Herengracht 500
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Huis Rosenthal
Adres: Herengracht 500
Architect: -, -, Isaac Gosschalk, restauratieatelier Uilenburg, -
Bouwtijd: 1667, ca.1758, 1889, 1974, 2008
Opdracht: Joan Reijnst, mr. Gerrit Hooft, George baron Rosenthal, -, -

Gebouw exterieur
In 1665 verwerven de huistimmerman Gerrit Harmensz, Jan Benningh en Joan Reynst, heer van Drakenstein en de Vuursche de stadserven 38 en 37 in perk D. In 1666 wordt erf 38 van Gerrit Harmensz overgenomen. Notaris Juriaan de Vos verzorgt de scheiding en loting en hierbij viel erf 37 in 1667 toe aan Joan Reynst. Hij laat in 1667 een pand bouwen in de late, sobere fase van het Hollands Classicisme, de zogenaamde Strakke Stijl.
Omstreeks 1758 volgt een verbouwing in opdracht van Gerrit Hooft. De huidige gevel en de interieurindeling dateren uit deze tijd. De gevel kreeg getoogde vensters en een drie verdiepingen hoge deur- en vensteromlijsting in de astravee. De zandstenen beelden en bekroning met vazen zijn verdwenen. Deze toevoegingen zijn overigens duidelijk te zien op tekening van Caspar Philips uit 1760. De stijl van deze verbouwing wijkt geheel af van wat toen gebruikelijke was, maar de gevel en de indeling is nog steeds zo. Op de dakbalustrade is nog het (nu blanke) gekroonde alliantiewapen van Gerrit Hooft en zijn vrouw Hester Hinloopen te zien.
De empiredeur en de roedenverdeling dateren uit de eerste helft van de negentiende eeuw, het smeedijzeren stoephek is een reconstructie uit 1975.
In 1889 diende George Rosenthal een bouwaanvraag in bij de gemeente Amsterdam voor een aanbouw aan de achterzijde van het pand, met daarbij een bouwtekening van de architect Isaac Gosschalk.
In 2003 is een nieuwe fundering aangebracht en de begane grond gerestaureerd.

Gebouw interieur
Herengracht 500 heeft één van de best bewaarde interieurs uit het einde van de negentiende eeuw binnen de grachtengordel. Het pand bestaat uit een boven een kelder opgetrokken begane grond, drie verdiepingen en een zolder. Het huis heeft geen stoep; de entree is in het midden van de begane grond geplaatst waarna een centrale gang naar de vertrekken op de begane grond en het trappenhuis leidt.
Bankier George baron Rosenthal gaf in 1889 aan architect Isaac Gosschalk, in samenwerking met een aantal bekende decoratieschilders, de opdracht tot herinrichting van het trappenhuis en de bel-etage.
Door het ontbreken van plattegronden is er weinig bekend over de precieze functies van de verschillende ruimtes uit de periode dat het echtpaar Rosenthal hier woonde. Gezien de rijke afwerking en de in dergelijke grachtenhuizen gebruikelijke situering van de representatieve vertrekken op de bel-etage of de hoofdverdieping mogen we aannemen dat de kamers op de eerste verdieping voornamelijk fungeerden als salon, eetkamer en woon- of zitkamer. De eerste verdieping heeft in het midden een brede gang of hal, die geflankeerd wordt door het trappenhuis. Aan de straatzijde bevinden zich twee grote kamers, die middels dubbele deuren met elkaar verbonden zijn. Aan de achterzijde bevinden zich eveneens twee kamers, waarvan de westelijke kamer verbonden is met de voorkamer.
De voorkamers beneden zijn gelegen aan weerszijden van de gang die verfraaid is met marmer en stucwerk in Lodewijk XIV-stijl. Het trappenhuis bevindt zich achter de linker voorkamer.
Vanaf de begane grond leidt een steektrap met marmeren treden en een gemarmerde lambrisering naar de eerste verdieping.
Voor de rijke schilderkundige decoratie werd de hulp ingeroepen van Nicolaas van der Waay en Ernst Witkamp, beiden leerlingen van de schilder August Allebé. Van der Waay was in 1891 benoemd tot hoogleraar schilderkunst aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten en maakte onder andere de schilderingen aan de Gouden Koets die de stad Amsterdam aan het Koninklijk Huis schonk. Witkamp was vanaf 1894 conservator van het Museum Fodor.
De wanden van het trappenhuis zijn in grisaille beschilderd met putti, wapenschilden, en diverse attributen en allegorische symbolen. Het trapgewelf heeft een schildering met daarop de Amsterdamse stedenmaagd met in haar ene hand een roedenbundel die staat voor Eendracht en in de andere naar boven reikende hand een lichtende toorts die staat voor Kracht. Onder de stedenmaagd bevindt zich een schildering met daarin de Latijnse spreuk ‘luctor et emergo’: ik worstel en kom boven.
Op de kopse kant van het tongewelf boven de trap is een schildering geplaatst met daarop een afbeelding van een kind dat zich ontfermt over een ander, geketend kind; mogelijk verwijst deze voorstelling naar het belang dat het echtpaar Rosenthal aan filantropie hechtte, met name waar het kinderen betrof die door hun afkomst slechter bedeeld waren wat betreft zorg en onderwijs. De schilderingen zijn het werk van Arthur Fitger (1902).
Door het hoge venster bovenaan de trap met daarin gebrandschilderd glas in de kleuren groen en oud-geel valt er een getemperd en enigszins mysterieus licht in het trappenhuis. Het glas-in-loodraam is, zoals uit de op het raam gebrandschilderde naam blijkt, geleverd door Het Prinsenhof uit Delft. Het Prinsenhof was in Nederland één van de eerste ateliers voor glas in lood uit de tweede helft van de 19de eeuw die artistiek hoogwaardige producten leverden.
Bovenaan de trap zijn deuren met geschilderde deurstukken waarop allegorische voorstellingen van de Schilderkunst en Muziek (links) en van de Wijsheid (rechts), het laatste in de vorm van een lezende oude vrouw met twee kindertjes en een slang.

De hal, de beide voorkamers en de achterkamer op de bel-etage hebben een vorstelijke uitstraling en vormen een prachtige staalkaart van de neo-Lodewijkstijlen zoals die in het rijkste deel van grachtengordel tegen het einde van de 19de eeuw toegepast werden. De hal heeft boven de witmarmeren lambrisering rijk stucwerk met bloemmotieven. De consoletafels en spiegels zijn uitgevoerd in neo-Lodewijk XVI-stijl.
De westelijke voorkamer is uitgevoerd in een weelderige Lodewijk XIV-stijl en rijkelijk verguld en versierd met houtsnijwerk. Voor de afwerking van de wanden en het plafond is gebruik gemaakt van sjabloonschilderingen. In de plafondomlijsting is vier maal het monogram van het echtpaar Rosenthal aangebracht; de poten van de in het midden geplaatste ‘M’ worden aan beide zijden vervlochten met een ‘R’. De schoorsteenpartij met de witmarmeren mantel vormt onderdeel van de oorspronkelijke wandafwerking. Deze ruimte is door een brede deuropening verbonden met de achterkamer. De achterkamer is met zijn wat minder uitbundige afwerking en strakkere decoraties een voorbeeld van de neo-Lodewijk XVI-stijl. Opvallende elementen hier zijn de schoorsteenpartij, de gesjabloneerde beschilderingen met florale motieven en het plafond met daarin in de lucht zwevende putti.
De grote oostelijke kamer aan de straatzijde spant de kroon. Deze is uitgevoerd in Lodewijk XV-stijl met zwierige asymmetrische ornamenten en in meer barokke stijl met zware geprofileerde omlijstingen. Het geschilderde plafondstuk met rijke houten omlijsting trekt de meeste aandacht. Het plafond geeft door het laten aansluiten van de schildering op de houten omlijsting aan de ruimte een fantastisch perspectief. Vanuit de lichtblauwe hemel waarin vogels en vlinders vliegen en putti zweven kijken jongens vanaf een geschilderde balustrade naar beneden; een van deze knapen kijkt de toeschouwer recht in het gezicht. De plafondschildering is van de hand van de decoratieschilders Ernst Witkamp en Nicolaas van der Waay en beeldt Amor en Psyche uit. Opvallend aanwezig zijn de verstrengelde initialen ‘R’ en ‘M’, weer verwijzend naar George en Sophie Rosenthal-May. De fraai omlijste deurstukken zijn in bruine grisailletechniek uitgevoerd.

Het thema van Amor en Psyche stamt uit de Griekse mythologie en vertelt het complexe en gelaagde verhaal van twee geliefden die eigenlijk niet bij elkaar horen of mogen horen maar uiteindelijk toch elkaars innige geliefden worden. Sophie May was van eenvoudige komaf, terwijl George Rosenthal als zoon van een rabbi, die bovendien getrouwd was met een rijke bankiersdochter, uit een hoger milieu kwam. Het is niet bekend hoe zij elkaar in Duitsland hebben leren kennen, maar mede gezien de rond en op de plafondschildering afgebeelde monogrammen mogen we aannemen dat zij een relatie wilden legden tussen hun eigen liefdesgeschiedenis en die van Amor en Psyche.
In de traditie van de joodse kabbalistiek, waarin aan woorden, letters en cijfers verborgen of mystieke betekenissen worden toegekend, zou men het woord ‘Amor’ kunnen omdraaien, en zo het woord ‘Roma’ verkrijgen; de eerste twee letters van de achternamen van Rosenthal en May. Maar, zoals het bij dit soort interpretaties vaak het geval is: dit kan op louter toeval berusten.

Het decoratieprogramma weerspiegelt waarschijnlijk het gedachtegoed van het echtpaar Rosenthal, waarbij het bestijgen van de trap symbool is voor de ontwikkelingsgang van de cultuur en de maatschappij. Na veel strijd en geworstel ontstaat verlichting, uitgedrukt door de brandende toorts in de omhoog gestrekte hand van de stedenmaagd. Daardoor ontstaat een klimaat waarin de kunsten en de wetenschap kunnen bloeien. Het afbeelden van de Amsterdamse stedenmaagd verwijst naar het feit dat het echtpaar zich in Amsterdam had gevestigd en zich innig met deze stad verbonden voelde.
Van Leeser Rosenthal, de vader van George, is bekend dat hij tijdens het opbouwen van zijn boekencollectie met name geïnteresseerd was in joodse schrijvers in relatie tot het Europese Verlichtingsdenken. Aangezien het gedachtegoed van de Verlichting in de stad Amsterdam reeds langere tijd bloeide ligt het voor de hand te veronderstellen dat George Rosenthal op deze wijze zowel de stad Amsterdam als de interesses van zijn vader eerde.
Het grachtenhuis aan de Herengracht 500 heeft, ondanks de vele naoorlogse verbouwingen, op de bel-etage het in opdracht van het echtpaar Rosenthal vervaardigde interieur behouden. Hun verstrengelde monogrammen en geschilderde decoraties sieren nog steeds de plafonds van deze verdieping en verwijzen naar een echtpaar dat in financieel, economisch, cultureel en filantropisch opzicht een belangrijke bijdrage aan de stad Amsterdam heeft geleverd.
In 1974 is de binnendecoratie gerestaureerd door het restauratieatelier Uilenburg.
In 2008 werd de binnendecoratie opnieuw gerestaureerd en is de bovenetage verbouwd.

Bewoners
1667 Joan Reynst, heer van Drakenstein en de Vuursche (1636-1695) wordt eigenaar van stadserf 37 waar de huizen 498 en 500 op gebouwd gaan worden.
Joan Reynst was in 1667 getrouwd met Eva Hooftman (1643-1716) en had één dochter, Anna Reynst (1671-1691).
1689 Anna Reynst kreeg het huis ten geschenke bij haar huwelijk met mr.David de Wildt, heer van Drakenstein (1692-1729), secretaris der Admiraliteit. David de Wildt is vanaf 1711 eigenaar van 498.
Eva de Wildt (1691-1709), de enige dochter van het echtpaar de Wildt-Reynst, trouwde in 1708 met mr.Gerard Bicker van Swieten (1687-1753). Ze overleed kinderloos.
1709 Anna Constantia Schaep (1671-1727), een dochter van mr.Pieter Schaep en Joans zuster Constantia Reynst, erft het huis. Anna is in 1689 getrouwd met mr.Franco Pauw (1661-1724) en zij hebben een dochter Elisabeth Françoise Pauw (1690-1760). Het huis werd op dat moment in huur bewoond door mr.Joan Corver, in 1709 getrouwd met Johanna Trip en in 1713 met Sara Maria Trip. Zij verhuisden in 1716 naar de Herengracht 456.
1724 Het is 2 mei als het huis, met stalling en koetshuis aan de Vijzelstraat, door Franco Pauw en Anna Constantia Schaep voor fl. 61.000,- wordt overgedragen aan de ongetrouwde koopman Jan Straalman (-1738).
1738 Het pand wordt door broer François, walvisreder en bewoner van Herengracht 487, en zuster Catharina van Jan Straalman voor fl. 100.000,- verkocht aan de aan de eveneens ongehuwde Machtelda Wybrands die het huis dan al huurt. In 1742 was de huurwaarde gesteld op fl. 1.900,- per jaar.
1746 Machtelda Wybrands had bij testament Hester Hinlopen (1684-1767) van Herengracht 529, tot erfgename benoemd. Hester Hinlopen was getrouwd met Gerrit Hooft. Gerrit Hooft, die van 1752 tot 1767 zeven maal burgemeester is geweest (1752, 1755, 1758, 1761, 1763, 1764, 1767, 1768), liet het pand verbouwen.
1768 Na de dood van mr.Gerrit Hooft erfde zijn dochter Constantia Hooft (1715-1788) het huis. Zij was weduwe van de in 1739 overleden mr.Nicolaas Witsen Jonasz van Herengracht 528. Constantia Hooft heeft het huis bewoond tot haar overlijden.
1788 werd het pand voor fl. 73.000,- gekocht door Ferdinand van Collen, heer van Gunterstein en Tienhoven.
ca.1805 wordt het huis door het Rijk aangekocht. Het werd toen bewoond door Joannes Baptista Dumonceau (1760-1821) die het van steenhouwer tot maarschalk van Holland en in 1810 tot graaf heeft gebracht. Hij was getrouwd met Agnes Wilhelmina Cornelie Cremers (1777-1850). Daarna woonde er voor een korte tijd Leopold graaf van Limburg Stirum, één van de leden van het bekende driemanschap van 1813, en verder jhr.Edzard Jacob Rutger Mollerus, administrateur der domeinen van het Amortisatie Syndicaat.
1842 Bankier Lodewijk Raphaël Bischoffsheim, consul van België koopt het pand voor fl. 37.470,-. Het bijbehorende koetshuis aan de Keizersgracht 605 verkocht hij reeds in 1843. Als Lodewijk Raphaël Bischoffsheim in 1848 te Parijs een nieuw bankiershuis begint, verhuurt hij het pand een korte periode onder andere aan mr.Rutger Jan graaf Schimmelpenninck van Nijenhuis.
1865 Lodewijk Raphaël Bischoffsheim verkoopt het pand voor fl. 42.750,- aan de bankier George (baron) Rosenthal. George Rosenthal woont er samen met zijn echtgenote Sophie May al sinds 1864 en is lid van de in 1859 gestichte bankiersfirma Lippmann Rosenthal & Co. Hij wordt als consul-generaal van Portugal door de koning van Portugal in de adelstand verheven.

George Rosenthal en Sophie May
George baron Rosenthal (1828-1909) was een uit Duitsland afkomstige joodse bankier. Hij groeide op in Hannover als zoon van de bekende boekenverzamelaar Leeser Rosenthal en Sophie Blumenthal, waar hij ook enige tijd als leerling bij zijn oom Meyer Blumenthal (1806-1893) werkte. Hij vertrok na een opleiding in het bankwezen in 1856 naar Amsterdam en werd daar commissionair in effecten bij Jacob Meyer Jacobson (1807-1876). In 1859 richtte hij samen met de uit Luxemburg afkomstige Leo Lippmann (1808-1883) de bank Lippmann, Rosenthal & Co. op. De bank was aanvankelijk aan de Nieuwe Herengracht 111 gevestigd en verhuisde later naar een pand in de Nieuwe Spiegelstraat 6-8. Naast bankier was Rosenthal tevens consul van Portugal, waarvoor hij in 1884 door de Portugese koning in de adelstand werd verheven en de titel baron kreeg.
In 1857 trouwde George Rosenthal met Sophie May (1838-1921). Het echtpaar vestigde zich in 1859 in Amsterdam, waar zoals gezegd haar echtgenoot reeds enkele jaren gewerkt had. Sophie May, geboren in Hamburg, groeide op in een eenvoudig joods gezin. Zij was achttien jaar oud toen zij trouwde en had haar echtgenoot reeds in Duitsland leren kennen. Het echtpaar woonde aanvankelijk aan de Nieuwe Herengracht 111 boven het handelskantoor van de nieuw opgerichte bank Lippmann, Rosenthal & Co. In 1864 kochten zij het grote woonhuis aan de Herengracht 500. Zij hebben nooit kinderen gekregen, maar adopteerden wel een nichtje van Sophie, Marianne Elias; zij woonde vanaf 1872 bij hen in het huis aan de Herengracht.
De bank van Lippmann en Rosenthal ontwikkelde zich tot een florerend bedrijf en werd een belangrijke speler op de internationale kapitaalmarkt; de bank verstrekte onder andere grote staatsleningen aan Portugal en Mexico.
Het echtpaar Rosenthal-May was zeer geëngageerd en actief betrokken bij het maatschappelijk leven van hun tijd. Zij steunden met het kapitaal, dat Rosenthal met zijn in 1859 opgerichte bank verdiende, tal van initiatieven op het gebied van liefdadigheid.
Met name Sophie Rosenthal-May zette zich maatschappelijk in en was vanaf 1879 lid van het college van regentessen van het Israëlitisch Armbestuur. Ter gelegenheid van het huwelijk van hun geadopteerde dochter Marianne richtte het echtpaar in 1887 een joodse school voor armen op: de Sophie Rosenthal bewaarschool. Daartoe kochten ze een gebouw aan de Uilenburgerstraat dat zij volgens de modernste eisen lieten inrichten. Ook financierde het echtpaar de bouw van een zusterhuis bij het Nieuw Israëlitisch Ziekenhuis op de Nieuwe Keizersgracht. Vlak voor het overlijden van George Rosenthal richtten zij het Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht op, ‘Het Apeldoornsche Bosch’ in Apeldoorn. George overleed in 1909 op 81-jarige leeftijd. Hij werd in Hamburg gecremeerd, omdat dit toentertijd in Nederland niet mogelijk was, maar zijn as is bijgezet op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Sophie May overleed in 1921.
Bibliotheca Rosenthaliana
In het huis aan de Herengracht 500 stichtte Rosenthal in 1868 een openbaar toegankelijke bibliotheek met een grote collectie judaïca en hebraïca. Deze verzameling was afkomstig van zijn vader Leeser Rosenthal (1794-1868), rabbijn te Hannover. In de jaren na zijn dood trachtten de erven van Leeser Rosenthal tevergeefs de collectie, die uit circa 6.000 banden bestond, als een geheel te verkopen. De waarde van de verzameling werd toentertijd geschat op een kwart miljoen gulden.
Uiteindelijk heeft de familie de bibliotheek in 1880 aan de gemeente Amsterdam geschonken, op de nadrukkelijke voorwaarde dat de collectie als afzonderlijke collectie bij elkaar zou blijven en naar Leeser Rosenthal vernoemd zou worden: zo kreeg zij de naam Bibliotheca Rosenthaliana die werd ondergebracht in de nieuwe universiteitsbibliotheek aan het Singel.
In de jaren na 1880 bleven de Rosenthals de uitbreiding van de bibliotheek financieel steunen. Na de dood van George Rosenthal in 1909 richtte Sophie Rosenthal met een startkapitaal van honderdduizend gulden het George Baron Rosenthalfonds op, later het Rosenthal-Mayfonds geheten. Aangezien dit fonds veel Russische en Hongaarse effecten bevatte die na de Eerste Wereldoorlog niets meer waard bleken te zijn, verloor het fonds toen bijna al zijn kapitaal. Het onderhoud en de gestage uitbreiding van de Bibliotheca Rosenthaliana wordt sindsdien bekostigd door de Universiteitsbibliotheek.
Op last van de Duitse bezetter moest de Bibliotheca Rosenthaliana in 1940 de deuren sluiten. De Duitsers confisqueerden de collectie, met uitzondering van de meest kostbare werken, en transporteerde deze naar Duitsland. De collectie kon na de oorlog gelukkig vrijwel integraal geretourneerd worden, nadat die in onuitgepakte staat in Duitsland was gevonden.
De Bibliotheca Rosenthaliana is tot op de dag van vandaag ondergebracht bij de Universiteit van Amsterdam. Tegenwoordig is de collectie met zijn ongeveer 120.000 werken, duizend handschriften en circa tachtig archieven een internationaal vermaarde instelling die beschouwd wordt als de grootste joodse collectie op het Europese continent.
Een Duitse roofbank
Toen George Rosenthal al ruim dertig jaar was overleden heeft de Duitse bezetter de naam van zijn succesvolle bank Lippmann Rosenthal & Co., die al ruim tachtig jaar bekend stond als een betrouwbaar en solide bedrijf, vanaf 1941 misbruikt als roofbank. De Duitsers veronderstelden dat de joden onder de dreiging van deportatie hun waardevolle goederen en hun vermogen sneller naar een goed bekend staande joodse bank zouden brengen. Daartoe lieten zij een in feite nieuwe bank oprichten, die gepresenteerd werd als filiaal van de Lippmann Rosenthal bank, in de volksmond vaak aangeduid als de ‘Liro’. Het filiaal werd gevestigd aan de Sarphatistraat 55. De bank zorgde voor een systematische registratie en inname van joods bezit zoals geld, waardepapieren en andere waardevolle bezittingen, om deze vervolgens te roven. Zo plukten de nazi’s de Nederlandse joden systematisch kaal alvorens tot hun deportatie over te gaan.
De fondsen die met de roofbank werden opgebouwd gebruikten de Duitsers voor de eigen oorlogsmachinerie maar ook voor de bekostiging van de deportaties, de bouw of uitbreiding van kampen zoals Westerbork en de beloningen die verraders van ondergedoken joden ontvingen.
Na de Tweede Wereldoorlog hernam de echte Lippmann en Rosenthal bank haar activiteiten, maar de associatie met de gelijknamige roofbank bleek nadelig te zijn voor de bank. In 1964 werd een nauwe samenwerking met de Hollandse Koopmansbank (HKB) aangegaan. Deze leidde in 1974 tot een volledige overname door laatstgenoemde bank. Inmiddels maakt de HKB onderdeel uit van de SNS groep.
Meer (bedenkelijke) informatie over Lippmann Rosenthal & Co., Liro en de HKB vindt u hier.

1922 Met het overlijden van Sophie Rosenthal-May in 1921 valt het huis, samen met Vijzelstraat 77, toe aan hun aangenomen dochter Marianne Elias Rosenthal die in 1889 is getrouwd met Maximiliaan Ernst Fuld (1857-1898), zoon van Elias Jacob Fuld van Keizersgracht 452. Ze krijgen onder andere een zoon Edgar Fuld (1890-1948), bankier en luchtvaartpionier die betrokken is bij de oprichting van de ELTA en de KLM. Hij is omgekomen bij de vliegramp met het vliegtuig ‘Nijmegen’ op 20 oktober 1948 boven Schotland.
In 1904 was Marianne Elias Rosenthal, samen met haar tweede echtgenoot Bruno Berthold Nathusius (1859-1921), op Herengracht 476 gaan wonen.
1923 werd het pand door de NV Woningstichting Huis en Haard als huurder betrokken.
1943 Koopman Heinrich Steigleder kocht Herengracht 500 van de stichting Niederländische Grundstückverwaltung voor fl. 110.000,-. Hij overleed in 1944 in Karlsbad. Na zijn dood erfde diens weduwe en haar drie kinderen het huis.
1946 Door de beheerders van hun vermogen is het pand in 1946 weer overgedragen aan voornoemde mevrouw Marianne Elias Nathusius-Rosenthal.
1950 Na haar dood erven haar dochters Jenny en Milly Fuld en de danseres, later actrice en schrijfster, Marie Sophie Nathusius het pand. Marie Sophie is getrouwd met de acteur Johan Teulings.
1951 De erfgenamen verkopen het pand voor fl. 290.000,- aan de in 1857 opgerichte Zwitserse Maatschappij van Levensverzekeringen en lijfrente (Zwitserleven) te Zürich. Dit bedrijf vestigde zich in dit pand en nam later ook het naastgelegen nummer 498 in gebruik.
1972 Het pand gaat voor fl. 1.050.000,- over in handen van Barclays Bank International. Na een grondige inwendige verbouwing, waarbij de belangrijke binnendecoratie uit de tweede helft van de 19e eeuw, afkomstig uit de tijd van baron Rosenthal zijn gerestaureerd, vestigde de bank zich in 1973 in het gebouw.
????-1998 Bank Bangert Pontier (opgegaan in Friesland Bank na witwasonderzoek).
1998 Friesland Bank Securities blijft als opvolger van Bank Bangert Pontier op Herengracht 500 gevestigd tot de verkoop van deze dochter van Friesland Bank aan de VvAA (Vereniging van Artsen Automobilisten).
2002 Friesland Bank Securities blijft als FBS Bankiers, onderdeel van de VvAA, in het pand aanwezig tot 2007. In dat jaar werd FBS Bankiers overgenomen door SNS Securities en werd het pand verlaten.
2011 Na een renovatie is het pand nu in gebruik bij meerdere bedrijven.

Meer lezen:
Amor
Burgemeester
Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht
Fitger, Arthur Heinrich Wilhelm
Fuld, Elias Jacob
Gosschalk, Izak (Isaac)
Maarschalk
Psyche
Rabbijn
Rosenthal-May Zusterhuis
Sophie Rosenthal Bewaarschool
Waay, Nicolaas van der
Witkamp, Ernst

Voor het laatst bewerkt:22-jan-2018