Kloveniersburgwal 29
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Gebouw: Trippenhuis
Bouwtijd: 1660-1662
Architect: Justus Vingboons
Beedhouwwerk: Hendrick de Keyser jr. (1613-1665) en Jan Gijselingh de Oude (1629-1667)
Opdrachtgever: Louis Trip (1606-1684), Hendrick Trip (1607-1666)

Louis woonde in de noordelijke woning, Hendrick in de zuidelijke woning. Tot het begin van de negentiende eeuw blijft het Trippenhuis eigendom van de familie Trip.
Bewoners van de noordelijke woning zijn onder meer:
1730 tot 1733
Elisabeth van Loon (11331). Zij liet verbouwingen uitvoeren in de Lodewijk XIV-stijl. Op de begane grond werd een gestucte gang gemaakt en het voorhuis werd gewijzigd.
Omstreeks 1785
Cornelis Sebille Roos (1754-1820), kunsthandelaar, president-commissaris van Felix Meritis en inspecteur van de Nationale Kunstgalerij (voorloper Rijksmuseum). Hij verhuisde later naar het Huis met de Hoofden aan de Keizersgracht 123.
1809
het Wetgevend Lichaam wordt hier ondergebracht. Het Rijk wordt eigenaar van dit gebouwdeel.
Bewoners van de zuidelijke woning zijn:
1691-1709
mr.Nicolaas Six (1662-1710) met zijn echtgenote Emerentia Valckenier (1674-1727). Zij verhuizen in 1709 naar Herengracht 619.
1715
Willem Buys (1661-1749), directeur van de Sociëteit van Suriname.
1750-1758
Gerret Braamcamp (1699-1771), verzamelaar en kunsthandelaar had er zijn verzameling hangen. In 1755 kocht hij het naastgelegen woonhuis op 31 voor fl. 22.600 van de erfgenamen van Tymen Jacobsz. Hinlopen.
1771
De gemeente Amsterdam wordt eigenaar.
Omstreeks 1785
Nicolaes Warin (1744-1815), directeur van de Sociëteit van Suriname.
1814
Koninklijk Instituut van wetenschappen, letteren en kunst, welke instelling in 1851 wordt omgedoopt in Koninklijke Akademie.
1815
beide vleugels worden met elkaar verenigd en het Rijksmuseum wordt hier ondergebracht.
De suppoost en tekenaar Gerrit Lamberts (1776-1850) woonde in zijn laatste jaren in het Trippenhuis en is in 1850 van daaruit begraven.
1885
het Rijk wordt eigenaar van het gehele pand en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) de gebruiker.

De familie Trip
Jacob Trip (1575-1661) trouwde in 1603 met Margaretha de Geer. Zij woonden in Dordrecht en kregen zeven kinderen.
Louis Trip (1605-1684) trouwt in 1631 met Emerentia Hoefslager (1614-1673). Zij woonden eerst in de Sint Anthoniesbreestraat, Samen met zijn broer Hendrik is hij opdrachtgever en bewoner van het Trippenhuis.
Hij is driemaal tot burgemeester van Amsterdam gekozen, in 1674, 1676 en 1679.
Hendrick Trip (1607-1666) trouwt in 1633 met Cecilia Godin (1607-1637) en in 1646 met Johanna de Geer (1629-1691), een nichtje van Louis de Geer. Hij woonde sinds 1644 op de Oude Turfmarkt en is samen met zijn broer Louis opdrachtgever en bewoner van het Trippenhuis.
Zoon Matthias Trip (1648-1695), bewoonde het Trippenhuis tussen 1662 en 1683 en trouwde in 1683 met Margaretha Trip, afkomstig uit Dordrecht. Na het huwelijk verhuizen zij naar Keizersgracht 643.
Zoon Jacob Trip (1650-1695), bewindhebber van de VOC, bewoonde eveneens het Trippenhuis en is eigenaar van de buitenplaats Meer en Berg in Heemstede.
Zoon Louis Trip (1653-1707) trouwt met Anna Nuyts (1652-1719) en ook zij bewoonden het Trippenhuis.

De broers Louis en Hendrick Trip hadden tijdens hun jeugd een aantal jaren in Zweden doorgebracht waar hun oom Louis de Geer (1587-1652) een sterke positie had verworven in de wapenhandel en -industrie. De wapenhandelaren Trip vestigen zich omstreeks 1630 in Amsterdam met hun 'Firma Louis & Hendrick Trip kooplieden in waepenen, geschut, cogels & amonitie van oorloge', hierbij waren ook oorlogsschepen inbegrepen. Zij bezaten in Zweden mijnen, ovens, en smederijen. De overname van een grote ijzergieterij in het Zweedse Julethabruk verliep voor de broers zo goed, dat zij besloten een eigen huis te laten bouwen.
Ondanks hun leveringen van oorlogsmateriaal noemden de beide broers zichzelf "wapenhandelaren van de vrede" (Ex Bello Pax).
In 1655 krijgt architect Justus Vingboons de opdracht een ontwerp te maken van een dubbel woonhuis achter één grote gezamenlijke gevel, met alleen op de begane grond een gezamenlijk 'comptoir', of kantoor.
Het gebouw viel in die tijd al op door zijn monumentale gevel en zeer rijke interieurdecoraties, die voor een groot deel behouden zijn gebleven. Maar ook nu nog is het Trippenhuis het grootste en rijkste zeventiende-eeuwse woonhuis in Amsterdam.
Terwijl Amsterdamse koopmanshuizen aanvankelijk gecombineerde woon- en pakhuizen waren, tekende zich in de tweede helft van de zeventiende eeuw een scheiding in functies af. Het Trippenhuis is daarvan een voorbeeld. De gebroeders Trip gebruikten hun pand alleen voor woondoeleinden. Er waren geen pakzolders of pakkelders. De zolders dienden nu voor het verzorgen van de was en het opslaan van brandstof en huisraad. De kelders kregen een bestemming als provisie-, wijn- en bierkelders.
De keuze van de locatie: De broers wilden het huis van Louis de Geer, het Huis met de Hoofden (Keizersgracht 123), in de schaduw stellen. Zij kozen heel bewust voor de Kloveniersburgwal en niet voor de in die tijd moderne grachtengordel. Over de toen veel lagere huizen was goed het stadhuis aan de Dam te zien en vanuit het stadhuis dus ook het burgerpaleis van de gebroeders Trip van Dordrecht.
De kosten van de bouw van het Trippenhuis bedroegen in 1660 fl. 250.000. Het pand is zeven traveeën en 22 meter breed.
Het exterieur
Het Trippenhuis is een van de laatste voorbeelden van het Hollands classicisme in Amsterdam.
Justus Vingboons ontwierp een lijstgevel met een kolossale Korinthische orde van acht Korinthische pilasters. Het geheel is in Bremer en Bentheimer zandsteen uitgevoerd. De afmetingen van het bovenste deel van het huis baseerde Vingboons op de afmetingen van de tempel van de oorlogsgod Mars in Rome.
De gevel kent een gevarieerde ritmiek doordat het door een fronton bekroonde middengedeelte en de hoekpartijen iets naar voren komen ten opzichte van de twee bredere traveeën waarin de gelijkvloers gelegen ingangen zijn gesitueerd. De gevel wordt in zeven vensterassen verdeeld door de geweldige pilasters die vanaf de begane grondverdieping oprijzen. Een gevelindeling met een ongelijk aantal vensterassen had in principe, naar classicistisch bouwvoorschrift, een middeningang mogelijk gemaakt. Bij het Trippenhuis telde een verdeling van de plattegrond in twee gelijke helften echter zwaarder dan het zuiver naleven van de theorie. Hierdoor kwam nu de scheidingsmuur hoogst ongelukkig uit op het middelste venster. Om de regelmatige gevelcompositie niet te verstoren nam de architect zijn toevlucht tot een kunstgreep door in het midden een blind venster aan te brengen. Dit zijn bij een latere verbouwing normale vensters geworden met de scheidingsmuur van buitenaf zichtbaar.
Beeldhouwwerk
Het zeer rijke beeldhouwwerk op de gevel is van de hand van Hendrick de Keyser jr. en Jan Gijselingh de Oude. Zelfs de kleine frontons van de vensters boven de ingangen en de blinde muurvlakken naast de buitenste pilasters zijn van beeldhouwwerk voorzien.
De beeldhouwers moesten uit uiteenlopende bronnen putten om aan de decoratiewoede van de opdrachtgevers tegemoet te kunnen komen. Naast het bekende repertoire van voluten, kwabornamenten en vruchtenslingers hebben er ook olijf- en palmtakken (symbolen van de vrede) een plaats aan de gevel gevonden.
Het beeldhouwwerk is niet alleen zuiver decoratief maar droeg ook een boodschap uit op basis van het motto 'Ex bello pax' (uit oorlog komt vrede voort).
Op het dak staan hoekschoorstenen in de vorm van mortieren. In het timpaan zit het wapen van de familie Trip (drie klompjes) geflankeerd door vier kanonlopen en aan weerszijden een voorraad kanonskogels.
De achtergevel
De achtergevel is in tegenstelling tot de voorgevel sober van karakter. De muren zijn hier uit baksteen opgetrokken.
Weliswaar wordt ook deze gevel door een reusachtig fronton met het familiewapen bekroond, maar decoratieve elementen ontbreken. De lichtvoorziening achter is echter beduidend beter. De achtergevel heeft met 46 vensters, tweemaal zoveel ramen als de voorgevel.
Het interieur
In 1815-1817 vond een verbouwing plaats onder leiding van stadsarchitect Abraham van der Hart (1747-1820) om onderdak te kunnen bieden aan het Rijksmuseum van schilderijen en het Prentenkabinet. Tot de ingrepen behoorde ook de sloop van de scheidingsmuur tussen de huizen.
Vanaf 1816 werd het Rijksmuseum in het Trippenhuis gevestigd, maar de huisvesting bleek spoedig te klein door de aankopen van Cornelis Apostool. In 1838 verdwenen de schilderijen van nog levende kunstenaars naar Paviljoen Welgelegen in Haarlem, maar andere schilderijen, waaronder De Nachtwacht bleven in het Trippenhuis, tot in 1885 het door Pierre Cuypers ontworpen Rijksmuseum aan de Stadhouderskade werd geopend.
In 1983 werd in de tuin een moderne vergaderzaal gebouwd. In 1988-1991 onderging het Trippenhuis een grondige restauratie met als uitgangspunt het gebouw zoveel mogelijk in zeventiende-eeuwse staat terug te brengen. De scheidingsmuur tussen beide huizen kwam in het voorste deel weer terug, schilderingen werden hersteld en in de ingangshal van het noordelijke huis werd de oorspronkelijke klinkervloer weer blootgelegd.

Achter de ingang bevond zich een grote ruimte met een klinkervloer waar ook een koets gestald kon worden. Het bescheiden aangrenzende comptoir was de werkruimte van Trip. De binnenplaats en het trappenhuis scheidden het voorhuis van het achterhuis waar zich de dagelijkse woonkamers en de keukens bevonden. Tegen de deelmuur aan lagen de slaapvertrekken van de familie, op drie verdiepingen boven elkaar. Ze waren onderling verbonden door een eenvoudige spiltrap. Een marmeren poort op de begane grond, naast de spiltrap, gaf toegang tot een zeer comfortabele bordestrap die tot aan de vliering doorliep.
Op de hoofdverdieping bevonden zich de ontvangstvertrekken, met de grote zaal aan de voorzijde, uitkijkend over de gracht. De muren van de ontvangstkamers waren rondom behangen met tapijten en schilderijen. De stookplaatsen stonden tegen de scheidingsmuur aan. Ferdinand Bol (1616-1680) nam de schoorsteenstukken voor zijn rekening. De compartimenten van het balkenplafond, zowel in de zaal als in de achterkamers, werden beschilderd door Nicolaes De Helt Stockade (1614-1669). Hoewel de schilderingen in het rechter huis verloren zijn gegaan, zijn de voorstelling nog bekend dankzij de begeleidende dichtregels die de literator en toneelschrijver Jan Vos (1620-1667) had geschreven.
'Wie buiten vrees wil zijn, Vereist een waakendt zwaerdt' dichtte Jan Vos.

Het beeldprogramma in beide huizen was complementair. In het linkerhuis, dat van Hendrick Trip, lag de nadruk op de noodzaak van goede bewapening. In het rechterhuis, dat van Louis Trip, worden de dankzij oorlog verkregen vrede en voorspoed bezongen. Tijdens de restauratie van 1988-1991 kwamen plafondschilderingen in de gang van de hoofdverdieping weer aan het licht, met voorstellingen van vogels. Ze zijn geschilderd door De Helt Stockade. De vier bovendeurstukken in de gang, van de hand van Allard van Everdingen (1621-1675), laten Scandinavische landschappen en de ijzergieterij in Zweden zien. In de trapportalen op de begane grond werden bij de restauratie jachttaferelen blootgelegd. Ook de deuren bleken oorspronkelijk van dergelijke voorstellingen te zijn voorzien.
Het Trippenhuis in het straatbeeld.
Meer lezen:
Bewindhebber VOC
Bol, Ferdinand
Geer, Louis de: Keizersgracht 123; Keizersgracht 149
Gijselingh de Oude, Jan
Hart, Abraham van der
Keizersgracht 123, Huis met de Hoofden
Keyser jr., Hendrick de
Loon, Elisabeth van
Mars
Six, Nicolaas: Herengracht 495; Herengracht 619;
Valckenier, Emerentia: Herengracht 615-617; Herengracht 619;
Vingboons, Justus

Voor het laatst bewerkt:18-nov-2018