J.J.Viottastraat 36
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naamherkomst: De straat is vernoemd naar Joannes Josephus Viotta (1814-1859), een arts in Amsterdam van Italiaanse afkomst. Hij was ook componist van volksliederen op de teksten van Jan Pieter Heije (De Zilvervloot, De kabels los) en kerkmuziek.

Adres: J.J.Viottastraat 36
Architect: Piet Hein van Niftrik
Bouwtijd: 1919
Opdracht: Montijn

Het is een huis in een blok van vijf in een stijl die wat aan Berlage en de Nieuwe Kunst doet denken, bijvoorbeeld voor wat betreft de voordeur en het glas in loodraam dat het trappenhuis bekroont.
1919
De eerste eigenaar is de familie Montijn, eigenaren van een bedrijf ’in drijfriemen, drijfwerken en machinekamerbehoeften’.
1923
De joodse familie Korijn-van den Berg is de volgende eigenaar/bewoner. Lodewijk Korijn (1879-1942) is directeur van de NV Bankvereeniging en is ’bankier en commissionair in effecten’ en woonde met zijn vrouw, Debora van der Berg, en drie dochters, Theodora, Anna en Elise, op dit adres. Hij is de broer van Julius Korijn, de directeur van Etam.

Korijn gaf direct na de koop van het huis opdracht om de suite van voor- en achterkamer te verbouwen. De toen aangebrachte inrichting, een combinatie van Art Deco en Amsterdamse School is nog in oorspronkelijke staat aanwezig. Met name de woonkamer is bijzonder ingericht. Paarsbruin velours op de wanden, lambrisering van ingelegd hout, paars en geel glas in lood. Het schrijfbureau is opgenomen in de kamerbetimmering en vormt daarmee een stilistische eenheid. De haardpartij is onder meer versierd met in hout opgelegde, gestileerde lotusbloemen. De bovenlichten van de ramen aan de voorzijde zijn versierd met kleurrijke glas in loodpanelen, evenals de schuifdeuren, die van boven halfrond zijn. Deze vormen de afscheiding met de achterkamer, waarvan het oorspronkelijke interieur deels verloren is gegaan, op onder meer de deur en de deurposten na. Bij restauratie (2008) zijn hier nieuwe lambriseringen in de stijl van de Amsterdamse school aangebracht. Uitzonderlijk mooi is de serre met glas in lood aan de achterzijde van de achterkamer. Het glas in lood van de serre, waarvan de vormen organisch aandoen (insecten? bijenkorven?) is deels authentiek, op andere plaatsen gereconstrueerd.
Er wordt veronderstelt dat de gehele inrichting van 1923 het werk is van Napoleon le Grand aangezien zijn brandmerk in het schrijfbureau in de voorkamer is aangetroffen. Of Le Grand ook de ontwerper is van het glas in lood is niet bekend.

Op 23 februari 1942 is het huis in beheer bij de ’Hypotheekbewaarder’ van de Nederlandse Administratie van Onroerende Goederen te Den Haag (Niederländische Grundstückverwaltung (NGV), een Duitse roofinstelling opgericht in 1941), hier moesten alle joodse onroerende goederen en hypotheken worden aangemeld. De huuropbrengsten en verkoopsommen werden na controle door de Vermögensverwaltungs- und Rentenanstalt naar de Liro-bank overgemaakt. De familie Korijn woont er dan nog, want Lodewijk stierf hier in december 1942, na een kort ziekbed. De rest van de familie vergaat het slecht, dochter Elise (19) stierf in juli 1943 in Sobibor, haar zus Anna Celine de Vries-Korijn (24) kwam in september 1943 om in Auschwitz, en Theodora Helena Ossendrijver-Korijn (27) stierf in oktober 1943 in Auschwitz. Moeder Deborah Korijn-van den Berg tenslotte komt op 16 maart 1945 om in Bergen-Belsen.
1943
In februari staat het pand op naam van ene Abraham van den Berg, een familielid. Raadselachtig? Hij is al in 1941 overleden. Wel is er de aantekening: p/a notaris Overberg, Sarphatistraat 55 (Liro-roofbank). Waarschijnlijk is het huis op papier verkocht aan een (dode) stroman om vandaar verder te worden verkocht waarbij de verbinding met joodse eigenaren verdwijnt. Overigens voor de notaris een profijtelijke stap want er wordt voor beide verkopen een rekening geschreven.
1944
Het pand wordt verkocht aan Otto Rebholz, een beruchte bankier uit Noordwijk aan Zee en vermoedelijk nauw verbonden met de Liro-roofbank, die onder meer in geroofde Joodse effecten handelt. Otto Rebholz moest de waardepapieren verkopen en levensverzekeringen innen waarna alle tegoeden door Duitsland gebruikt werden voor de oorlogsindustrie.
In de oorlog draaide de Amsterdamse beurs gewoon door, aandelen van joden die toch niet meer terug zouden keerden werden door Otto Rebholz van Liro overgenomen en verkocht. De beursmannen kenden de reputatie van Rebholz maar deden alsof hun neus bloedde. Rebholz verklaarde in 1950 tegen het Openbaar Ministerie dat niet alleen hij, maar vrijwel alle grote financiële instellingen zich schuldg hadden gemaakt aan de handel in roofgoed. Daarbij noemde Rebholz namen uit de hoogste echelons van de Nederlandse bankiers- en beurswereld, onder wie die van de latere burgemeester van Amsterdam, Arnold Jan d'Ailly. Naar aanleiding van die bekentenis achtte de officier van justitie het niet langer opportuun Rebholz te vervolgen. Hij wilde zo voorkomen dat 'thans, na zovele jaren, toch nog de naam van allerlei zeer bekende bankmensen' in opspraak werd gebracht. De bankier kon vervolgens zonder veel moeite naar Liechtenstein vertrekken. Hij is in 1955 bij verstek veroordeeld voor collaboratie tot een gevangenisstraf van vijf jaar.

1945
Het pand wordt verkocht aan Alfred Egon Tauszky, een reizende Hongaarse koopman, die na de oorlog rijk wordt met zwarte handel, en later naar Paraguay vlucht.
1956
Het pand valt onder de 'regeling rechtsherstel'. Het komt nu toe aan Elsa Guerut en Christiaan Antonius JM Hagemeijer, 'koopman'. Kijken we naar een lijst van het kadaster met daarop 'mede-eigenaren in het erfpacht' dan zien we onder meer de naam van Ivo Samkalden, later burgemeester van Amsterdam.
1968
De Katholieke theologische hogeschool Amsterdam koopt het pand als studentenhuis, maar er woonden ook studenten van andere opleidingen. Wat er met het interieur is gebeurd tussen 1943 en 1968 is onduidelijk, sinds 1968 is nauwgezet toegezien op onderhoud en bescherming van wat er was waarbij de studenten de woonkamer gebruikten als gemeenschappelijke ruimte. Het interieur was immers prachtig. De achterkamer was oorspronkelijk eveneens van een lambrizering en houten vloer voorzien, maar werd begin jaren zeventig bij een brand beschadigd. Er veranderde weinig tot 2007.
2007
Het interieur wordt ontdekt door Alexander Westra, docent aan de opleiding Erfgoedstudies van de Universiteit van Amsterdam. Hij kwam op het spoor tijdens een onderzoek naar historische interieurs in Amsterdam Zuid.
2008
Het pand van 400m2 wordt voor 2,15 miljoen euro verkocht aan een particuliere koper, waarna een langdurige restauratie volgt. Sindsdien wordt het sporadisch opengesteld voor bezichtiging en soms verhuurd voor kleinere ontvangsten, lezingen, recepties en diners.

Meer lezen:
Ailly, d', Arnold Jan
Grand, le, Napoleon: Keizersgracht 730-734; Kunstenaars
Korijn, Julius: Kalverstraat 128-130; Kalverstraat 140; Leidsestraat 90; Leidsestraat 97
Korijn, Lodewijk: Kalverstraat 140; Kloveniersburgwal 47
Lippmann-Rosenthal bank (Liro roofbank): Herengracht 412; Herengracht 500
Niftrik, van, Piet Hein
Samkalden, Ivo

Voor het laatst bewerkt:07-mrt-2020