Kalverstraat 94-96-98
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Andries Andriesz. bezat in het begin van de 15de eeuw een breed erf aan de Kalverstraat waar nu de groep van drie huizen 94-96-98 staat en nog een vierde huis. In 1480 is Marten IJsbrantsz eigenaar van 94. Het is niet na te gaan of hij het erf over de volle breedte in bezit had of slechts een deel. Uit het verloop van de geschiedenis is het waarschijnlijk dat het brede erf steeds in één hand gebleven is. Vermoedelijk omstreeks 1500 zou dit erf in bezit zijn gekomen van de kerkmeesters van de kapel der Heilige Stede die aan de overzijde van de Kalverstraat lag. De vier huizen die op het voorste deel van het erf waren gebouwd werden ten behoeve van de kapel verhuurd. Het achtererf was in gebruik bij het Sacramentsgasthuis of Oudemannenhuis op 102.
Kalverstraat 94 wordt in 1553 verhuurd aan Kerstant Jacobsz; in 1559 en 1563 aan Jacob Ballemaker die 42 lb betaalt en in 1569 aan Steven Pietersz tegen 48 lb. Achter dit hoekhuis is een huis dat de helft aan huur doet vergeleken met de voorste huizen. In 1553 woont hier Appolonia Jacobsdr.; in 1559 een ‘minnemoer’; in 1563 wordt het huis voor 18 lb verhuurd aan Harman Rieuwertsz en in 1569 voor 20 lb aan Griete Roemers. (lb (Libra) is de valuta in het Middelnederlands uit de dertiende eeuw, die 240 penningen waard was).
Kalverstraat 96 is in 1553 voor 26 lb verhuurd aan Henrick Sijmonsz; in 1559 betaalt Henrick de glazenmaker 38 lb; in 1563 is Adriaen Gerytsz de huurder en in 1569 treft men hier meester Willem aan, die 42 lb huur betaalt.
Kalverstraat 98 wordt in 1553 voor 21 lb verhuurd aan Hillegont Jansdr; in 1559 woont er Mr Jan Berenz die 30 lb huur betaalt en in 1562 en 1569 heer Jan Perchijn met 35 lb huur.
Het vierde huis dat in het bezit was van de kerkmeesters der Heilige Stede werd in 1554 overgedragen aan het Oudemannenhuis. De nummers 94-96-98 gingen in 1579 over in het bezit van het weeshuis.
Tussen 1585 en 1611 woonde Isaac le Maire (ca.1558-1624) in Amsterdam en bij het huwelijk van zijn dochters Catharina (1590-) en Sara woonde hij in één of meerdere van deze huizen. Het gezin was namelijk nogal uitgebreid met in totaal 22 kinderen.
Isaac le Maire, was aanvankelijk actief in de Oostzeehandel, veelal samen met Dirck van Os en soms met Roemer Visscher. Hij liet vracht, als zout, hout, rogge, tarwe, vis, wijn en krenten vervoeren van of naar Archangelsk, Lapland, Dantzig, Lissabon, Setubal, Málaga, Alicante, Genua, Livorno, Sardinië, Civitavecchia, (nabij Rome waar zijn broer Salomon zat) en Kreta. In 1592 was hij huurder van een tuin buiten de Jan Roodenpoort.
In 1598 investeerde hij in de expeditie van Jacques Mahu; hij was een van de bewindhebbers van de Brabantsche Compagnie en de belangrijkste financier voor twee reizen op China. Vier schepen voeren op 21 december 1599 uit onder Pieter Both en Paulus van Caerden. Zijn neef Carel Walraven uit Middelburg ging mee als koopman naar de Oost. In 1602 werd de VOC opgericht. Le Maire investeerde 97.000 gulden. In 1602 was Wybrand van Warwijck admiraal van een vloot van veertien schepen en een jacht. De vloot was uitgerust door een combinatie van bewindhebbers uit verschillende kamers, waaronder Jacob J.Hinlopen en Isaac le Maire.
Op 25 februari 1603 kaapte Jacob van Heemskerk, als laatste of voorlaatste uitgevaren onder een van de voorcompagnieën, een Portugees schip, de met zijde en porselein beladen kraak Santa Catharina; de lading bleek 2,5 miljoen guldens waard. Le Maire raakte in december 1604 in opspraak. Het zou te maken hebben met geknoei bij de verkoop van de lading of het niet aanleveren van kwitanties betreffende de reis van Van Warwijck. Door de kerkenraad en de dominee/geograaf Petrus Plancius zou een onderzoek worden ingesteld. Le Maire werd in februari 1605 ontheven uit zijn functie als bewindhebber en beloofde zijn kennis en inzicht nooit te gebruiken om de compagnie dwars te zitten, niet gebruik te zullen maken van de tot dan toe bekende routes via Kaap de Goede Hoop of de Straat Magellaan of zich bemoeien met andere compagnieën. Hij zou alle belangrijke belangrijke papieren teruggeven, maar kreeg de toezegging dat hij mocht handelen in VOC-aandelen!
Op 11 februari 1609 richtte hij met een aantal anderen een compagnie op int copen ende vercopen van diversie actiën in de Oost-Indische Compagnie voor de duur van twee maanden. Le Maire bezat een kwart van de aandelen. In maart 1609 trad Le Maire in geheim overleg met de Franse ambassadeur in Den Haag. Le Maire probeerde om Henry Hudson in dienst te laten treden van de Franse koning, in plaats van bij de VOC. Nadat de VOC Hudson had afgevangen, kwam het tussen Isaac le Maire en koning Hendrik IV van Frankrijk in het geheim tot een overeenkomst om de Noord-Oostelijke ontdekkingsreis onder een andere kapitein te laten uitvoeren. Op 5 mei 1609 vertrok Melchior van den Kerckhove. De tocht onder zijn leiding werd een mislukking.
Le Maire stuurde Van Oldenbarneveldt een brief met zijn bezwaren tegen de VOC. Het handelslichaam zou te groot geworden zijn om te kunnen besturen. Volgens Le Maire moest het octrooi niet uitgebreid maar beperkt worden. In december 1609 reisde hij naar Parijs in een poging een Franse Oost-Indische Compagnie op te richten. Doordat de Franse koning in 1610 werd vermoord, kwamen de plannen voor een Franse OIC nooit van de grond, maar het vinden van een noordelijke of zuidelijke zeeroute naar Oost-Indië die niet onder het monopolie van de VOC zou vallen, werd een obsessie voor Le Maire.
Le Maire was inmiddels de belangrijkste rekeninghouder bij de Amsterdamse Wisselbank geworden.
Een consortium van beleggers in aandelen VOC onder leiding van Le Maire verloor in 1610 in totaal 45.000 gulden. Aangezien niet alle aandeelhouders aan hun financiële verplichtingen konden voldoen en enkelen malversaties hadden gepleegd, werd Le Maire voor de rechtbank gesleept. Het bracht hem er toe afstand te doen van zijn Amsterdamse eigendommen en te vertrekken uit de hoofdstad.
In 1610 richtte Isaac le Maire een compagnie op ter walvisvaart bij Kaap de Goede Hoop. Aan boord van een van de schepen was zijn zoon, Jacob le Maire. In 1616 richtte hij de Austraalse Compagnie op, hetgeen in strijd was met monopolie van de VOC. Le Maire richtte zich op een alternatieve route rond Kaap Hoorn, maar het schip en het scheepsjournaal zijn bij aankomst in Batavia in beslag genomen.

Kalverstraat 94 wordt in 1634 bewoond door Otto Jansz ‘koussekoper’, in 1662 is Otto Jansz van den Wijngaert met fl. 245,- huur bewoner en in 1742 J.Wijngaert, vischopzetter van de markt tegen een huur fl. 400,-. In 1770 wordt het huis voor fl. 280,- gehuurd door de wed. P.Dorsman, die een ‘Gaas en balance winkel’ hield.
Kalverstraat 96 is in 1634 bewoond door de weduwe van Jacob Willemsz, in 1662 woonde hier Antonij Verhelle, ‘lakenkoper en bereijder’ met fl. 400,- huur, terwijl in 1742 hier de kruidenier Matth.Cousijns woont tegen fl 450,- huur. Francois le Tellier heeft een ‘catoenwinkel’ en huurt het huis in 1770 voor fl. 450,-.
Kalverstraat 98 wordt in 1634 gehuurd door Salomon Abrahams ‘vlaskoper'. In 1662 verwonen Dirck en Jan Kieff hier fl. 300,- huur. In 1742 betaalde de zevenmaker Ancojard d. Greijs fl. 500.- huur. Hier was het de wed. Nicolaas Streep met een gaaswinkel die het huis huurde voor fl. 400,-.

De huizen hadden in 1769 flink achterstallig onderhoud en het weeshuis besloot tot vernieuwing. Het bestek en de begroting die door de timmerman en de metselaar van het weeshuis waren opgemaakt, werden door de Thesaurieren der stad op advies van Directeur Rauws goedgekeurd. Op 8 juli 1771 werd op de hoek van de Kalverstraat en het pleintje voor de weeshuisingang de eerste steen gelegd door Jhr. Pieter van der Lijn, zoon van een van de regenten. Het werk werd uitgevoerd door de timmerman Dirk Heijdeman en de metselaar Cornelis van Twisk. Ook werden betalingen gedaan aan de graver en aan de heibaas Wijnand van Leeuwen waardoor het duidelijk is dat de huizen van de grond af zijn vernieuwd. De steenhouwersfirma van de wed. H.Poggeman heeft de drie topgevels geleverd en zeer waarschijnlijk ook de nieuwe weesjongen, die een plaats kreeg in de zijgevel. Dit beeld was een kopie van het reliëf dat vroeger de voorgevel sierde.
De drie huizen waren zo gebouwd dat ze van gelijke grootte waren. Er waren een voorhuis met een kelder eronder en een opkamer met benedenkamer. Achter de plaats lag een keuken die een verdieping had die vanuit de opkamer te bereiken was. Boven het voorhuis bevonden zich twee verdiepingen die, gezien hun hoogte en hun vensters, als woonruimten gediend kunnen hebben. Slechts de zolder schijnt voor berging bestemd te zijn geweest. Hoewel we hier met winkelhuizen te maken heeft treffen we toch een gesloten winkelpui aan. Er zijn twee schuifvensters met luiken in het onderste deel en een voordeur met een glazen bovendeur.
Kalverstraat 94 is al voor 1906 voorzien van een winkelpui. Bij de verbouwing van 1906 is de winkelpui is ontstaan die tot 1965 intact bleef.
Kalverstraat 96 had al voor 1904 een winkelpui. Deze pui wijzigt in 1904 en daarna nogmaals in 1918 als de firma Boldoot het pand betrekt. Deze laatste pui siert het huis nog altijd.
Kalverstraat 98 was al voor 1883 voorzien van een winkelpui. In 1883 werd een nieuwe onderpui gebouwd. Van 1888 tot 1969 was hier een klokkenwinkel gevestigd die door Cronenberg en Stroethof begonnen werd en door De Wilde en Brokke werd voortgezet. In 1927 werd het huis inwendig gewijzigd.

Naam: In 't geurighe Rooske
Adres: Kalverstraat 96
Architect: Heijdeman, Dirk; Roodenburgh, Jordanus
Bouwtijd: 1771; 1919
Opdracht: (Burger)Weeshuis; Firma J.C.Boldoot

Kalverstraat 94-98 vormen tesamen een drieling, in 1771 gebouwd door Dirk Heijdeman, welke gebouwd zijn als halsgevels in een overgangsstijl van Lodewijk XV naar Lodewijk XVI. De halsgeveltoppen zijn afgewerkt met gebogen lijstvormig fronton met schelp in de vulling.
Van het pand Kalverstraat 96 is de onderpui in 1919 vernieuwd in Art nouveau naar ontwerp van architect Jordanus Roodenburgh. Het pand kwam toen in gebruik bij de Boldootwinkel. De naam In 't geurighe Rooske prijkt nog altijd in gouden letters midden op de gevel. De pui is gemaakt van mahoniehout. De overvloedige versieringen zijn gerealiseerd door de kunstschilder Mathieu Wiegman en beeldhouwer Jan Christoffel Schultsz, die de vergulde putti met rozen maakte. Het gebrandschilderde glas is van Willem Bogtman. Voor zover bekend is dit de enige winkel die Roodenburgh heeft ontworpen. In 1938 ontwierp hij ook de nieuwe fabriek van Boldoot aan de Haarlemmerweg.
Boldoot verliet het pand in 1969 of 1970. Het prachtige interieur belandde in de container, de pui kwam op de lijst van Monumentenzorg. Dat dit laatste nog geen waterdichte garantie biedt voor behoud, toont de toenmalige eigenaar van de broodjeswinkel die de ingang van het midden heeft laten verplaatsen naar opzij, waarna later nog meer afbraak volgde. Hiermede is van de creatie van Roodenburgh en de zijnen vrijwel niets meer over.
Momenteel heeft het pand nog steeds een horeca-bestemmimg met wisselende uitbaters.

Jacobus Cornelis Boldoot (1766-1838) was apotheker en chemicus en de grondlegger van de firma J.C.Boldoot. In 1780 werd hij leerling-apotheker bij Georg Riga in de Lange Brugsteeg. Hij krijgt in mei 1789, na het overlijden van zijn vader, van het gilde permissie een winkel te openen op de Nieuwezijds Voorburgwal 46 op de hoek van de Korte Kolksteeg. Een jaar later trouwde hij met Maria Hillenaar. Zij kregen geen kinderen. Deze oud-katholieke apotheker maakte onder eigen naam een op alcohol gebaseerd geneesmiddel en noemde dit Keuls water. Het middel zou goed te zijn tegen migraine en andere kwaaltjes. Later werd het middel in de vorm van toiletartikel en zeep verkocht.
In 1823 komt zijn neef Jacobus Cornelis Boldoot (1809-1876) in de leer. Op 1 januari 1834 neemt neef Jacobus Cornelis Boldoot de apotheek op de Nieuwezijds Voorburgwal over. Ook in 1834 treedt hij in het huwelijk met Helena Maria Thijssens. In 1844 krijgt hij van de stad Amsterdam toestemming zijn chemische proeven voort te zetten op een erf aan de Sint Jacobsstraat, schuin tegenover zijn apotheek. Na het overlijden van Jacobus sr. verhuisde de chemicaliënfabriek in 1865 naar Singel 92.
Jacobus en Helena krijgen drie dochters en tenslotte in 1850 een zoon Johannes Jacobus. Voor zijn opleiding gaat hij naar het buitenland. In 1871 wordt Johannes Jacobus bij Koninklijk Besluit meerderjarig verklaard en gaat een vennootschap met zijn vader aan.
Johannes richtte zich op het buitenland, en op 5 november 1875 verschijnt hij voor Karel Joseph Koch, (Koninklijk Pruisisch) Notaris te Keulen, teneinde de overdracht te bekrachtigen van de oudste en beroemdste Keulse geurwaterfabriek, de in 1695 gestichte firma Johann Maria Farina, te Keulen. Deze firma was in 1851 gedeeltelijk en in 1853 definitief overgenomen door Frans Joseph Daniels, echtgenoot van Antonia Luützeler. De weduwe Luützeler hertrouwde met Felix Werres; hij was betrokken bij de verkoop. 16 December 1875 wordt in een onderhandse overeenkomst tussen J.C.Boldoot en J.J.Boldoot, de firma Johann Maria Farina door J.J.Boldoot ingebracht in de Vennootschap J.C.Boldoot. Behalve inzage in de receptuur mocht hij voortaan zijn producten verkopen onder de naam Eau de Cologne. De firma floreerde en bestond in 1900 uit zestien panden in de Amsterdamse binnenstad, onder meer Singel 90-96 en Langestraat 49, 51 en 53. In 1902 kwam er een eigen zeepfabriek aan de Haarlemmerweg 512 bij Sloterdijk. Pas in 1938 zou de definitieve verhuizing naar deze fabriek volgen. Ten behoeve van de firma werd een dam aangelegd. De panden aan het Singel 90-96 werden in dat jaar verkocht.
In 1881 werd Boldoot hofleverancier maar niet alleen in Nederland, ook in België, Spanje, Portugal en Italië.

Johannes Jacobus Boldoot is rijk en laat de villa Courbe Voie in neorenaissance-stijl bouwen in Baarn. Johannes reed graag paarden ging ook op 28 juni 1898 op pad in de Baarnse bossen. Zijn paard keerde alleen terug en zijn lijk werd in het bos gevonden. Hij ligt begraven op het R.K.kerkhof Sint Barbara. Met hem is het mannelijk geslacht van de familie Boldoot uitgestorven. Het lijkt er op dat hij geen kinderen had, waarschijnlijk gaat zijn erfenis over naar zijn drie zusters. Het bedrijf werd door familieleden voortgezet in de vorm van een naamloze vennootschap. In 1942 werd de firma als N.V. beëindigd en ging verder als commanditaire vennootschap (C.V.). Joannes Maria Bernardus (Thijs) van Vlijmen was directeur van de “Koninklijke Boldoot” van 1954 tot 1966. In 1963 wordt de firma Boldoot verkocht aan Akzo. In 1977 verhuisde het bedrijf naar Haarlem. Voor zichzelf en zijn familie heeft Van Vlijmen rond 2007 de merkrechten van Boldoot terug gekocht van ‘s werelds grootste parfumfabrikant Coty Beauty, waar het merk na vele omzwervingen terecht was gekomen.

Eau de cologne: van medicijn tot reukwater
De oorsprong van 4711 ligt in het jaar 1792, toen kreeg Wilhelm Muelhens (een jonge ondernemer) als huwelijkscadeau van een monnik het geheim recept voor een gezondheidsdrankje Aqua Mirabilis. Het was een wonderdrank voor interne en externe gezondheid en het 'ijskoude Jägermeistertje' van de negentiende eeuw. Muelhens opende een winkeltje en fabriekje op de Glockengasse in Keulen en noemde zijn product: ‘Echt Kölnisches Wasser’. Dat winkeltje werd al spoedig een succes, prominenten erkenden de medicinale werking van het wonderwater en het was niet aan te slepen. Kölnisches Wasser werd puur gedronken, gemengd met water of wijn en was voor velen een onderdeel van de dag. Bij de invoering van de huisnummering in 1794 tijdens de Franse overheersing kreeg Muelhens fabriek en winkel het nummer 4711. Sindsdien kan je in Keulen nog altijd op hetzelfde adres terecht om dit iconisch geurwater te kopen.
Als je weet dat Kölnisches Wasser uit 85 procent alcohol bestond, waren het zeker niet alleen de genezende eigenschappen die het immense succes van het watertje verklaarden. Toen Napoleon besloot dat iedereen zijn recepten van medicinale dranken openbaar moest maken, stopte Muelhens met de verkoop van zijn wonderwater als medicijn. Om zijn geheime recept te kunnen bewaren, werd het nu op de markt gebracht als verfrissend water voor lichaam, geest en ziel. Zo ontstond 4711 Eau de Cologne, het water uit Keulen. In vergelijking met een eau de toilette (5-10%) en een eau de parfum (10-20%) zit er slechts 2-5% geurstoffen in, maar het bevat natuurlijke, aromatische ingredieënten die voor positieve nevenwerkingen zorgen. Bovendien kan je een cologne op veel verschillende manieren gebruiken. Denk maar eens aan onze moeders die een scheutje cologne in hun handen of op een zakdoek deden om eraan te snuiven. De eerste geur die 4711 in 1921 uitbrengt is Tosca en deze is nog altijd verkrijgbaar. Maar drinken doen we Eau de Cologne niet meer.

Meer lezen:
Art nouveau (Jugendstil)
Bogtman, Willem
Heijdeman, Dirk
Lodewijk XV-stijl
Lodewijk XVI-stijl
Minnemoer
Roodenburgh, Jordanus
Schultsz, Jan Christoffel
Wiegman, Mattheus Johannes Maria (Matthieu)

Voor het laatst bewerkt:30-apr-2020