Bijlmermeer
Klik op een foto voor een grote afbeelding en meer info.

Naam: Bijlmermeer
Bouwtijd: 1967 tot 2017
Opdracht: Gemeente Amsterdam, woningbouwverenigingen

Geschiedenis:
1575 De geschiedenis van deze polder voert ver terug. Oorspronkelijk bevond zich hier het dorpje Bijlmer dat al op een kaart van 1525 voorkomt. De kaart is van Joost Jansz. Het dorpje Bijlmer lag aan het zandpad tussen Amsterdam en Weesp, in een zeer waterrijk gebied.
1622 Staten van Holland hechten goedkeuring aan de drooglegging van de Bijlmermeer. Abel Matthijsz Burch (bierbrouwer te Amsterdam, sinds 1619 eigenaar van het buiten Nieuw Costverloren, later Tulpenburg, aan de Amstel en in 1622 eigenaar van wat na zijn dood het Pintohuis wordt) kreeg toestemming tot, en octrooi op, het op eigen kosten laten droogmaken van de Bijlmermeer. Het duurde vier jaar voor de polder droog was, maar de venige grond bleek niet erg vruchtbaar en kon eigenlijk alleen 's zomers gebruikt worden. Er kwamen veel wellen voor in de ondergrond.
1672 In het rampjaar wordt de Bijlmermeer onder water gezet om een aanval van de Fransen op Amsterdam te voorkomen. Bij besluit van de Burgemeesteren van Amsterdam moesten de dijken van het Diemer- en de Bijlmermeer worden doorgestoken als onderdeel van de Hollandse Waterlinie, om de Fransen tegen te houden.
1673 De Bijlmermeer wordt door de Fransen bestuurlijk bij Weesp gevoegd.
1678 Wordt de Bijlmermeer opnieuw drooggelegd.
1702 Door een dijkbreuk bij Muiden en een gat in de Bijlmerringdijk komt de polder vol water te staan. De dijk met het zandpad van Amsterdam naar Abcoude wordt wel hersteld, maar de polder wordt niet weer drooggemalen. Amsterdam stortte uitgebaggerde modder in het water langs de dijk.
1707 Amsterdam draait op voor de kosten van het dichten van de Bijlmerringdijk. De polder zal voorlopig niet opnieuw worden drooggelegd (123 jaar).
1815 Er wordt een nieuw verzoek tot drooglegging gedaan.

1816 De Bijlmermeer wordt een zelfstandige gemeente die nagenoeg alleen uit water bestaat.
1825 De Bijlmermeer wordt weer opnieuw drooggelegd hetgeen in 1825 is voltooid. De heemraden en ingelanden krijgen een zelfstandige bestuurlijke status. De gemeente Bijlmermeer bestaat uit de Bijlmerpolder en de Bijlmerlanden: de Oost- en Westbijlmerpolder en de Bijlmerbroek. Aan de dijk die de Bijlmerpolder omsluit worden boerderijen gebouwd met namen als Bellevue, Bijlmerzicht, Bijlmerlust (nu Gein, Abcoude), Landzicht, en Eben Haezer.
De Amsterdamse koopman Dirk van der Sleesen (1790-1873) investeerde aan het begin van de 19de eeuw in de nieuwe Bijlmermeerpolder en werd daarmee de grondlegger van een omvangrijk familiebezit in een verdwenen stuk landelijk Amsterdam. Dirk was woonachtig aan het Weesperplein te Amsterdam. Hij begon in 1824 land en boerderijen aan te kopen in de Bijlmermeerpolder, de Overaetsveldsche Polder en de Polder Gein en Gaasp. De boerderijen en landerijen werden door hem verhuurd. Omdat zijn enige kind Johan Burges jong overleed werd zijn bezit na zijn overlijden in 1874 verdeeld onder zijn drie kleinkinderen, Diederica Jacoba Engelina, Jan Dirk en Diederica Willemina. In het archief dat Dirk van der Sleesen, zijn nakomelingen en de aangetrouwde familie Pos naliet, zijn veel stukken over het beheer van de boerenhofsteden en landerijen in onder andere de Bijlmermeer terug te vinden. Ook bevat het archief stukken over het polderbestuur van de Bijlmermeerpolder en de Aetsveldsche Polder, ontvangen en opgemaakt door leden van de familie uit hoofde van hun functie van dijkgraaf en poldermeester.
Bij zijn overlijden in 1873 bestond zijn bezit uit de boerenhofsteden Bellevue aan de Abcouderstraatweg, de daarnaast gelegen Nieuwe Boerderij, de boerenhofsteden Gaasperdam en Kelso (voorheen De Hulk) (allen in de Bijlmermeer), Buitenrust in de Overaetsveldsche Polder, twee boerenhofsteden met de boerderijen getekend A63 en A61 (dit is wellicht de boerderij gelegen op kavel 13 in de Bijlmermeer), benevens verschillende stukken land. In 1813 huwde Dirk van der Sleesen met Jacoba Hartkamp, met wie hij een zoon kreeg: Johan Burges. Johan huwde in 1842 met Egberta Willemina Breukink. Zij overleed zes jaar later met achterlating van drie jonge kinderen, Diederica Jacoba Engelina (ca. 1844), Jan Dirk (1845-1896) en Diederica Willemina (1848-1924). Hun oudste dochter Diederica huwde met Jan Pos. Na het overlijden van Dirk van der Sleesen in 1874 erfden Diederica en Jan Pos de boerderijen Bellevue, de Nieuwe Boerderij en Kavel 13 in de Bijlmermeerpolder. Hiermee werd Pos ingeland in de Bijlmermeer en in later jaren ook dijkgraaf. Daarnaast bezat het echtpaar huizen in Amsterdam, Nieuwer-Amstel en Baarn, welke werden verhuurd. In 1889 kochten zij de Villa Susanna in Baarn aan, waarna het gezin naar Baarn verhuisde. Zij kregen vijf kinderen: Gerrit Adriaan, een van de pioniers van de ANWB en naamgever van de zogeheten Posbank op de Veluwe, Johan Egbert Willem, Diederica Wilhelmina Margaretha, Margaretha en Egbert Willem. Dochter Margaretha trouwde met haar neef Egbertus Dirk van der Sleesen, zoon van Jan Dirk van der Sleesen en Jannetje Achterberg. Egbertus en Margaretha bezaten de boerenhofsteden Buitenrust in de Overaetsveldsche Polder, Oud-Bethlem, Klein-Bethlem en Bijlmerhoofd in de Bijlmermeer, een arbeiderswoning in de Bijlmermeer en land in de Overaetsveldsche Polder. Jan Dirk van der Sleesen en Jannetje hadden nog een zoon, Johan Egbertus Jacobus (1872-), en twee dochters, Elise Egbertha Willemina en Dedrieka Johanna (1877). Jan Dirk erfde in 1874 van zijn grootvader Buitenrust in Weesperkarspel en boerenhofstede A63. Hij was woonachtig op Buitenrust. Naast deze boerderijen verwierf hij nog de boerderijen: Oud-Bethlem en Odessa in de Bijlmermeer en Schoonoord in de Overaetsveldsche Polder. Hij was onder andere poldermeester van de Aetsveldsche Polder, dijkgraaf van de Bijlmermeer en wethouder te Weesperkarspel. Zijn oudste zoon Johan huwde evenals zijn jongere broer Egbertus met een nichtje, Lucrèce Marie Ihle, dochter van Diederica Willemina van der Sleesen (1848-1924) en Charles Guillaume Ihle (1842-1907). Johan bezat Schoonoord en Oud-Bethlem. Zijn schoonouders Diederica Willemina en C.G.Ihle erfden in 1874 de hofsteden Gaasperdam en Kelso.

1846 De Bijlmermeer wordt toegevoegd aan de gemeente Weesperkarspel.

1959 De stadsrandcommissie presenteert een structuurplan voor de zuidoostelijke stadsuitbreiding. In het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) voor Amsterdam, dat in 1935 werd opgesteld, werd nog alleen uitgegaan van een stadsgroei naar het westen en zuiden, maar begin jaren zestig werd al duidelijk dat Amsterdam de grenzen van de stad en de grenzen van het AUP moest overschrijden. In 1957 ziet Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een mogelijkheid voor huisvesting van 100.000 mensen in de zuidoostlob. De vraag was toen waar de zuidoostlob bestuurlijk moest worden ondergebracht. Deze bestuurlijke touwtrekkerij is bekend geworden als "de Bijlmerkwestie" (zie bij 1964).
1962 PW Amsterdam ontwikkelt stedebouwkundige plannen voor woongebied voor 100.000 Amsterdammers. In dat zelfde jaar besluit de gemeente Weesperkarspel dat de boerderijen onteigend zullen worden en dat kan worden begonnen met het opspuiten van de polder.
1963 Het opspuiten van de Bijlmermeer gaat van start. Om de polder bouwrijp te kunnen maken, moet de bodem meer dan twee meter worden opgehoogd. Zo’n 130 hectare grasland wordt opgehoogd met 11.500.000 kubieke meter zand uit onder neer de Vinkeveense plassen en het Muiderzand.
1964 De Bijlmerkwestie, ook wel bekend als de nacht van Scheps, was een tien uur durend debat in de Tweede Kamer dat plaatsvond op 27 oktober 1964 waarbij met krappe meerderheid werd besloten het westelijk grondgebied van de gemeente Weesperkarspel bestaande uit de Bijlmermeer, Oost Bijlmerpolder, de Polder Gein en Gaasp en delen van de West Bijlmerpolder, Bullewijker en Holendrechter polder en Venserpolder voorlopig voor twaalf jaar aan de gemeente Amsterdam toe te wijzen. Een gevolg van deze toewijzing is wel dat het Plan Pampus, een woonwijk voor 350.000 mensen van architect Jaap Bakema, niet werd uitgevoerd alhoewel in de jaren negentig daarvan toch nog een soort light-variant is ontwikkeld in de vorm van IJburg, goed voor 20.000 inwoners.
Op initiatief van het PvdA-kamerlid Johan Scheps werd een amendement ingediend en moest de kamer over de annexatie beslissen. In de aanloop naar het debat bood de gemeente aan de kamer een brochure aan met argumenten voor toewijzing "Om de toekomst van 100.000 Amsterdammers" te verzekeren. De stad moest bouwen om de woningtekorten op te vangen en oude stadswijken moesten worden gesaneerd waarna daar minder nieuwe woningen konden worden herbouwd dan er zouden worden gesloopt. Een randgemeente kon volgens Amsterdam deze zware taak niet aan in bestuurlijke en financiële zin. Andere voorstanders kwamen met argumenten "VOOR DE BIJLmermeer" en "De honderdduizend krepeerders van Amsterdam".
Tegenstanders, waaronder minister Jan Smallenbroek, wilden niet dat Amsterdam nog meer inwoners en macht kreeg. Ze meenden dat de groei van de steden moest worden beperkt, omdat anders de afstand tussen bevolking en het bestuur te groot zou worden.
Burgemeester Van Hall ontving privé een aantal Amsterdamse kamerleden van de KVP en ARP die tegen waren en probeerde hen te overtuigen van de noodzaak tot annexatie en hen om te praten om voor het amendement te stemmen. Ook kreeg hij steun van de toen nog machtige confessionele vakbonden daar de bouw veel werkgelegenheid zou opleveren.
Op 27 oktober 1964, feitelijk 28 oktober 1964 om 1.05 uur, beslist de Kamer met 74 tegen 67 stemmen dat de Bijlmermeer aan Amsterdam mocht worden toegewezen. De minister verzet zich hier tegen en zo wordt een compromis gesloten waarbij de Bijlmermeer voorlopig voor twaalf jaar, van 1 augustus 1966 tot en met 31 juli 1978, aan Amsterdam wordt toegewezen met toestemming om 25.000 woningen te bouwen. Het oostelijk deel van Weesperkarspel wordt aan Weesp toegewezen.

1966 Bijlmermeer wordt voor 12 jaar bij het grondgebied van Amsterdam gevoegd. Siegfried Nassuth werkzaam bij de toenmalige Afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken van de gemeente Amsterdam wordt als stedenbouwkundige aangewezen die in de jaren zestig samen met zijn zogenoemde Bijlmermeerteam de plannen ontwikkelde voor deze nieuwe uitbreiding van Amsterdam. Burgemeester Van Hall slaat op 15 maart, 4 oktober en 13 december eerste palen voor een nieuw gemaal, een viaduct en de flat Hofgeest.
1968 Op 25 november krijgt de eerste bewoner zijn huissleutel van Hofgeest. De huur bedraagt 324 gulden voor een 6-kamer-flat.
1970 Op 26 augustus start de aanleg van de metro.
1972 De eerste eengezins woningen worden opgeleverd in Kelbergen.
1974 Kantershof, eveneens eengezinswoningen, wordt opgeleverd.
1975 De laatste hoge flats Hakfort en Huigenbos worden opgeleverd. In deze flats zijn de woningen weer ruimer dan in de eerdere flats.
1976 In oktober gaat de metro rijden.
1982 De woonblokken Hoptille, Haardstee en Heesterveld worden opgeleverd. Deze woonblokken hebben een traditionele bouwhoogte.

1984 Alle in Amsterdam werkzame woningbouwverenigingen bouwen in de Bijlmermeer. Met de oprichting van een nieuwe woningbouwvereniging ‘Nieuw Amsterdam’, waarin alle woningen worden ondergebracht, wordt geprobeerd grip op de bewoningsproblematiek te krijgen. De huren gaan omlaag en de tarieven voor de parkeergarages worden afgeschaft.
Een groot deel van de woningen in de Venserpolder wordt dit jaar opgeleverd.
1985 Met een leegstand van 25% van de flats wordt een negatief hoogtepunt bereikt en wordt het tijd voor een aangepaste visie op het moderne wonen.
1986 Architectenbureau OMA (Office for Metropolitan Architecture) van Rem Koolhaas presenteert haar revisie voor de Bijlmermeer.
1987 De bestuurlijke organisatie van de Bijlmermeer blijft twintig jaar punt van discussie. Tenslotte blijft de Bijlmermeer ook na 31 juli 1978 bij Amsterdam horen om uiteindelijk in 1987 samen met Gaasperdam, Bullewijk en Driemond stadsdeel Zuidoost te vormen en wordt een eigen deelraad geïnstalleerd.
Op 11 september 1987 opent prins Claus het Bijlmerkasteel (NMB-ING). In september 2017 is dit complex van de architecten Alberts en van Huut aangewezen als gemeentelijk monument. Op 14 oktober 1987 wordt winkelcentrum De Amsterdamse Poort in gebruik genomen. Met de opening van het drukke winkelcentrum De Amsterdamse Poort (15 jaar te laat) steeg het vertrouwen in de Bijlmer en daalde de leegstand enorm. Dit 'centrum van Zuidoost' rond het station Bijlmer, omvat het winkelcentrum, sportaccomodaties en het stadion Amsterdam ArenA, in 2018 omgedoopt in Johan Cruijff Arena.

1992 De vernieuwing van de Bijlmermeer gaat van start. Een groot deel van de hoogbouwflats zal worden afgebroken en door laagbouw worden vervangen. Een versnelling van de plannen wordt veroorzaakt door het neerstorten van een El-Al-vrachtboeing in de flats Kruitberg en Groeneveen waarbij delen van de flats 10 centimeter van de fundering verschuiven.

De functionele stad
In 1928 wordt het CIAM (Congrès Internationaux d’Architecture Moderne) gehouden, een congres dat 2-jaarlijks wordt gehouden tot 1959. Het congres in 1933, onder leiding van Le Corbusier en Van Eesteren, stond in het teken van ‘De Functionele Stad’ en vormde door zijn universele programmatische agenda een climax in het denken over stedenbouw. Internationaal bekend zijn de plannen die Van Eesteren vanaf 1929 in samenwerking met Th.K.van Lohuizen maakte voor de afdeling Stadsontwikkeling van de Gemeente Amsterdam. Deze resulteerden in het AUP (Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam) uit 1935. Het AUP is van grote invloed geweest op het stedenbouwkundig ontwerp van de Bijlmermeer, ontworpen door Siegfried Nassuth. Nassuth was een leerling van Van Eesteren en Van Lohuizen aan de Technische Universiteit Delft. Hij wordt door hen aangenomen bij de afdeling Stadsontwikkeling van de Gemeente Amsterdam. Voor Nassuth is stedenbouw het integraal beschouwen van alle elementen die met de maatschappij en het leven te maken hebben. De Bijlmermeer moest een stad van de toekomst worden, gebouwd volgens de principes van de functionele stad. Een stad waarin wonen, werken, verkeer en recreatie ruimtelijk gescheiden zouden zijn. Het idee van de functionele stad was vooral ontwikkeld door de Zwitserse architect Le Corbusier, die het gebruikte in zijn plan voor Voisin, bij Parijs. In de Bijlmermeer werden 18.000 woningen gepland. Hiervan zouden 13.000 in honingraatvormige complexen van elf lagen hoog worden gebouwd. De ontsluiting van de individuele woningen vond plaats via binnenstraten. Tussen de hoogbouwcomplexen kwamen grote groene ruimtes. Daar werden de fiets- en voetgangersroutes gepland. De afwikkeling van het gemotoriseerde verkeer vond plaats via verhoogd aangelegde wegen. De flats kregen grote parkeergarages, die met de verhoogde wegen waren verbonden. Boven deze wegen zoeven metro’s die de verbinding met het stadscentrum verzorgen. Onder de viaducten kwamen winkelcentra. Dat was de grondgedachte.
Het oorspronkelijke plan voor de Bijlmermeer is nooit in zijn geheel uitgevoerd. De binnenstraten kwamen niet op de begane grond, maar op het eerste niveau. Op de begane grond kwamen bergingen, wat zorgde voor een anonieme en gesloten gevel op het maaiveld. In de binnenstraten werden huizen gebouwd, om meer huuropbrengsten te kunnen genereren. Dit ging ten koste van de kwaliteit van de binnenstraat die aan de schaduwkant kwam te liggen. De binnenstraat liep van begin tot einde door het flatgebouw. Via een brug bij de dreef was er toegang tot parkeergarage/parkeerdek en openbaar vervoer. Op regelmatige afstanden was niet alleen een trap naar maaiveldniveau maar ook nog een brug via een oprit. Deze opritten waren onder meer te gebruiken door de nog aan huiskomende rijdende winkels (groente/fruit en zuivel) die daarna beschut in de binnenstraat konden staan. In de binnenstraat stond om de ca.8 meter een meter brede muur ter ondersteuning van de hogere verdiepingen. Als nadeel van deze muur werd de onderbreking van het doorzicht ervaren waardoor veel mensen zich niet veilig voelden in de binnenstraat. Er werd ook bezuinigd op het aantal liften.
Voorzieningen als winkels kwamen later dan gewenst, zodat de ruimtes onder de verhoogde wegen en parkeerdekken verloederden. De snelle metroverbinding met het stadscentrum werd veel later aangelegd dan gepland. Door de aantasting van de oorspronkelijke plannen werd de Bijlmermeer extra kwetsbaar voor sociale problematiek.
Terwijl de Bijlmermeer nog volop gebouwd werd, deed zich in Nederland een ontwikkeling voor die dramatische gevolgen zou hebben voor de nieuwe wijk: de suburbanisatie. In de overloopsteden rond Amsterdam werden tienduizenden nieuwe laagbouwwoningen gebouwd, voor een groot deel in de koopsector. Deze woningen spraken de meeste mensen meer aan dan de hoogbouwappartementen in de Bijlmer, waarvoor hoge huren moesten worden betaald. Toen ook de Nederlandse bevolking minder snel bleek toe te nemen dan gepland, deed zich begin jaren ’70 de eerste leegstand voor.

Terug naar het principe van de functionele stad
Het eerste uitgangspunt was het autovrije wonen, het tweede was bouwen in hoogbouw.
De firma's Indeco Coignet en Intervam krijgen een afname-garantie van 6000 en 7000 woningen per jaar. In april 1965 publiceerde de afdeling Stadsontwikkeling de nota "Grondslagen voor de Zuidoostelijke stadsuitbreiding". Stedebouwkundige ir.G.A.Nassuth kwam met het plan woongebouwen van tien verdiepingen in een zeshoek neer te zetten. Deze honingraat zou de ideale vorm zijn om het idee van een binnenhof op te roepen. Tijdens de uitwerking van de plannen werden de idealen ‘woningen op palen met een binnenstraat aan de zonzijde’ één voor één geschrapt, voornamelijk uit bezuinigingsoverwegingen.
Er kwam een onderhuis met binnenstraat aan de schaduwzijde en een berging beneden en een groot aantal woningen per lift zodat uiteindelijk ook galerijen nodig waren. Op enkele woontorens van 20 verdiepingen na (Gouden Leeuw en Groenhoven) bestaat de hoogbouw uit woongebouwen van 9 verdiepingen op een dubbel onderhuis, in totaal circa 30 meter hoog.

Slechte reputatie
De Bijlmermeer kreeg een andere bevolking dan gepland. De hoogbouwflats waren bedoeld voor Amsterdamse middenklasse gezinnen. Maar die lieten het massaal afweten, en vertrokken naar de grondgebonden woningen in de overloopsteden. In plaats daarvan kwamen er veel alleenstaanden te wonen, gezinnen zonder kinderen en éénouder gezinnen.
Als gevolg van de onafhankelijkheid van Suriname arriveerden van 1970 tot 1975 veel Surinamers, voor wie elders in Amsterdam nauwelijks een woning te vinden was. Ook veel Antillianen kwamen in de wijk te wonen. Hoge werkloosheid onder de bevolking, overbewoning van appartementen, vertrek van kansrijke groepen naar de voorsteden, drugs- en andere sociale problemen, zetten een negatieve spiraal in werking. De Bijlmermeer werd een wijk met één van de slechtste reputaties van Nederland.
Om het tij te keren richtten de woningcorporaties die de flats in bezit hadden in 1984 de woningstichting Nieuw Amsterdam op. Eén gespecialiseerde organisatie werd beter in staat geacht de moeilijke wijk te beheren. De huren van de flats werden verlaagd en het parkeren in de garages werd gratis. Delen van leegstaande parkeergarages werden afgebroken. De probleemflat Gliphoeve werd ontruimd en geheel gerenoveerd en omgedoopt tot Geldershoofd.
Ongeveer duizend vier- en vijfkamerwoningen werden gesplitst in kleinere eenheden om ze aantrekkelijk te maken voor kleinere huishoudens. De lange galerijen werden op een aantal plaatsen afgesloten en liften werden bijgebouwd. In het openbare groen werden volkstuintjes uitgegeven aan bewoners. Hier en daar werd parkeren op het maaiveld toegestaan. Maar ondanks deze maatregelen bleven de verliezen van de corporatie oplopen.
Steeds meer stemmen gingen op om een deel van de Bijlmer te slopen hetgeen vanaf 1992 zijn beslag krijgt.

Vernieuwing
Overal in Nederland staan hoogbouwflats, maar nergens zoveel bij elkaar als in de Bijlmermeer: 30 gebouwen met daarin 13.000 woningen. Alle idealen ten spijt over de vorming van een leefbare, groene, moderne en van alle gemakken voorziene wijk, kreeg de Bijlmer in de jaren '80 de naam een onleefbare, ongezellige en onveilige wijk te zijn. In 1992 is een vernieuwingsoperatie op gang gekomen, een project dat tot ongeveer 2013 duurt en ongeveer 2 miljard euro aan investeringen zal vergen. De vernieuwing steunt op drie pijlers: ruimtelijke vernieuwing, sociaal-economische vernieuwing en verbetering van het leefklimaat van de omgeving. Helaas is het gevolg dat er nogal wat groen sneuvelt.
Eén van de wegen die gevolgd worden om de Bijlmermeer een vriendelijker karakter te geven, is het bewerkstelligen van een afwisselende bouw, hoogbouwwoningen worden gesloopt en vervangen door laagbouw in uiteenlopende prijsklasse en huurwoningen. Ook het principe van scheiden van verkeersstromen wordt verlaten. Het plan 'Vogeltjeswei' rekent voorgoed af met de woon- en leefideologie uit de jaren '60.

Bijlmermuseum
Buurtbewoners die blijven geloven in de oorspronkelijke opzet en idealen, de Bijlmer believers, hebben er voor gezorgd dat deze buurt is blijven bestaan. De Bijlmermuseum wordt gevormd door het gebied tussen de metrostations Ganzenhoef en Kraaiennest. In 2018 spreekt het gemeentebestuur over een waardevol cultuurhistorisch en stedenbouwkundig erfgoed. Er wordt een nieuw bestemmingsplan geschreven dat tot doel heeft de zes overgebleven flatgebouwen rond de verhoogde metrobaan te beschermen voor het nageslacht. En het stadsbestuur heeft het voornemen het ensemble aan te wijzen als beschermd stadsgezicht. In het gebied ligt ook de voormalige sloopflat Kleiburg, die voor zijn wederopstanding als klusflat in 2017 de Europese architectuurprijs Mies van der Rohe kreeg. Die internationale waardering was een mijlpaal voor de oorspronkelijke Bijlmer en zijn geestelijk vader, de in 2005 overleden stedenbouwkundige Siegfried Nassuth. Eind 2017 werd bekend dat de gemeente Amsterdam overweegt om een deel van het Bijlmermuseum, het oorspronkelijk deel van de Bijlmer, aan te wijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Het gaat om de flats Gooioord, Groeneveen, Grubbehoeve, Kikkenstein, Kruitberg, Kleiburg en de openbare ruimte. Eén en ander maakt deel uit van het voorontwerpbestemmingsplan Bijlmermuseum.

Naamgeving:
De Bijlmermeer wordt doorsneden door de Gooiseweg. Vanuit Amsterdam gezien liggen de A-, C- en D-buurt rechts en de B- en E-buurt links van de uitrit Daalwijkdreef. Bij de uitrit Bijlmerdreef ligt de F-buurt naar rechts en de G-buurt naar links. De uitrit voor de Karspeldreef geeft rechts toegang tot de H-buurt en links tot de K-buurt. Alle flats en straatnamen (na de renovatie) in de A-buurt beginnen met een A, enzovoort. Gebruikt zijn namen van boerderijen en patriciërshuizen uit heel Nederland en buitenlandse schrijvers.

Fort Bijlmer
Het fort Bijlmer was gelegen aan de Abcouderstraatweg ter hoogte van het huidige station Bijlmer-Arena. Het stuk Abcouderstraatweg tussen station Duivendrecht en de Tafelbergweg is opgegaan in de Bijlmer en Gaasperdam en bestaat als zodanig niet meer.
Fort in den Laander- en Westbijlmerpolder was de officiële naam, maar ook Fort Duivendrecht werd gebruikt. Het werd in 1868 gebouwd als een militaire fortificatie ter beveiliging van Amsterdam. Fort Bijlmer moest bescherming bieden tegen oprukkende vijanden vanuit met name de richting Utrecht. Het fort lag aan de ene kant langs de belangrijkste rijksweg van de regio uit die tijd, namelijk de Abcouderstraatweg van Utrecht via Abcoude naar Amsterdam en aan de andere kant langs de net aangelegde Rhijnspoorweg (de huidige spoorweg Utrecht- Amsterdam). Beide toegangen naar Amsterdam moesten door het fort worden verdedigd. Het was in die tijd niet gemakkelijk om bij nadering van Amsterdam het fort te vermijden anders dan via een veel oostelijker of westelijker route.
Fort Bijlmer bestond uit een fortgracht, gebastionneerde aarden omwallingen, een aantal gebouwen voor manschappen en munitie en een fortwachterswoning. Het hoofdgebouw van het fort, een bomvrije kazerne voor de manschappen, lag aan de achterkant van het fort (de zogenaamde 'keel' van het fort, bij de toegang). Het gebouw was 53 meter lang en 19 meter breed. Het was geheel omringd door grachten, waarvan die aan de achterzijde samenviel met de gracht van het fort. De zachte bodem bleek echter een probleem. De veenbodem werd voor een deel, maar achteraf gezien onvoldoende, weg gegraven waarna bouwzand werd gestort en houten heipalen werden geplaatst. Vervolgens werd de kazerne gebouwd en in december 1868 voltooid.
Na het aanbrengen van de gronddekking tegen inkomende artilleriegranaten, aan de voorkant, zijkanten en op het dak van het bakstenen gebouw schoof het ruim tien maanden later op 3 november 1869 langzaam achterwaarts van de paalfundering en deels in de gracht. Het gebouw was onherstelbaar beschadigd.
Er waren zowel fouten bij het ontwerp als bij de bouw van het fort gemaakt, waarvan de belangrijkste de kennelijk zwakke fundering betrof. "(...) Een der eenvoudigste middelen ter voorkoming van het ongeval zou geweest zijn, om, alvorens de palen te heijen, de put over de geheele oppervlakte van het gebouw en de bermen tot minstens 1 meter onder den bodem van de diepste gracht uit te graven en te baggeren en met zuiver zand aan te vullen. Hierdoor zouden de onderlagen zijn zamengeperst, en de paalfundering den noodigen steun tegen zijdelingsche uitwijking hebben verkregen.(...) "
Het fort was onderdeel van de militaire sector Ouderkerk van de zogenaamde Posten van Krayenhoff welke een voorloper was van de latere Stelling van Amsterdam. Het fort lag waar nu het Acanthus-gebouw (ING bank) staat. Bij de bouwvoorbereiding aan het begin van deze eeuw stuitte men nog op de oude heipalen van Fort Bijlmer.
Ten zuiden van Fort Bijlmer lag een nog oudere post van Krayenhoff, Batterij Weltevreden, die is gebouwd in 1810 en nog bestaand in 1871. De formele opheffing is in 1926 en de artilleriebatterij lag ongeveer op de plaats waar nu de Huntumdreef is. Die batterij bestond uit enkele kanonnen aan de (binnen)rand van de Bijlmerpolder, net als Fort Bijlmer gericht op een eventuele vijand vanuit het zuiden (Abcoude/Utrecht) naderend via de Rijksstraatweg. De oostkant van de Bijlmer was ook kwetsbaar voor een oprukkende vijand. Waar nu de Geerdinkhof is, stond bij de Weespertrekvaart al sinds 1787 artilleriebatterij Weesper Tolhek, toen om de Pruisen uit Duitsland tegen te houden.
Ondanks dat fort Bijlmer grondig was verzakt werd het niet afgeschreven. In 1871 werd door legerofficier J.H.Kromhout, kapitein bij de generale staf, ontwerpen gemaakt om de Posten van Krayenhoff om te bouwen tot de latere Stelling van Amsterdam. Hierin was Fort Bijlmer ingetekend als integraal onderdeel van de stelling met een zware artillerie- en infanteriebewapening. Het Kromhout ontwerp van Fort Bijlmer is uiteindelijk niet uitgevoerd en het Fort Bijlmer van 1868 bleef onveranderd.

Het ontwerp van de stelling moest al snel worden aangepast omdat deze te dicht bij Amsterdam bleek te liggen gegeven de laatste militaire ontwikkelingen. Het geschut van mogelijke vijanden kreeg een veel grotere draagwijdte, reden om fortificaties op grotere afstand van Amsterdam aan te leggen. Fort Bijlmer lag hiervoor een paar kilometer te dicht bij Amsterdam. Een vijand zou er met de nieuwe kanonnen en munitie gemakkelijk overheen kunnen schieten en de stad kunnen raken. Nieuwe fortificaties moesten deze dreiging voorkomen. De ontwerpen van Kromhout zijn later fundamenteel aangepast, de definitieve locaties kwamen verder van Amsterdam te liggen, en de uiteindelijke 46 forten rondom Amsterdam zijn bekend geworden als de Stelling van Amsterdam. Tot de ring van forten behoren onder andere die te Weesp, Nigtevecht, Abcoude en Ouderkerk. Die lagen toen wel ver genoeg van Amsterdam. Fort Abcoude was het eerste fort van de nieuwe stelling en kwam gereed in 1885, dus pas 17 jaar na Fort Bijlmer.
Rond de eeuwwisseling krijgt Fort Bijlmer samen met het iets verderop aan de ringdijk van de Bijlmermeer gelegen Kruithuis een rol als munitieopslagplaats waarvoor een projectielenloods en fortwachterswoning worden gebouwd. In 1919 wordt de verdedigende functie van het fort formeel beëindigd, al blijft het fort wel in bedrijf als opslagplaats en woont er een fortwachter. Omstreeks 1936 is het fort zo onbelangrijk geworden dat de Rijksstraatweg recht over het fortterrein wordt getrokken.
Na de Tweede Wereldoorlog wordt Fort Bijlmer gebruikt als executieplaats voor oorlogsmisdadigers. De bekendsten zijn:
Ans van Dijk (1948), die voor de Sicherheidsdienst circa 700 Joodse onderduikers verraadde,
Maarten Kuiper (1945), de Nederlandse SD-jager op onderduikers die aanwezig was bij de arrestatie van Anne Frank en haar mede-onderduikers op de Prinsengracht en verantwoordelijk voor de executie van verzetsstrijdster Hannie Schaft,
Karl Peter Berg (1949), de Duitse SS-kampcommandant van kamp Amersfoort.
In de jaren zestig werden de fortgebouwen definitief ontmanteld en de grond geëgaliseerd voor de aanleg van de Bijlmer.

Meer lezen:
Abcouderstraatweg 45 (Bijlmerlust)
Dennenrode
Groeneveen
Haag en Veld
Haardstee
Hakfort
Heesterveld
Hofgeest
Hogevecht
Hoogoord
Hoptille
Huigenbos
Huntum
Kelbergen
Kikkenstein
Nassuth, Georg Siegfried
Nelson Mandelapark (vh Bijlmerpark)

Voor het laatst bewerkt:27-jul-2018