanzoek in de vorm die vaak wordt aangezien voor een bordeelscène. De oude vrouw is de mater familias Maria van der Wiele van de Werve, de vrouw met de luit is haar dochter Elisabeth en de man met de hoed in de hand is Dirck Cromhout. Hier is de luit het symbool voor liefde en harmonie in het huwelijk. En de viola da gamba staat uitnodigend klaar voor de toekomstige partner. Rechts staat de andere dochter van Maria, de nog ongetrouwde Catharina (1657-1686) die de wijn inschenkt. Links naast Maria zit waarschijnlijk Agatha Cromhout (1641-1707), de oudere ongetrouwde zus van Dirck. Links op de achtergrond staan de jongere zus van Maria, Jacoba van der Wiele van de Werve (1644-1676) en haar man Bartholomeus Cromhout (1638-1695), de oudere broer van Dirck.
Bij de dood van haar echtgenoot Govert, erfde Maria een fortuin. In 1674 moest zij belasting betalen over een vermogen van fl. 573.000,-. Hiermee bezette zij de 47ste plaats in de rij van 250 rijksten in de Gouden Eeuw. Bij haar dood zijn haar zoon Dirck Wuytiers, heer van de Werve en van Souburg, Baron van het Heilige Roomsche Rijk en haar dochters Elisabeth, gehuwd met Dirk Cromhout en Adriana Debora, in 1683 gehuwd met Adriaan Govert de Wale erfgenamen. Zij maken van de erfenis een verloting. Lot no.1 was het huis op de Heerengracht, dat ‘met de tapyten op de grote zael en verdere muursbehangsels en schilderijen vast staende en aen de schoorsteenen,’ voor fl. 50.000,- ten deel viel aan Adriaan Govert de Wale en Adriana Debora. Hij was heer van Ankeveen en bezat daar een groot huis, waar hij de katholieke godsdienst zeer bevorderde. Hun enige dochter, Jonkvr. Maria Elisabeth de Wale, verkocht in 1734 het door haar geërfde huis voor fl.72.000,- aan Mr.Paulus Loot van Schooten, heer van Schooten, Akendam, en Haarlemmerliede, rentenier te Amsterdam.
1734 (EB) Paulus Loot van Schooten is in 1733 gehuwd met Elisabeth Barra van Keulen. Zij betaalden voor de inrichting met vaste behangsels en sieraden en de rijke meubilering een overname van fl. 10.500,-.

1754 (EB) Hun dochter Catharina Ida, Vrouwe van Zandvoort, deed in 1754 een rijk en voornaam huwelijk met Jan van Marselis (1731-1792), koopman en bankier, lid van de firma Jan & Theodoor van Marselis, groothandelaren in suiker en koffie op Suriname. Zij brengt het huis in in het huwelijk en heeft het ook met haar man bewoond. Hij was bovendien eigenaar van het Huis te Vogelenzang, dat hij tot de prachtigste buitenplaats in de ban van Bloemendaal heeft herschapen. De erfgenamen van Jan van Marselis verkochten het Huis te Vogelenzang in 1807 voor fl. 134.000,- aan Willem Philip Barnaart. Jan van Marselis overleed in 1792, zijn vrouw al in 1762. Uit dit huwelijk waren geen kinderen.
Jan van Marselis was in 1764 hertrouwd met Maria Rijnbrandina Agnes Buteux, dochter van een eigenaar van grote suiker- en koffieplantages in Suriname.
Jacob Bicker Raye schrijft over het huwelijk in zijn dagboek: ’ 20 Maart 1764 is de Edl. Heer Jan van Marselis met de alderuyterste pragt en statie getrout met Mejuffrouw Beuteu. De bruyt was ongemeen pragtig gekleet, in ‘t roodt stof met silver, een gansche borst met diamanten en paarlen bekleet, een halssiersel van een strik met kostbaare juweele, en boven prinselijke oorliëtte (oorhanger) en een kam achter in het haar met seer groote steenen, was haar gansche hooft met juweele en met rijke paarelsnoeren, die festonsgewijs aan weederkanten om haar hooft loshangen, versiert. Sy is een seer schoon mens, en de Heer Marselis, die weeduwenaar is van Mejuffrouw Loot van Schooten, konsiderabel rijk.’
Uit dit huwelijk kwamen twee dochters voort: Johanna Henrietta van Marselis (1765-1818) en Maria Petronella jkvr.van Marselis (1766-1818).
Johanna Henriëtta, trouwde met Jan Hartsinck, en Maria Petronella met Pieter Cornelis Hartsinck, uit welke huwelijken het geslacht Van Marselis Hartsinck gesproten is. De beide schoonzoons werden in 1792 tot executeuren benoemd in de nalatenschap van Paulus Loot van Schooten.
1793 Pieter Cornelis Hartsinck (EB) (1756-1809) schepen, in 1785 gehuwd met Maria Petronella jkvr.van Marselis (1766-1818) bewonen het huis tot 1799.
In 1799 wordt het huis te gelde gemaakt en verkocht voor fl. 50.000,- aan Agatha Alewijn (1721-1801), weduwe van Theodoor de Smeth (1710-1772), vrijheer van Deurne en Liessel, Heere van Alphen en Rietveld. Hij was koopman en bankier, onder meer voor de Firma Raymond en Theodoor de Smeth en Co. In 1742 schepen te Amsterdam. Ze bezat onder meer het Groot Kasteel in Deurne en wist ook het Klein Kasteel, dat eerder uit handen was geraakt, weer te verwerven.
In 1806 verkopen Mr.Pieter baron de Smeth (1753-1809), zoon van Agatha Alewijn en Mr.Jan Wolters van de Poll als executeuren, het huis aan de Herengracht aan Pieter van den Broeke, een fabrikant en winkelier uit de Kalverstraat hoek Olieslagerssteeg, voor fl. 30.000,-. De koper betaalde nog fl. 3500,- voor de spiegels, enz. Pieter van den Broeke heeft het huis ook bewoond, want in 1807 vraagt hij aan de Thesaurie verlof, om voor zijn huis te plaatsen een ’groote lamptaaren, met een lamp, waarin drie groote pitten’.

(E) In 1824 verkopen de erven van Van den Broeke het huis voor fl. 31.000,- aan Matthijs Ooster (1747-1842), oud-schepen van Amsterdam, doch wonende te Utrecht. Matthijs Ooster is koopman en verzekeraar. Hij werd in 1771 directeur van de Levantse Handel en de Navigatie op de Middellandse Zee. In 1775 verhuisde hij van zijn landgoed in Breukelen met zijn vrouw Clara Hillegonda Hooft naar de Herengracht 338 in Amsterdam, waar hij schepen op 2 februari 1777 werd. Hij bekleedde deze functie gedurende tien jaar, totdat hij op 27 november 1787 uit het ambt gezet werd door prins Willem V vanwege onvoldoende steun aan het Huis van Oranje. Op 13-jarige leeftijd werd hij de canon van het kapittel van St.Peter in Utrecht, waarschijnlijk als opvolger van zijn vader. Het was een wereldlijke functie met een goed inkomen. In 1768 werd hij hoofd van het Leprozenhuis in Amsterdam.
Hij verliet Nederland om patriottische redenen en verhuisde in 1788 naar Frankfurt. Matthijs Ooster erfde het Hofwerk aan de Vecht bij Breukelen, dat sinds 1746 aan zijn vader toebehoorde. In 1781 kocht hij het huis Zandvliet met de toenmalige Engelse landschapstuinen in Lisse (nu Keukenhof), voor 57.000 gulden, waar hij, afwisselend met zijn appartement in Amsterdam, woonde. Vanaf 1788 verbleef hij op verschillende plekken in Duitsland. Na 1815 kwam hij naar Nederland terug en vestigde zich na Amsterdam tenslotte in Utrecht. Na Clara Hooft (1772) was hij ook nog getrouwd met Christine Elisabeth Rosali de Montrond (1803) en Catherine Louise Françoise Marguerite Louise de Rovorea (1812).
(B) Bewoner wordt zijn zoon Matthieu Cornelis Ooster (1807-1878), koopman te Amsterdam.
1834 (EB) gaat het huis voor slechts fl.25.500,- over aan Jan Jacob van Voorst, predikant bij de Hervormde Gemeente te Amsterdam. Deze, een geleerd en kunstlievend man, bracht in dit huis één der meest kostbare en met kennis verzamelde wetenschappelijke bibliotheken bijeen, die Amsterdam ooit heeft bezeten. Deze boekverzameling, begonnen door zijn vader, dominee D.C.van Voorst, is tot 1858 in het huis gebleven en gaf daaraan een bijrondere vermaardheid. Dominee Van Voorst verkocht zijn huis nog bijleven in 1859, en wel voor fl. 42.000,- aan de bankier Carl Becker.
1860 (EB) Carl Wilhelm Ferdinand Becker is bankier en lid van de Provinciale Staten van Noord Holland. De geboren Duitsers C.W.F.Becker (1822-1897) en Elias Jacob Fuld (1820-1888) waren in 1853 samen de Nederlandse agent geworden van het Frankfurter bankiershuis Rothschild handelend als bank Becker & Fuld. Becker was een van de oprichters van Samuel Sarphati’s Nationale Hypotheekbank (1861) en van het Vondelpark (1864). Hij laat het pand inwendig geheel verbouwen. Bij zijn vertrek uit Amsterdam deed Carl Becker het huis in 1883 voor fl. 90.000,- over aan Carel Wertheim.
1883 (EB) Carel Wertheim overleed kort na de overdracht, maar zijn gezin bewoonde het huis tot 1898.

1898 (EB) bankier Petrus Paulus Wiegman (1855-1933) directeur van NV Wiegman's Bank, een bank die in 1903 is opgericht om de fa.Gebr.Wiegman over te nemen koopt het huis voor fl. 75.000,-. De bank was gespecialiseerd in het effectenbedrijf. Wiegman liet het pand in 1910 door architect Ed.Cuypers inrichten als bankbedrijf. Wiegman is in 1892 gehuwd met Theresia Johanna Theodora Maria Dobbelmann en in 1908 met Thérèse Jeanne Marie Antoinette van Hellenberg Hubar. De bank blijft hier tot 1919 gevestigd waarna ze werd overgenomen door de Incasso-Bank.
1921 (EB) architect A.A.Kok verbouwt het pand voor de bankfirma Mendelssohn & Co. (1920-1939), een Nederlandse bank die vooral actief was in de effectenhandel. De bank werd in 1920 opgericht door de Nederlandsche Handel-Maatschappij en Pierson & Co als Nederlandse vestiging van het Berlijnse bankiershuis Mendelssohn & Co. Fritz Mannheimer kreeg hier de leiding. Mannheimer was een briljante beursman met een uitgesproken intuïtie voor marktstemmingen en prijsbewegingen. Voor het bankiersvak had hij minder feeling. In 1938, na de Reichskristallnacht, werd door de nazi-regering Mendelssohn & Co Berlijn vanwege het joodse karakter gesloten. Mendelssohn Nederland raakte onmiddellijk in een liquiditeitsprobleem. Mannheimer wist dat de bank niet te redden was en reisde op 8 augustus 1939 naar Vaucresson (Fr) waar hij een buitenhuis had. De dag erna overleed hij aan een hartinfarct. Kort daarna is de bank failliet verklaard.
Fritz Mannheimer legde vanaf 1921 op kosten van de bank een enorme kunstverzameling aan. Hij maakte dit voor een kleine groep belangstellenden openbaar, waardoor hij de weeldebelasting kon omzeilen. Zijn kunstverzameling was te zien in zijn huis op de Hobbemastraat 20, dat in die jaren de bijnaam 'Villa Protzky' kreeg. Deze kunstverzameling was uiteindelijk een belangrijk bestanddeel in de failliete boedel. De schuld van Mannheimer bij de bank was in 1939 opgelopen tot 13 miljoen gulden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is deze verzameling via de Dienststelle Mühlmann in 1941 door Hitler gekocht. In 1945 kwam de collectie na het Akkoord van Potsdam terug naar Nederland en vanaf 1952 kwam de collectie in het bezit van het Rijksmuseum. Het Rijksmuseum bezit nog de helft van de collectie, de andere helft is in 1952 doorverkocht.

In 1938 is Herengracht 410, ook in gebruik bij Mendelssohn & Co, samengevoegd met dit pand door afbraak en nieuwbouw van 410.
Van 1942-1945 is het Devisenschutzkommando (DSK) hier gevestigd. De DSK was een speciale nazi-plunderingseenheid van geselecteerde SS-soldaten dat in België, Frankrijk en Nederland opereerde. De eenheid werd opgericht in 1940 en was de gehele Tweede Wereldoorlog operatief. De DSK was belast met het toezicht op alle deviezentransacties van banken in door Nazi-Duitsland bezette landen, inclusief het toezicht op bankdeposito's van valuta, financiële instrumenten en edelmetalen. In de praktijk namen leden van de DSK alles in beslag wat zij waardevol vonden. Acties van de DSK omvatten inspecties van individuele kluisjes in aanwezigheid van de boxhouder, een bankmedewerker en een nazi-officier. Bankbiljetten, aandelen en obligaties, goud en zilver, edelstenen en kunstvoorwerpen die in het bezit zijn van burgers, werden geïnventariseerd en op rekeningen geplaatst die door Duitse autoriteiten werden beheerd. Joodse activa die op grond van verschillende besluiten zijn geconfisqueerd, zijn overgedragen aan een Duitse geregistreerde bankagent of de Vermögensverwaltungs und Rentenanstalt (onroerend goedadministratie en pensioeninstituut). De enige missie van de DSK was om activa te zoeken en te lokaliseren, niet om ze te beheren.
1945-1946 Nederlandsch Beheersinstituut was een instelling die in augustus 1945 na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht als onderdeel van de Raad voor het Rechtsherstel. Het instituut was in de periode 1945-1967 belast met het opsporen, beheren en eventueel liquideren van landverraderlijke vermogens, vijandelijke vermogens en de vermogens van tijdens de oorlog verdwenen personen, veelal gedeporteerde of ondergedoken Joden. Zij maakten gebruik van kamers in het huis Herengracht 410. Op de zolder van dit pand werd in 1979 een deel van het archief van de nazi-bank Lippmann-Rosenthal (Liro) teruggevonden. Dit archief bevat gegevens over de waarde-objecten, die joden vanaf 1941 moesten inleveren.
1945-1946 Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (RIOD). Al enkele dagen na de Duitse capitulatie stond in de Staatscourant van 8 mei 1945 dat er een ‘Rijksbureau voor Documentatie van de geschiedenis van Nederland in oorlogstijd’ was opgericht. Men begon in Amsterdam op een paar kamers in het huis Herengracht 410, waar ook de Commissie voor Oorlogspleegkinderen en het Opsporingsbureau voor vermiste joodse personen van het Nederlandse Rode Kruis waren gevestigd. In 1946 verhuist naar Herengracht 479 en in 1950 naar Herengracht 474.

Van 1946 tot 1979 was het Agentschap van het Ministerie van Financiën: Directie van de Grootboeken der Nationale Schuld (B) hier gehuisvest.
2002-2010 Lost Boys (B) is een internetservicebureau gespecialiseerd in websiteontwikkeling / Guerrilla (B) is ontwikkelaar van computerspellen.
2011-2017 wacht op nieuwe gebruiker.
2018 In 2017 start architectenbureau J.van Stigt de verbouw van de huizen 410-412 tot een luxe woonzorgomgeving waarna Domus Magnus (B) sinds 2018 appartementen aan ouderen aanbiedt die willen wonen met zorg.

Meer lezen:
Architectenbureau J.van Stigt
Bank Becker & Fuld
Becker, Carl Wilhelm Ferdinand
Cuypers, Ed. (Eduard)
Fuld, Elias Jacob: Herengracht 500; Keizersgracht 452; Nieuwe Keizersgracht 104-114
Herengracht 410
Hobbemastraat 20
Incasso-Bank
Kok, A.A.
Lippmann-Rosenthal bank (Liro roofbank): Herengracht 500; J.J.Viottastraat 36
Lodewijk XIV-stijl
Mendelssohn & Co, bank:
Naiveu, Matthijs (Matthys)
Nederlandsche Handel-Maatchappij: Herengracht 40; Herengracht 410; Herengracht 466; Herengracht 502; Keizersgracht 444;
Pierson & Co: Herengracht 410; Keizersgracht 444
Schepen
Vingboons, Philips

Voor het laatst bewerkt:20-feb-2020